[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2025-842":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2025-842":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1879","ECLI:NL:GHARL:2025:842","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2025-02-11T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.202\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 10238585\n\narrest van 11 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de kantonrechter optrad als eiseres\n\nhierna: [appellante]\n\nadvocaat: mr. A.A. Kootstra\n\ntegen\n\nde gemeente Groningen\n\ndie zetelt in Groningen\n\nen bij de kantonrechter optrad als gedaagde\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. M.E. Witting.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 2 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\nde akte uitlating producties van [appellante]\n\nde akte overlegging producties van de gemeente\n\nde akte overlegging producties van [appellante]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 januari 2025 is gehouden.\n\n Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Centraal staat de vraag of [appellante] arbeidsongeschikt is geraakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7.3 lid 1 van de cao Gemeenten (hierna: de cao).\n\n2.2. \n [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat daar sprake van is, zodat zij recht heeft op de extra aanvulling van het inkomen en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement zoals omschreven in de cao in artikel 7.3 lid 2 en 3. Zij heeft gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van die aanvulling vanaf 25 maart 2021, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum.\n\n2.3. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens haar was geen sprake van buitensporige arbeidsomstandigheden die worden vereist voor toepassing van art. 7.3 cao. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof komt ook tot een afwijzing van de vorderingen. Het deelt het oordeel van de kantonrechter. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen wordt hieronder uiteengezet, waarbij eerst het feitelijk kader van het geschil zal worden geschetst.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [appellante] (geboren [in] 1972) was vanaf 1 mei 1996 in dienst van de gemeente. Zij werkte laatstelijk als medewerker Loket Parkeren bij de afdeling Verkeer & Vervoer.\n\n3.2. In december 2013 is (ook) de afdeling Verkeer & Vervoer verhuisd naar een nieuw pand aan het Harm Buiterplein in Groningen.\n\n3.3. \n\nIn een e-mail van 23 januari 2014 heeft [appellante] aan haar toenmalige\n\nleidinggevende laten weten dat het op haar werkplek aan het Harm Buiterplein erg koud is en dat de situatie (voor haar) niet veel\n\nlanger werkbaar is.\n\n3.4. \n\nIn een e-mail van 28 september 2016 aan haar huidige leidinggevende heeft [appellante] enkele bij haar levende frustraties geuit. Zij schrijft onder andere:\n\nIk heb vandaag vernomen dat ik a.s. vrijdag alleen aanwezig ben. (…) Ik verwacht van jou oplossing daar ik reeds diverse malen te kennen heb gegeven alleen aanwezig te zijn op dit moment en in deze situatie (overgang nieuw systeem waar wij tot op heden nog niet voor zijn ingewerkt) niet acceptabel te vinden.\n\nJij hebt mij in juli aan gegeven te bedenken hoe we hier verder mee omgaan, dus verwacht ik ook een oplossing en dat ik vrijdag dus niet weer alleen op de afdeling aanwezig ben.\n\nDaarnaast wil ik ook graag mijn frustratie naar jou toe uiten. De frustratie vloeit voort uit het gevoel niet serieus genomen te worden en telkens in herhaling te moeten vallen. De gehele situatie waarin wij al geruime tijd verkeren (te weinig bezetting, werkdruk, niet naar behorende werkende programma's, opmerking en sfeer binnen ons team), vergt zo langzamerhand niet alleen lichamelijk zijn tol maar ook geestelijk zijn tol en mijn marge is nagenoeg nihil.