[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-118":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-118":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1289","ECLI:NL:GHARL:2026:118","",60,"Arnhem","arnhem","2026-01-06T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 24\u002F355\n\nuitspraakdatum: 6 januari 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2023, nummer ARN 22\u002F2591, ECLI:NL:RBGEL:2023:7128, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002F kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 259.898, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -\u002F- € 158.733 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.637. Bij afzonderlijke beschikking is aan belastingrente een bedrag van € 4.163 in rekening gebracht.\n\n1.2.. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 252.748, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.637, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.\n\n1.3.. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 252.748, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 111.306, en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft verder de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.970 en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. \n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. G.J.F. Vink als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. [naam1] , drs. [naam2] en mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaak is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met de zaak van de broer van belanghebbende [hierna: de broer van belanghebbende] , met nummer 24\u002F356.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Vanaf 27 april 2012 hielden belanghebbende, de broer van belanghebbende en hun kinderen tezamen via de [stichting1] (hierna [stichting1] ) 1\u002F3 van (de certificaten van) de aandelen in [bedrijf1] B.V. Belanghebbende hield minder dan 5% van de certificaten. De andere certificaathouders waren [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V., ieder voor 1\u002F3 deel. [bedrijf1] B.V. is aandeelhouder van onder andere [bedrijf4] B.V.\n\n2.2. In de eerste helft van 2015 heeft vooroverleg plaatsgevonden met de Belastingdienst over aan drie managers van [bedrijf4] B.V., te weten [manager1] , [manager2] en [manager3] (hierna: de managers) te verstrekken certificaten van aandelen in [bedrijf1] B.V. Op 2 juni 2015 is telefonisch overeenstemming bereikt over de waarde van de certificaten. Bij brief van 17 augustus 2015 heeft de Inspecteur bevestigd dat 2% van de certificaten een waarde van € 185.600 had. Daarbij is het voorbehoud gemaakt dat dit standpunt over de waarde van de certificaten vervalt bij een eventuele verkoop van [bedrijf1] B.V. of een dochtervennootschap in 2015 of 2016.\n\n2.3.. Op 4 september 2015 zijn de statuten van [bedrijf1] B.V. gewijzigd. Daarbij is voorzien in de omzetting van veertien gewone aandelen in cumulatief preferente aandelen A, B en C. Van elk van belanghebbende, de broer van belanghebbende en hun kinderen is één certificaat van een gewoon aandeel omgezet in een cumulatief preferent aandeel C. De certificaten van cumulatief preferente aandelen A zijn toegekend aan [bedrijf2] B.V. en de certificaten van de cumulatief preferente aandelen B aan [bedrijf3] B.V.\n\n2.4.. Eveneens op 4 september 2015 hebben belanghebbende, de broer van belanghebbende, [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V. certificaten van gewone aandelen in [bedrijf1] B.V. verkocht aan de managers. [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V. hebben ieder aan elk van de drie managers 120 certificaten van gewone aandelen verkocht. Belanghebbende en zijn broer hebben beiden aan elke manager 60 certificaten van gewone aandelen verkocht. De met de managers overeengekomen koopprijzen zijn gebaseerd op de in 2.2 vermelde waardering van de certificaten. De prijs van 60 certificaten bedroeg € 30.933.