ECLI:NL:GHARL:2025:7443
Résumé de l'Affaire
Civiel recht
Uitspraak
Arnhem
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.817
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/579726
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[de taxichaffeur] ( [de taxichaffeur] )
handelend onder de naam Taxi Utrecht Centraal
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N.A.W.E. Jansen
en
Utrechtse Taxi Centrale B.V. (UTC)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. U.T. Hoekstra
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1..
[de taxichaffeur] heeft beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 13 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 14 oktober 2025 is gehouden
2. De kern van de zaak
2.1.. UTC en [de taxichaffeur] exploiteren beiden een taxibedrijf in de stad Utrecht en omstreken. UTC stelt dat [de taxichaffeur] met zijn handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”inbreuk maakt op haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”.
2.2.. UTC heeft bij de rechtbank gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden de in 2.1 genoemde handelsnamen te gebruiken onder verbeurte van dwangsommen. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.3.. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep slechts voor een klein deel slaagt, te weten dat het verbod op het gebruik van de handelsnaam “TUC”zal worden opgeheven, maar dat de beslissing van de rechtbank voor het overige wordt bekrachtigd. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus voor het overgrote deel in stand. Voordat het hof uitlegt hoe het tot zijn beslissing is gekomen, zal het de tussen partijen vaststaande feiten weergeven.
3. De tussen partijen vaststaande feiten
3.1.. UTC exploiteert na een fusie van twee oudere coöperaties sinds 1993 in de stad Utrecht en omstreken een taxionderneming onder de handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”. Bij haar zijn aangesloten circa 180 taxi-voertuigen, gereden door circa 200 taxibestuurders. UTC is de werkmaatschappij van de coöperatieve vereniging“Coöperatieve Utrechtse Taxi centrale U.A.”. Haar website is toegankelijk via de domeinnaam utc.nl en haar e-mailadressen eindigen op @utc.nl.
3.2..
[de taxichaffeur] exploiteert sinds 2018 in de stad Utrecht en omstreken een taxionderneming onder de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”en“Taxi Utrecht Centrale”. Zijn websites zijn toegankelijk via de domeinnamen taxiutrechtcentraal.com en taxiutrechtcentrale.nl. Zijn e-mailadres is [email protected]. [de taxichaffeur] verdeelt bij hem binnenkomende verzoeken tot taxivervoer via een WhatsApp-groep onder bij hem aangesloten taxibestuurders.
3.3.. UTC heeft [de taxichaffeur] op 30 januari 2024 gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden gebruik te maken van de woorden “Utrechtse Taxi Centrale”of daarop gelijkende bewoordingen als“Utrechtse taxicentrale”. Gelijktijdig of min of meer gelijktijdig heeft UTC bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot wijziging van de handelsnaam van [de taxichaffeur] ex artikel 6 van de Handelsnaamwet. De zaken zijn vervolgens gevoegd behandeld bij de kantonrechter krachtens ex art. 96 Rv. Ter voorbereiding op de zitting in die zaak (zaaknummer C/16/11032198) op 24 mei 2024 heeft UTC bij brief van 22 april 2024 haar eis aldus uitgebreid dat zij ook een verbod vorderde van het gebruik van onder meer de handelsnamen“Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”. Ter zitting van 24 mei 2024 hebben partijen een schikking getroffen met onder meer de volgende afspraken:
“1. [de taxichaffeur] zal geen gebruik maken van de benaming “Utrechtse Taxi Centrale” of “Utrechtse Taxicentrale”, op straffe van een direct opeisbare boete van € 1.000,- voor iedere dag dat hij deze toezegging overtreedt tot een maximum van € 50.000,-. (…)
3. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure gevorderd hebben. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat daar niet onder valt de eiswijziging zoals geformuleerd in de brief van mr. Hoekstra van 22 april 2024. (…)”
4. De toelichting op de beslissing van het hof
De grief over de gang van zaken bij de rechtbank