\n\n3.5. In de periode van 8 maart 2011 tot 18 april 2013 is [appellante] arbeidsongeschikt geweest. In de periode van 18 april 2013 tot en met 27 februari 2017 is [appellante] elf maal kortdurend uitgevallen, varierend in periodes van twee dagen tot veertien dagen. Op 27 februari 2017 is [appellante] opnieuw uitgevallen, met fysieke en mentale klachten. In de probleemanalyse van 21 maart 2017 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [appellante] aangepaste taken kon uitvoeren. De uren die [appellante] op het werk beschikbaar kon zijn waren volgens de bedrijfsarts om medische redenen beperkt, maar konden tijdscontingent worden opgebouwd. De bedrijfsarts heeft verder gemeld dat er werkgerelateerde factoren waren die de re-integratie belemmerden en heeft als factor het klimaat op de werkvloer genoemd. 3.6 Op 2 oktober 2017 is [appellante] in het kader van haar re-integratie begonnen met het hervatten van haar eigen werkzaamheden voor twee uren per dag. Op 27 oktober 2017 vermeldt de bedrijfsarts in een tussentijdse evaluatie dat de re-integratie moeizaam verloopt, onder andere vanwege door [appellante] ervaren communicatieproblemen, hoge werkdruk en gebrek aan regelmogelijkheden.\n\n3.7. In een advies van de bedrijfsarts van 7 juni 2018 wordt vermeld dat [appellante] haar werk weer voor 5 x 5 uur per dag heeft hervat, dat dit goed gaat, maar dat de onderliggende problematiek niet is opgelost. Op 30 juli 2018 is zij weer arbeidsgeschikt gemeld.\n\n3.8. Op 28 maart 2019 is zij opnieuw volledig uitgevallen met dezelfde klachten als begin 2017. In de periode tussen 20 juli 2018 en 28 maart 2019 had [appellante] al diverse keren preventief contact gehad met de bedrijfsarts. In die contacten was gesignaleerd dat de eerder al benoemde knelpunten nog steeds bestonden en dat hernieuwde uitval dreigde.\n\n3.9. De re-integratie is na die uitval niet meer van de grond gekomen. In een rapport van 8 april 2021 concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie.\n\n3.10. In een beslissing van 9 april 2021 is door het UWV aan [appellante] met ingang van 25 maart 2021 een WGA-uitkering toegekend in de klasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.\n\n3.11. Op 17 mei 2021 heeft de gemeente voor [appellante] een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, welke op 18 juni 2021 is verleend.\n\n3.12. Op 6 juli 2021 heeft de gemeente de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 november 2021 onder toekenning van een transitievergoeding van € 35.025,96.3.13. Op 27 december 2021 heeft [appellante] bij de kantonrechter een verzoek ingediend voor toekenning van een billijke vergoeding van € 216.883,77, op de grond dat de gemeente ernstig verwijtbaar had gehandeld als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 sub c BW, door haar uit de arbeidsovereenkomst jegens [appellante] voortvloeiende re-integratieverplichting grovelijk te veronachtzamen.\n\n3.14. In een beschikking van 25 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen. Volgens de kantonrechter zijn reële re-integratiekansen gemist omdat de gemeente meer had kunnen en moeten doen om [appellante] te laten re-integreren op een passende (werk)plek binnen haar organisatie. De kantonrechter heeft aan [appellante] en billijke vergoeding toegekend van € 44.343,-. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld.\n\n3.15. Het UWV heeft in een beschikking van 28 april 2022 aan [appellante] een IVA- uitkering toegekend per 16 december 2021.\n\n3.16. Op 1 maart 2022 heeft [appellante] aan de gemeente verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 7.3 van de cao. Dat verzoek heeft de gemeente afgewezen met een brief van 31 maart 2022. [appellante] heeft vervolgens op 7 december 2022 deze zaak aanhangig gemaakt.