\n\n2.5.. Op 18 maart 2016 is een ‘overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V.’ opgemaakt tussen de certificaathouders van [bedrijf1] B.V., de [stichting1] , [certificaathouder1] (hierna: [certificaathouder1] ) en [certificaathouder2] (hierna: [certificaathouder2] ). In artikel 4.1 daarvan is bepaald dat de koopprijs voor de aandelen pro rata toekomt aan de certificaathouders. Daarbij is pro rata als volgt gedefinieerd: ‘naar verhouding van het (indirecte) belang van de Certificaathouders c.q. de betreffende Certificaathouder in de Vennootschap ten tijde van het sluiten van deze Overeenkomst (…), waarbij (een certificaat van) een cumulatief preferent aandeel een gelijk belang vertegenwoordigt als (een certificaat van) een gewoon aandeel’.\n\n2.6.. Volgens een koopovereenkomst van 23 maart 2016 (hierna: de koopovereenkomst) heeft de [stichting1] 100% van haar aandelen in [bedrijf1] B.V. aan [bedrijf5] B.V. verkocht voor € 27.100.000. Artikel 6.3 en artikel 6.4 van de koopovereenkomst bevatten vrijwaringbepalingen. In artikel 6.4 van de koopovereenkomst is het volgende opgenomen, waarbij de [stichting1] is aangeduid als de Verkoper, [bedrijf5] B.V. als de Koper en [bedrijf1] B.V. als de Vennootschap:\n\n“Ieder van [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] zal de Koper vrijwaren en schadeloosstellen tegen alle Schade, vorderingen, betalingen, geldboeten en kosten die verband houden met of voortvloeien uit alle Belastingen terzake de Groepsmaatschappijen met betrekking tot de periode tot de Closing Datum (inclusief) die door de Groepsmaatschappijen verschuldigd zijn of worden of waarvoor de groepsmaatschappijen aansprakelijk zijn of worden gesteld voor zover die Belastingen verband houden met het (doen) beëindigen van de aan de heren [manager1] , [manager2] en [naam4] verleende (personeels)opties en het door laatstgenoemden (direct of indirect) in de Vennootschap gehouden belang (daaronder begrepen de eventuele brutering in verband met de door de Groepsmaatschappijen verschuldigde loonbelasting verband houdende met het onder deze vrijwaring door [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] te betalen Schade. Ieder van [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] en de Verkoper bevestigen hierbij dat Artikel 8 op voornoemde vrijwaring niet van toepassing is (…). (i) [bedrijf2] B.V., (ii) [bedrijf3] B.V. en (iii) [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] gezamenlijk, zijn elk voor een gelijk deel (1\u002F3e) aansprakelijk jegens de Koper voor de verplichtingen die voortvloeien uit de voornoemde vrijwaring. (…).”\n\nIn artikel 8.13 van de koopovereenkomst is het volgende bepaald:\n\n“Iedere betaling aan de Koper wegens een Schending of vordering op grond van de vrijwaringen wordt aangemerkt als een terugbetaling op de Closing Koopprijs en de Closing Koopprijs zal worden geacht te zijn verlaagd met het bedrag van deze betaling.”\n\n2.7.. Op 15 mei 2017 hebben [bedrijf4] B.V. en de inspecteur voor de loonheffingen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer bepaald dat partijen het volgende overeenkomen:\n\n“5) [Hof: De Managers] staan in dienstbetrekking tot [ [bedrijf4] B.V.];\n\n6) er is besloten de Managers -middels certificaten van aandelen [bedrijf1] (…) te laten participeren in [bedrijf1] . De toenmalige fiscale adviseur heeft in zijn brief van 31 december 2014 de Belastingdienst verzocht te bevestigen dat de verstrekking van de certificaten aan de Managers niet zou leiden tot het in aanmerking nemen van loon bij de Managers;\n\n7) op 2 juni 2015 hebben Partijen telefonisch een akkoord bereikt over de waarde in het economisch verkeer van de certificaten (…); Bij brief van 17 augustus 2015 bevestigt de Belastingdienst deze waarde ad EUR 185.600 voor 2% van de certificaten, waarbij expliciet het voorbehoud is opgenomen dat de standpuntbepaling inzake de waarde in het economisch verkeer van de certificaten vervalt in geval van een eventuele verkoop van [bedrijf1] (of dochtermaatschappijen) in 2015 of 2016;\n\n8) op 4 september 2015 worden de 2% certificatenbelangen in [bedrijf1] tegen de afgestemde waarde van EUR 185.000 geleverd aan de drie Managers (in totaal betreft het een 6% belang in [bedrijf1] );\n\n(…)\n\n10) op 23 maart 2016 worden de aandelen in [bedrijf1] verkocht aan de nieuw opgerichte houdstervennootschap [bedrijf5] B.V. tegen een aandeelhouderswaarde van EUR 27,1 miljoen.