4.1.. Nadat UTC [de taxichaffeur] tegen de terechtzitting van de rechtbank van 28 augustus 2024 had gedagvaard, heeft de advocaat van [de taxichaffeur] in een e-mail van 27 augustus 2024 onder meer aangekondigd zich te stellen voor [de taxichaffeur] , verzocht om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord van zes weken en verzocht om verwijzing naar kanton. De rolrechter heeft de zaak verwezen naar de rol van 9 oktober 2024 voor conclusie van antwoord. UTC heeft de rechtbank op 2 september 2024 bericht niet in te stemmen met verwijzing naar kanton. [de taxichaffeur] heeft ter rolle van 9 oktober 2024 niet gediend voor antwoord en geen uitstel verzocht, waarop de rolrechter akte niet dienen heeft verleend en de zaak voor beraad van partijen heeft verwezen naar de rol van 23 oktober 2024. Partijen konden op die rolzitting aangeven of zij een mondelinge behandeling wensten of vonnis, onder de vermelding dat [de taxichaffeur] en zijn advocaat op de mondelinge behandeling geen verweer mochten voeren. Op de rolzitting van 24 oktober 2024 heeft UTC vonnis gevraagd en heeft [de taxichaffeur] erop gewezen dat op zijn verzoek tot verwijzing niet is gereageerd en dat dit alsnog moet gebeuren. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis beslist dat zij niet terugkomt van haar beslissing tot verlenen van akte niet dienen en dat er geen mondelinge behandeling zal worden gehouden. De rechtbank heeft deze beslissing aldus uitgewerkt in rechtsoverweging 2.2 dat [de taxichaffeur] niet op de voorgeschreven manier (te weten door het instellen van een incidentele vordering) heeft verzocht om verwijzing. De rechtbank heeft ten slotte de vorderingen van UTC toegewezen, omdat deze haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Onder meer tegen deze beslissingen richt zich grief 3. [de taxichaffeur] stelt zich op het standpunt dat de griffie van de rechtbank hem had moeten berichten dat de vordering tot verwijzing niet op de juiste manier was aangebracht, zodat hij de gelegenheid zou hebben gehad tot herstel van het verzuim. Volgens [de taxichaffeur] is sprake van schending hoor en wederhoor en excessief formalisme.
4.2..
[de taxichaffeur] heeft niet toegelicht welk gevolg hij met deze grief beoogt. Bij het hof vindt binnen de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied een herbeoordeling plaats van de stellingen van partijen. Het hof zal daarom aandacht besteden aan het in de grieven geformuleerde verweer van [de taxichaffeur] . [de taxichaffeur] heeft daarom geen belang bij een grief over het feit dat zijn verweer niet in de beoordeling van de rechtbank is betrokken. Dat [de taxichaffeur] zijn verweer slechts in één feitelijke instantie heeft kunnen voeren, maakt dat niet anders. Een partij heeft in beginsel geen aanspraak op behandeling van haar geschil in twee feitelijke instanties. Dat daarop in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, heeft [de taxichaffeur] niet gesteld. Het hof heeft niet de mogelijkheid de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, ook al zou de rechtbank op onjuiste gronden [de taxichaffeur] niet de gelegenheid hebben gegeven verweer te voeren.
De eerdere schikking staat niet aan de onderhavige procedure in de weg
4.3.. In punt 3 van de schikking die partijen op 24 mei 2024 hebben getroffen is bepaald dat onder de finale kwijting niet de eiswijziging bij brief van UTC van 22 april 2024 valt (zie 2.3, hierboven). Daardoor heeft de finale kwijting geen betrekking op de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”. Dat betekent dat het beroep door [de taxichaffeur] op (analoge toepassing van) gezag van gewijsde van de schikking en niet-ontvankelijkheid van UTC in haar vorderingen in verband met de eerder getroffen schikking wordt verworpen.
Het misleidende karakter van de handelsnamen
4.4.. UTC heeft gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”te voeren, omdat zij verwarring bij het publiek wekken ten opzichte van haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”en omdat zij misleidend zijn, nu zij een onjuiste indruk geven van de onder die naam gedreven onderneming (nr. 5 van de inleidende dagvaarding). UTC stelt in nr. 5 van de inleidende dagvaarding weliswaar dat alle drie de handelsnamen van [de taxichaffeur] , te weten“Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”, misleidend zijn, maar zij werkt dat slechts uit ten opzichte van de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”, kort gezegd met het argument dat [de taxichaffeur] met deze handelsnamen de indruk wekt dat er een taxicentrale bestaat die de ritten tussen de taxibestuurders verdeelt en toezicht houdt op de kwaliteit (nr. 8 van de inleidende dagvaarding). Ook in nr. 5 van de inleidende dagvaarding heeft UTC gesteld dat [de taxichaffeur] het publiek misleidt door het gebruik van de woorden “centraal” of “centrale”, omdat hij zich hiermee groter voordoet dan hij is. Het hof legt de stellingen van UTC zo uit dat zij slechts voor de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”heeft gesteld dat deze misleidend zijn en niet ook voor de handelsnaam“TUC”. Dat zou ook onverwacht zijn, omdat de naam“TUC”geen elementen bevat die iets aangeven over omvang en karakter van de onderneming.