\n\n3.17. \n [appellante] heeft daarnaast de gemeente aansprakelijk gesteld op basis van artikel 7:658 BW. In dat kader zijn medische adviezen uitgebracht, namelijk twee medisch adviezen van verzekeringsarts [naam1] in opdracht van [appellante] en een medisch advies van verzekeringsarts De Vries in opdracht van (de verzekeraar van) de gemeente. [naam1] concludeert dat de arbeidsongeschiktheid van [appellante] in overwegende mate het gevolg is van het werk. De Vries concludeert dat onvoldoende informatie beschikbaar is met name op het terrein van mogelijke andere oorzaken om te kunnen concluderen dat de ziekte in overwegende mate het gevolg is van het werk. Met een brief van 24 maart 2023 heeft de verzekeraar van de gemeente aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen. Over dat geschil is (nog) geen procedure aanhangig gemaakt.4. 4. Het oordeel van het hof\n\n4.1. \n [appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 2 januari 2024 met acht grieven (bezwaren). In die grieven stelt zij in de kern de volgende thema’s aan de orde: a.) vloeit uit het oordeel van de kantonrechter dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen, op zichzelf al voort dat sprake was van buitensporige omstandigheden? b.) heeft [appellante] ook los van dat oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van buitensporige omstandigheden? c) is de arbeidsongeschiktheid ook het gevolg van die buitensporige omstandigheden, zodat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst?\n\n4.2. Hierna zal het hof op die kwesties ingaan, waarbij eerst een paar inleidende opmerkingen wordt gemaakt.\n\nInleidende opmerkingen\n\n4.3. \n\nArtikel 7.3 lid 1 van de cao, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\nArbeidsongeschiktheid in en door de dienst is arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:\n\na. de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden moesten worden verricht; of\n\nb. een dienstongeval (...);\n\n en die niet aan schuld of nalatigheid van de werknemer te wijten is.”\n\nLid 2 bepaalt dat bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst de werknemer een extra uitkering krijgt, als hij een WGA- of IVA-uitkering ontvangt. Het derde lid bepaalt de hoogte van die uitkering. Die bestaat uit de aanvulling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement, tot een bepaald percentage van het salaris.4.4. Dit artikel heeft eenzelfde strekking als het vroegere artikel 7.5 CAR\u002FUWO, dat erin voorzag dat “aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering [wordt] verleend”. De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra) heeft niet beoogd een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen. Aangenomen kan dan ook worden dat het begrip “arbeidsongeschiktheid in en door de dienst” eenzelfde inhoud heeft als tot uiting gebracht in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) onder de CAR\u002FUWO. Partijen zijn het daar ook over eens.\n\n4.5. De arbeidsongeschiktheid van [appellante] is van psychische aard; relevante beperkingen van fysieke aard zijn bij haar na het einde van het dienstverband niet vastgesteld. De overgelegde medische rapportages en adviezen geven geen aanknopingspunt om tot een andere conclusie te komen.\n\n4.6. \n\nOp grond van vaste jurisprudentie van de CRvB dienen voor de vraag of een betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst, de in het werk of de\n\nwerkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden\n\nhebben veroorzaakt, te worden geobjectiveerd. Dat betekent dat geen rekening moet worden\n\ngehouden met een meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer voor bepaalde werkomstandigheden. Naarmate de ziekte meer psychisch van aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van bijzondere factoren, die niet alleen deel\n\nuitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar\n\ndie in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief beschouwd - een\n\nbuitensporig karakter dragen.Omstandigheden die inherent zijn aan de functie behoren daar ook toe; ook dergelijke inherente omstandigheden kunnen naar objectieve maatstaven buitensporig zijn.Het hof ziet geen reden om van een andere beoordelingsmaatstaf uit te gaan.