\n\n(…)\n\n18) het genietingsmoment, in de zin van artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 (…) van de door de Managers verkregen certificaten is 4 september 2015. De waarde in het economisch verkeer van de op dat moment door de Manager verkregen certificaten wordt gesteld op EUR 556.000. Dit is gebaseerd op 2% van de aandeelhouderswaarde van 27,1 miljoen bij verkoop die de Partijen in het kader van het compromis ook tot uitgangspunt hebben genomen bij de waardering per 4 september 2015 plus de compensatie die de Managers hebben ontvangen voor het mislopen van het dividend ad EUR 14.000 per Manager.\n\n19) Gezien de per Manager voor de certificaten betaalde verkrijgingsprijs van EUR 185.600, bedraagt het op 4 september 2015 gezamenlijk door de Managers genoten en in aanmerking te nemen loon EUR 1.111.200, waarvoor een naheffingsaanslag loonheffingen wordt opgelegd.\n\n20) In 2016 heeft [ [bedrijf4] B.V.] het besluit genomen de ter zake van onderdeel 19) na te heffen loonbelasting niet op de Managers te verhalen. Het door dit besluit ontstane voordeel voor de Managers is een eveneens tot het loon te verrekenen voordeel, waarover loonheffing wordt nageheven.\n\n(…)\n\n25) de naheffingsaanslag loonheffingen ad EUR 1.203.800 en de betaalde belastingrente (…) zijn in aftrek te brengen bij de bepaling van de winst in de aangifte vennootschapsbelasting 2017 van [ [bedrijf4] B.V.];”\n\n2.8.. Aan [bedrijf4] B.V. is vervolgens een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 1.203.800 bruto. Daarbij is € 45.984 belastingrente in rekening gebracht. De belastingschade van [bedrijf4] B.V. is berekend op € 1.012.235. Daarvan hebben belanghebbende en de broer van belanghebbende ieder € 337.942 betaald. Dat bedrag hebben zij in hun op 8 oktober 2018 ingediende aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 als verlies uit aanmerkelijk belang verantwoord.\n\n2.9.. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de Inspecteur om de aangifte IB\u002FPVV 2017 te kunnen beoordelen, belanghebbende om informatie verzocht. Hij heeft dat verzoek voor het inkomen uit aanmerkelijk belang als volgt ingeleid:\n\n“In de aangifte van uw cliënt is een verlies uit aanmerkelijk belang opgenomen van € 337.942. Uit de aangifte maak ik op dat dit verlies voortvloeit uit een aanpassing van de overdrachtsprijs van de in 2016 vervreemde aandelen [bedrijf1] B.V. als gevolg van een naheffingsaanslag loonheffingen.”\n\n2.10.. \n\nBelanghebbende heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 10 december 2020. Belanghebbende heeft daarin onder meer geantwoord dat gezien de bijgevoegde betalingsbewijzen partijen naderhand zijn afgeweken van de overeengekomen verdeling en dat uit de in 2.7 vermelde vaststellingsovereenkomst valt af te leiden:\n\n“(…) dat in de loop van 2016 de Belastingdienst heeft aangekondigd voornemens te zijn tot het gaan opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting. Daar is daarna verder over gediscussieerd met de Belastingdienst; uiteindelijk is dit geschil in 2017 beslecht met het sluiten van de genoemde vaststellingsovereenkomst. Vanaf dat moment stond dan ook vast dat de (…) afgegeven vrijwaring zou worden ingeroepen waarmee de overdrachtsprijs van de aandelen werd verlaagd.”\n\nAls bijlagen bij deze brief heeft belanghebbende onder meer verstrekt de koopovereenkomst aandelen [bedrijf1] B.V. van 23 maart 2016, de “overeenkomst afw overdracht [bedrijf1] B.V. 18-3-2016”, “bescheiden naheffingsaanslag loonheffing” en “wijziging adm. voorw. [stichting1] ”.\n\n2.11.. \n\nBij brief van 25 januari 2021 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende het volgende geschreven:\n\n“Betreft: aankondiging afwijken van aangifte\n\n(…)\n\nIk heb de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (…) 2017 van [belanghebbende] beoordeeld. Hierbij heb ik rekening gehouden met de informatie die u mij schriftelijk heeft verstrekt in uw brief van 10 december 2020.