4.5.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van UTC haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Dit betekent dat de rechtbank de in de dagvaarding vermelde grondslagen van de vorderingen kennelijk heeft overgenomen, dus dat de door [de taxichaffeur] gevoerde handelsnamen krachtens het vonnis zowel misleidend als verwarringwekkend zijn ten opzichte van die van UTC. Dit brengt weer mee dat [de taxichaffeur] in hoger beroep, als hij tegen het gehele oordeel van de rechtbank op dit punt op wil komen, van beide grondslagen moet aanvoeren dat zij ondeugdelijk zijn.
4.6..
[de taxichaffeur] heeft in zijn memorie van grieven alleen het verwarringwekkende karakter van zijn handelsnamen betwist, maar niet betwist dat zij misleidend zouden zijn. Dat betekent dat het oordeel van de rechtbank dat de handelsnamen “Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”misleidend zijn buiten het door de grieven ontsloten gebied valt en dat daardoor vaststaat dat deze handelsnamen misleidend zijn. Omdat dat oordeel de toewijzing van de vorderingen van UTC met betrekking tot de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”zelfstandig kan dragen, is hetgeen het hof hierna over het verwarringwekkende karakter van deze handelsnamen zal beslissen ten overvloede geoordeeld.
De beoordeling van het verwarringsgevaar
4.7.. UTC heeft gesteld dat de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”gevaar voor verwarring wekken met haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”Zij doet daarmee een beroep op artikel 5 van de Handelsnaamwet dat als volgt luidt:“Het is verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.”
4.8.. Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar komt het aan op een globale beoordeling van de volledige handelsnamen wat betreft hun visuele, auditieve en begripsmatige kenmerken, in relatie tot de aard van de ondernemingen en alle overige omstandigheden van het geval. Tot de visuele kenmerken behoren ook gebruikte logo’s en eventuele andere visuele vormgeving. Voorts dient de vraag of verwarring te duchten valt, te worden beoordeeld vanuit het perspectief van het normaal oplettende publiek en zijn eventuele (specialistische) kennis van het desbetreffende marktsegment. Een geheel beschrijvende handelsnaam heeft in beginsel geen onderscheidend vermogen, tenzij het publiek een zodanige naam door de intensiteit van het gebruik ervan is gaan associëren met de onderneming die haar voert (‘inburgering’). Voorts is van belang dat, nu het gebruik van beschrijvende aanduidingen is toegenomen, aangenomen mag worden dat het publiek eraan gewend is dat ondernemingen beschrijvende handelsnamen gebruiken, en minder snel in verwarring zal raken als meer (rechts)personen onder dezelfde, of slechts in geringe mate afwijkende, beschrijvende handelsnamen aan het economische verkeer deelnemen. Mocht verwarring dreigen, dan kan een kleine variatie in de naam dat gevaar al wegnemen. Omgekeerd kan worden aangenomen dat, naarmate een handelsnaam meer onderscheidend vermogen heeft, eerder verwarring te duchten valt. Het is immers aannemelijk dat het publiek in dat geval, bij kennisneming van eenzelfde of een slechts in geringe mate afwijkende naam, die naam eerder in verband zal brengen met de onderneming die de oudere handelsnaam voert (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269, Dairy Partners).
4.9.. Tussen partijen is niet geschil dat de handelsnamen van UTC ouder zijn dan die van [de taxichaffeur] en dat het gebruik door UTC van haar handelsnamen rechtmatig is. Verder is van belang dat partijen precies dezelfde diensten aanbieden, te weten taxivervoer, in dezelfde regio, te weten Utrecht. De handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”en “Utrechtse Taxicentrale”zijn beschrijvend. Het woord“Taxi”beschrijft de aard van de onderneming en het woord“Utrechtse”de geografische locatie. Het woord“Centrale”is ook in zekere mate beschrijvend. Het publiek zal bij het begrip denken aan een fysieke centrale locatie waar de verzoeken voor ritten binnenkomen en vervolgens worden uitgezet onder de taxibestuurders. UTC heeft gesteld dat deze handelsnamen zijn ingeburgerd. Zij gebruikt deze handelsnamen sinds 1993, zij heeft een marktaandeel van 30% en 80% van haar vloot van circa 180 taxiauto’s is bestickerd met het logo van de onderneming. [de taxichaffeur] heeft deze onderbouwing van inburgering van de twee handelsnamen niet voldoende betwist, zodat het hof daarvan uitgaat.