\n\n4.7. Volgens de gewone regels van het bewijsrecht rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake was van buitensporige omstandigheden op [appellante] . Zij zal dus voldoende aannemelijk moeten maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden.4.8. Als dat voldoende aannemelijk is gemaakt, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat tussen die arbeidsomstandigheden en haar psychische ziekte een (toereikend) causaal verband bestaat, tenzij de gemeente op basis van medische gegevens aannemelijk maakt dat een evident andere oorzaak voor de ziekte aanwezig is.\n\n4.9. Hieruit volgt dat in deze zaak eerst beoordeeld moet worden of [appellante] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werk heeft moeten verrichten onder buitensporige omstandigheden. Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, komt aan de orde of de arbeidsongeschiktheid bij [appellante] ook het gevolg is van buitensporige omstandigheden. Daarbij komt het er in het bijzonder dus op aan of een evident andere oorzaak daarvoor aannemelijk is.\n\n4.10. \n [appellante] heeft gesteld dat van buitensporige werkomstandigheden sprake is, alleen al omdat de kantonrechter in de onherroepelijk geworden beschikking van 25 februari 2022 heeft vastgesteld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door niet te voldaan aan haar re-integratieverplichting. Daarnaast heeft [appellante] aangevoerd dat zij i) in de kou heeft moeten werken, ii) anders werd behandeld dan andere collega’s (pesten\u002Fdiscriminatie door leidinggevenden), iii) is bedreigd en gediscrimineerd door klanten, iv) te maken had met een hoge werkdruk en op maan- en vrijdagen er vaak alleen voor stond, dat v) de werksfeer slecht was (pesten\u002Fdiscrimineren door collega’s) en vi) naar klachten over haar arbeidsomstandigheden niet werd geluisterd, daar althans niets aan werd gedaan. Die omstandigheden moeten niet alleen, maar ook in hun onderlinge samenhang worden bezien. Zij vormen samen met ook het tekortschieten van de gemeente in haar re-integratieverplichtingen, buitensporige omstandigheden, aldus [appellante] .\n\nTekortschieten in de re-integratieverplichting\n\n4.11. De kantonrechter heeft in het vonnis van 2 januari 2024 overwogen dat het feit dat eerder is geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zich onvoldoende in te spannen om voor [appellante] een passende werkplek te vinden, nog niet automatisch betekent dat dus sprake is van buitensporige omstandigheden, omdat juridisch sprake is van een ander toetsingskader.\n\n4.12. Volgens [appellante] betekent het feit dat is vastgesteld dat de gemeente de re-integratie structureel heeft veronachtzaamd en onvoldoende heeft gedaan om een passende werkplek te vinden, echter wel dat de omstandigheden waaronder [appellante] heeft gewerkt als niet normaal, ernstig en derhalve als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\n4.13. Het hof is het met de kantonrechter eens. De vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst moet worden beoordeeld naar de situatie zoals die zich voordeed op het moment dat de arbeidsverhouding is geëindigd. Anders dan de gemeente heeft gesuggereerd, kunnen op zichzelf de arbeidsomstandigheden zoals die zich voordeden tijdens een re-integratietraject wel meegenomen worden bij de beoordeling of sprake was van buitensporige omstandigheden. Die vraag dient echter wel te worden onderscheiden van de vraag of de gemeente zich ook voldoende heeft ingespannen voor die re-integratie. Zeer wel denkbaar is immers dat een werkgever zich niet voldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van een zieke werknemer, maar dat de arbeidsomstandigheden waaronder de betrokkene zijn re-integratie werkzaamheden verrichtte op zichzelf niet abnormaal waren. Vast staat dat [appellante] na haar uitval op 28 maart 2019 feitelijk geen re-integratiewerkzaamheden meer heeft verricht, zodat in ieder geval in die periode geen sprake kan zijn geweest van abnormale of buitensporige arbeidsomstandigheden. [appellante] heeft zich daar ook niet op beroepen. Het gaat er in deze procedure dus om of in de periode tot 28 maart 2019 sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden. In die periode valt ook de re-integratie zoals die plaats heeft gevonden in de periode vanaf 27 februari 2017. Het hof gaat hierna op die vraag nader in.\n\nWerken in kou en tocht\n\n4.14. De kantonrechter is in haar vonnis onder de overwegingen 5.9 en 5.10 ingegaan op de klacht van [appellante] dat zij haar werk moest verrichten in de kou, en is tot de slotsom gekomen dat er weliswaar sprake was van problemen met de klimaatbeheersing in het pand aan het Harm Buiterplein, maar dat uit de overgelegde verklaringen en rapporten niet blijkt dat objectief bezien sprake was van een buitensporige omstandigheid.\n\n4.15. \n [appellante] is het met dat oordeel niet eens. Volgens haar ging zij gebukt onder de kou en heeft de gemeente daar gedurende lange tijd niets aan gedaan. De werkplek voldeed niet aan de arbo-normen. Dat het te koud en tochtig was op de werkplek van [appellante] wordt weldegelijk bevestigd door de rapporten en blijkt ook uit de verschillende (aangevulde) verklaringen van getuigen, aldus [appellante] .\n\n4.16. \n\nHet hof deelt de conclusie van de kantonrechter. Ook in hoger beroep kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat de situatie klimatologisch buitensporig was. Op de zitting in hoger beroep is door [appellante] verklaard dat de temperatuur gemiddeld 16 á 17 graden was en dat zij ook last had van tocht vanwege openslaande toegangsdeuren. De gemeente heeft verklaard dat de problemen min of meer opgelost zijn in 2018 en dat het daarvoor op een koude winterdag weleens 16-17 graden kon zijn. Het hof acht aannemelijk dat de lage temperaturen zich alleen in de winter voordeden. De genoemde binnentemperatuur is weliswaar te laag voor een normaal werkklimaat, maar is nog niet als buitensporig laag te kwalificeren. Een directe collega van [appellante] sinds 2011, de heer [naam2] , beschrijft in een overgelegde schriftelijke verklaring het binnenklimaat ook als prima, waarbij hij opmerkt dat het in het begin wel frisjes was. De heer [naam3] , collega vanaf 2017, beschrijft het werkklimaat als “prima, geen klagen”. Daar tegenover staan verklaringen van personen die door [appellante] zijn overgelegd, maar zoals de kantonrechter al heeft overwogen, zijn die verklaringen niet afkomstig van directe collega’s. Die hebben dus niet in precies dezelfde omstandigheden gewerkt. Bovendien zijn die verklaringen ook weinig specifiek. Er bestaat daarmee onvoldoende aanleiding om aan die verklaringen doorslaggevende waarde te hechten. Dat het werkklimaat niet voldeed aan de arbo-normen is betwist en verder niet onderbouwd. Voor zover [appellante] zich beroept op wat de diverse bedrijfsartsen en\u002Fof arbeidsdeskundigen over de temperatuur en de tocht op de werkplek hebben vastgelegd, geldt dat uit die vastleggingen niet kan worden opgemaakt dat zij zich op een andere bron dan [appellante] hebben gebaseerd. Die vastleggingen zijn daardoor in onvoldoende mate objectief.\n\nOngelijke behandeling (discriminatie), slechte werksfeer en werkdruk\n\n4.17. \n\nDe kantonrechter is in haar vonnis onder de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.23 gemotiveerd ingegaan op de verschillende aspecten die [appellante] in dit verband heeft aangevoerd en is tot de conclusie gekomen dat een aantal van die omstandigheden niet is komen vast te staan – ongelijke behandeling\u002Fpesterijen door leidinggevenden – en dat voor de andere geldt dat die geen buitensporigheid opleveren – werkdruk, wrijving met collega’s, bedreiging en discriminatie door klanten.