4.10.. Door deze inburgering hebben deze twee beschrijvende handelsnamen van UTC enige mate van onderscheidend vermogen verworven, zodat verwarringsgevaar aan de orde kan zijn omdat het relevante publiek de namen kent en deze in verband brengt met UTC. Naar het oordeel van het hof is, alle omstandigheden in aanmerking nemend, van een dergelijk verwarringsgevaar met de twee beschrijvende handelsnamen van [de taxichaffeur] ook daadwerkelijk sprake. Er is immers een zeer sterke gelijkenis tussen beide paren van handelsnamen, nu zij maar op drie punten van ondergeschikte betekenis verschillen. Ten opzichte van de handelsnamen van UTC heeft [de taxichaffeur] slechts de woordvolgorde van “Utrechtse”en“Taxi”omgedraaid, van het bijvoeglijk naamwoord“Utrechtse”het zelfstandig naamwoord“Utrecht”gemaakt en in één van de handelsnamen het woord“Centrale”veranderd in het woord“Centraal”. Daarmee zijn verschillen ontstaan die in visueel, auditief en begripsmatig perspectief van ondergeschikt belang zijn. Dat er enig begripsmatig verschil bestaat tussen“Centrale”en“Centraal”, in die zin dat“Centraal”in deze context mogelijk mede verwijst naar station Utrecht Centraal, maakt niet dat deze handelsnaam, gezien zijn sterke visuele en auditieve gelijkenis met“Utrechtse Taxi Centrale”voldoende afstand houdt tot deze handelsnaam. Deze verschillen zullen het relevante publiek – personen die op zoek zijn naar een taxi vanuit of naar (de regio) Utrecht – niet zo snel opvallen. Van dit publiek zal immers niet een bijzonder hoog aandachtsniveau worden verwacht. Het hof beslist daarom dat gevaar voor verwarring te duchten is door het gebruik van de handelsnamen“Taxi Utrecht Centraal”en“Taxi Utrecht Centrale”. Het verschil in de door UTC en [de taxichaffeur] gebruikte logo’s neemt dit gevaar niet weg. Dat brengt mee dat de rechtbank de vorderingen van UTC ook in dat opzicht terecht heeft toegewezen.
4.11.. Het hof is van oordeel dat er geen verwarringsgevaar bestaat tussen enerzijds de handelsnamen “UTC”en“U.T.C.”van UTC en anderzijds“TUC”van [de taxichaffeur] . Het gaat in beide gevallen om een combinatie van drie dezelfde, in kapitalen geschreven hoofdletters, maar in een afwijkende volgorde. Omdat het een afkorting van slechts drie letters betreft is een wisseling van de volgorde een relatief grote wijziging van deze afkorting. Die wisseling voorkomt dat er gevaar voor verwarring is te duchten. Daarbij gaat het hof er ook vanuit dat de ruimte voor ondernemingen om ook een afkorting te gebruiken ter aanduiding van hun onderneming, niet te zeer mag worden begrensd. De afwijkende volgorde leidt ten slotte ook tot een auditief verschil, omdat“TUC”ook kan worden uitgesproken, niet als drie letters, maar als het woord“tuk”. Dat dit geen theoretisch argument is werd bevestigd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, toen de afkorting door een van de namens UTC aanwezigen werd uitgesproken als“tuk”. Het voorgaande betekent dat op dit punt het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het verbod op het gebruik van de handelsnaam“TUC”zal daarom alsnog worden afgewezen.
Gebruik van de handelsnaam “TUC”
4.12..
[de taxichaffeur] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof aangevoerd dat hij de handelsnaam “TUC”nooit heeft gebruikt, ook al staat deze in het handelsregister. Deze betwisting is een nieuwe grief tegen het vonnis die uiterlijk bij memorie van grieven had moeten worden aangevoerd. UTC heeft niet ingestemd met het alsnog toevoegen van deze grief aan het debat in hoger beroep. Dit betekent dat het hof gezien de tweeconclusieregel deze betwisting niet mag onderzoeken.
De conclusie
4.13.. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [de taxichaffeur] voor het overgrote deel in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de taxichaffeur] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Omdat UTC geen proceskosten heeft gevorderd op grond van artikel 1019h Rv, zal het hof de kosten vaststellen conform het liquidatietarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
5. De beslissing
Het hof:
5.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2024, met uitzondering van de woorden “en/of ‘TUC’”in onderdeel 3.1 van het dictum, welke woorden het hof schrapt uit het vonnis;
5.2..
veroordeelt [de taxichaffeur] tot betaling van de volgende proceskosten van UTC:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van UTC (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
5.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, C. Bakker en M. Schut, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.