\n\nMet betrekking tot door [appellante] overgelegde documenten (overgelegde correspondentie, interne verslagen en rapporten van bedrijfsartsen) heeft de kantonrechter overwogen dat daaruit onvoldoende blijkt dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. Met betrekking tot overgelegde verklaringen van derden heeft zij overwogen dat die verklaringen niet afkomstig zijn van personen uit de naaste, recente werkkring van [appellante] , daarnaast ook onvoldoende specifiek zijn over beweerdelijk buitensporige omstandigheden, en voor een deel ook afkomstig zijn van personen die een conflict hebben (gehad) met de gemeente. Verder heeft de kantonrechter erop gewezen dat er door de gemeente verklaringen zijn overgelegd van personen die wel naaste collega’s waren van [appellante] , dat die het door [appellante] geschetste beeld niet bevestigen, behalve dat inderdaad sprake was van verstoorde verhoudingen binnen de afdeling. Daarover verklaren zij echter dat ook [appellante] daarin haar eigen (negatieve) rol had.\n\n4.18. \n [appellante] is het met die overwegingen en de getrokken conclusie niet eens. Volgens haar heeft zij met de door haar overgelegde documenten en overgelegde verklaringen wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde omstandigheden zich voordeden en sprake was buitensporigheid. In hoger beroep heeft zij als nadere onderbouwing nog enkele aanvullende bescheiden en verklaringen overgelegd.4.19. \n\nHet hof heeft alle overgelegde stukken en verklaringen gelezen voor zover daar een beroep op is gedaan, en komt na een eigen afweging tot dezelfde overwegingen en conclusie als de kantonrechter, en neemt die over. De in hoger beroep overgelegde nadere stukken en verklaringen werpen geen nieuw licht op de zaak. Ook daarvoor geldt dat [appellante] niet duidelijk maakt hoe daaruit blijkt van buitensporige arbeidsomstandigheden van [appellante] .\n\nHet hof overweegt in aanvulling op wat de kantonrechter heeft overwogen daarover nog het volgende.\n\nmet betrekking tot ongelijke behandeling4.20. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verklaard dat de spanning bij haar is ontstaan doordat ze in 2012 valselijk is beschuldigd en dat ze ten onrechte van leugens is beschuldigd over de hervatting van haar werkzaamheden na de zwangerschap. 4.21 Het door [appellante] als eerste genoemde incident gaat over een ongeoorloofde inzage door [appellante] in de GBA in oktober 2012. Het tweede incident ziet op het niet nakomen van afspraken die [appellante] beweerdelijk zou hebben gemaakt om vanaf 1 april 2012 weer te beginnen met re-integratie na haar uitval vanwege zwangerschap.\n\n4.22. Uit de gedingstukken blijkt met betrekking tot dat eerste incident dat de gemeente zich nog steeds op het standpunt stelt dat de inzage voor privé-doeleinden ongeoorloofd was, maar dat haar na het incident bleek dat het meer gebeurde en dat het personeel blijkbaar onvoldoende geïnformeerd was. Om die reden is haar in een brief van 8 oktober 2013 van de concerndirecteur meegedeeld dat de aantekening uit haar personeelsdossier is verwijderd. Daaruit blijkt niet van een ongelijke of oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.4.23. Met betrekking tot het tweede incident blijkt uit een door [appellante] op haar verzoek uitgebracht advies van de bedrijfsarts van 16 april 2012 dat zij tot werkhervatting per 1 april 2012 nog niet in staat was. [appellante] weerspreekt echter niet dat zij had afgesproken op 1 april 2012 haar werkzaamheden weer te gaan hervatten, maar dat niet had gedaan. Het advies van de bedrijfsarts dateert pas van 16 april 2012. Daarmee is verklaarbaar dat [appellante] is aangesproken op het ondanks een daartoe gemaakte afspraak niet hervatten van haar werkzaamheden per 1 april 2012. Dat dit aanspreken gebeurde in de vorm van beschuldigingen van liegen, is niet komen vast te staan. Uit een ander blijkt nog niet uit van een oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.\n\n4.24. Ook de andere omstandigheden die [appellante] noemt, kunnen niet overtuigen dat zij ongelijk werd behandeld. De gemeente heeft zelfs onweersproken verklaard dat het haar werd toegestaan om één dag thuis te werken, waar anderen dat destijds niet mochten.\n\nmet betrekking tot werkdruk\n\n4.25. \n\nVoldoende duidelijk is geworden dat [appellante] vaak op maandag en vrijdag werkte. Dat is echter begrijpelijk omdat zij fulltime werkte. Wel stond zij, als het gaat om loketdienst, er met name op vrijdagen meer dan eens alleen voor door personeelsgebrek. Dat die (loket)diensten haar zwaar vielen, is begrijpelijk. Dat dit onwenselijk was, werd door de gemeente ook onderkend. Met welke frequentie en gedurende welke periode [appellante] er alleen voor stond, is echter niet duidelijk geworden. Wel kan uit door [appellante] overgelegde correspondentie worden afgeleid dat het in ieder geval in 2016 nog voorkwam. Volgens een verklaring van [naam4] , leidinggevende van [appellante] sinds 2016, op de zitting in hoger beroep schakelde hij echter al spoedig uitzendkrachten in om dit te ondervangen. Dat het ook na 2017 nog regelmatig voorkwam, is verder niet gebleken. Andere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake was van een onaanvaardbaar hoge werkdruk, zijn niet gesteld of gebleken. Dat daarmee de werkzaamheden vanwege het aspect van werkdruk ook buitensporig waren, is het hof niet gebleken.\n\nmet betrekking tot bedreigingen\u002Fracistische uitlatingen door klanten\n\n4.26. \n\nDuidelijk is geworden dat zich aan het loket weleens bedreigingen voordeden en dat in de loop van de jaren enkele klanten zich ook racistisch hebben geuit. De bedreigingen waren mondeling en werden gedaan uit frustratie van boze klanten. [appellante] heeft verklaard ook eens een keer bespuugd te zijn onderweg naar haar auto op de parkeerplaats. Dat zijn situaties waartegen een werkgever zijn medewerkers dient te beschermen, maar die helaas niet altijd zijn te voorkomen. Onweersproken kent de gemeente wel een veiligheidsprotocol en hebben medewerkers ook een agressietraining gehad. Dat [appellante] zo’n training niet heeft gevolgd, kan de gemeente niet worden verweten omdat, zo heeft de gemeente onweersproken aangevoerd, [appellante] beide keren dat die training werd gegeven arbeidsongeschikt was. Dat sprake was van bedreigingen met een impact die maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden is in onvoldoende mate gebleken. Hetzelfde geldt voor het door de gemeente weersproken verwijt van [appellante] dat de gemeente haar na zulke incidenten onvoldoende nazorg heeft geboden en verdere maatregelen heeft nagelaten.\n\nmet betrekking tot de collegiale verhoudingen4.27. Duidelijk is geworden dat de collegiale verhoudingen niet goed waren. Uit verschillende verklaringen van directe collega’s van [appellante] komt naar voren dat zij daar ook zelf een aandeel in had. Van discriminatie is verder niet gebleken. [naam2] verklaart in dat verband nog uitdrukkelijk dat daar geen sprake van was. De afdeling had ook onweersproken een gemêleerd karakter. Verder zijn wrijvingen tussen collega’s niet ongebruikelijk en maken die nog niet dat sprake is van buitensporige werkomstandigheden.\n\nniet reageren op klachten door leidinggevenden4.28. Duidelijk is dat haar leidinggevenden in de beleving van [appellante] niet adequaat reageerden op klachten. Dat op zichzelf vormt echter nog niet een buitensporige omstandigheid, als de omstandigheden waaronder werd gewerkt op zichzelf nog niet buitensporig zijn te noemen.\n\nNiet nakomen van re-integratieverplichting door de gemeente\n\n4.29. Uit rapportages van bedrijfsartsen en arbeidsdeskundigen blijkt dat ook in de periode van februari 2017 tot 28 maart 2019 is geadviseerd om re-integratie van [appellante] te laten plaatsvinden op een andere werkplek en dat aan die adviezen geen opvolging is gegeven. Daarmee is echter nog niet gegeven dat ook de arbeidsomstandigheden van [appellante] buitensporig waren. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat buitensporige omstandigheden niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de verschillende rapportages niet blijkt dat werkzaamheden die [appellante] verrichtte tijdens perioden van re-integratie, objectief bezien onvoldoende rekening hielden met haar extra kwetsbaarheid in die perioden, en om die reden als buitensporig zouden moeten worden beschouwd. Wel heeft de gemeente onvoldoende gedaan om voor haar een andere werkplek te vinden. Dat is laakbaar en de gemeente is daarvoor ook veroordeeld om een billijke vergoeding aan [appellante] te betalen. Het maakt echter nog niet dat zij in objectief beschouwd buitensporige omstandigheden heeft moeten werken.\n\nDe omstandigheden in onderling verband bezien.\n\n4.30. \n\nHiervoor is overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van buitensporigheid op de diverse door [appellante] aangevoerde aspecten van haar arbeidsomstandigheden. Wel is gebleken dat op diverse onderdelen de arbeidsomstandigheden niet ideaal waren en dat de gemeente ook verwijt treft ten aanzien van de wijze waarop zij is omgegaan met de re-integratie van [appellante] . Vanuit de beleving van [appellante] en haar uit de medische stukken blijkende psychische kwetsbaarheid is alleszins voorstelbaar dat zij die arbeidsomstandigheden als buitensporig heeft ervaren. De verschillende tekortkomingen maken bezien in hun onderlinge verband echter niet dat de arbeidsomstandigheden in zijn geheel objectief bezien, dus los van een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer, als buitensporig moeten worden aangemerkt. Het algehele beeld dat uit het dossier oprijst, is dat van arbeid die niet onder optimale arbeidsomstandigheden werd verricht, maar die objectief nog niet als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\nBewijsaanbod\n\n4.31. \n [appellante] heeft aangeboden om diverse personen nog als getuige te horen over ‘onder welke omstandigheden [appellante] heeft moeten werken en waardoor zij is uitgevallen’. Allereerst geldt dat van bijna al deze personen al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd. In sommige gevallen zelfs twee verklaringen. Onvoldoende duidelijk is gemaakt wat zij nog meer of anders kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben. In dit stadium van de procedure had een dergelijke nadere precisering wel verlangd mogen worden. Daarbij geldt dat de vraag ‘waardoor zij is uitgevallen’ een medisch en\u002Fof arbeidsdeskundig oordeel behelst, ten aanzien waarvan zonder toelichting die ontbreekt niet valt in te zien dat de door [appellante] genoemde getuigen daarover iets dienends kunnen verklaren. Het hof gaat aan het bewijsaanbod daarom voorbij.\n\nTot slot\n\n4.32. \n\nOmdat wordt geoordeeld dat niet is gebleken van buitensporige arbeidsomstandigheden komt het hof niet toe aan de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [appellante] die in elk geval sterk psychisch van aard is in overwegende mate verband houdt met haar werk bij de gemeente. Die vraag ligt in deze procedure daarmee niet (meer) voor. In zijn algemeenheid merkt het hof op dat uit zowel het rapport van De Vries als het eerste rapport van [naam1] naar voren komt dat bij [appellante] sprake is van pre-existente psychische klachten die hun oorsprong lijken te vinden in haar jeugd. Of daarmee ook sprake is van een evident andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is echter een vraag waar het hof in deze procedure niet aan toekomt.\n\nDe conclusie\n\n4.33. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.34. De proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 2 januari 2024;\n\n5.2. \n\nveroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente:\n\n€ 798,- aan griffierecht\n\n€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 procespunten x appeltarief II)\n\n5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, W.F Boele en P. Kruit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n11 februari 2025.\n\n CRvB 1 februari 2018, ECLI:NL:CRvB:2018:376.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:842","ecli-nl-gharl-2025-842",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]