\n\n(…)\n\nIk ben van plan af te wijken van de aangifte van [belanghebbende].\n\n(…)\n\nInkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)\n\n(…)\n\nHet aangegeven bedrag lijkt aanzienlijk hoger dan waartoe [belanghebbende] op basis van de tot mijn beschikking staande overeenkomsten gehouden is. Ik zal dit nu toelichten.\n\nVerleende vrijwaring loonheffingen\n\n(…)\n\nDe (…) in artikel 6.4 opgenomen bepaling vormt een extra zekerheid voor de koper van de aandelen in aanvulling op de in artikel 6.3 opgenomen vrijwaring verstrekt door de Stichting als verkoper van de aandelen. Daarbij wordt de aansprakelijkheid van respectievelijk [bedrijf2] B.V, [bedrijf3] B.V. en de heren [namen heren] gezamenlijk, beperkt tot 1\u002F3 deel van het te vergoeden bedrag.\n\nIn artikel 8.13 van de koopovereenkomst van aandelen is verder opgenomen dat iedere betaling aan de Koper wegens een schending of vordering op grond van de vrijwaringen wordt aangemerkt als een terugbetaling op de closing koopprijs en de closing koopprijs zal worden geacht te zijn verlaagd met het bedrag van deze betaling. De door de Stichting ontvangen koopprijs voor de aandelen [bedrijf1] B.V. wordt derhalve met het uit hoofde van de vrijwaring betaalde bedrag verlaagd.\n\nIn de overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V. d.d. 18 maart 2016 is in artikel 4.1 opgenomen dat de koopprijs pro rata toekomt aan de certificaathouders. Hoewel niet expliciet geregeld in genoemde overeenkomst, moet er vanuit worden gegaan dat een terugbetaling van een deel van de koopprijs uit hoofde van de verstrekte vrijwaringen eveneens pro rata moet worden toegerekend aan de certificaathouders.\n\nBedrag schadeloosstelling cf. gesloten overeenkomsten\n\nUit de door u aangeleverde stukken maak ik op dat in verband met de opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen in 2017 in eerste instantie een bedrag van € 900.000 door de voormalige aandeelhouders van [bedrijf1] B.V. is betaald aan [bedrijf4] B.V. wat later is verhoogd naar € 1.012.325. Deze aanpassing hield verband met een lagere effectieve VPB druk bij [bedrijf4] dan waar in eerste instantie vanuit werd gegaan. Zoals hiervoor uiteengezet, dient de verlaging van de koopprijs van € 1.012.325 op basis van de overeenkomsten pro rata worden toegerekend aan de belangen van de heer [belanghebbende] en zijn minderjarige kinderen. Deze toerekening ziet er dan als volgt uit:\n\nRel. aandeel: Toe te rekenen verlaging:\n\n [belanghebbende] 3,17% 32.091\n\n [kind1] 4,17% 42.214\n\n [kind2] 4,17% 42.214\n\n [kind3] 4,17% 42.214\n\nTotaal 15,68% 158.733\n\nBedrag schadeloosstelling volgens aangifte\n\nIn de aangifte heeft [belanghebbende] € 337.942 aangegeven als negatief vervreemdingsvoordeel. Dit bedrag is meer dan twee maal zo hoog als waartoe uw cliënt en zijn minderjarige kinderen gezamenlijk gehouden zijn op grond van de gesloten overeenkomsten. In uw brief van 10 december 2020 geeft u als verklaring dat de verdeling van de schadeloosstelling tussen partijen naderhand gewijzigd is. (…)\n\nIn 2016 aangegeven vervreemdingsvoordeel\n\n(…)\n\n[Belanghebbende] sluit ten aanzien van de verkrijgingsprijs aan bij de in mei 2017 tussen [bedrijf5] B.V. en de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst inzake de waardering van de certificaten die op 4 september 2015 door het management zijn verkregen. Daarbij is overeengekomen dat de waarde van deze certificaten op 4 september 2015 moet worden gelijkgesteld aan de op 23 maart 2016 ontvangen koopsom voor de aandelen.\n\nBij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 heeft [belanghebbende] naar mijn mening ten onrechte geen rekening gehouden met de verplichting uit hoofde van de verstrekte vrijwaring. Ik zal dit nu toelichten.\n\n(…)\n\nOp 4 september 2015, het moment van ontstaan van het aanmerkelijk belang, was reeds duidelijk dat de vennootschap geconfronteerd zou worden met een naheffingsaanslag loonheffingen als gevolg van de managementparticipatie en de vrijwel direct daaropvolgende verkoop van de aandelen [bedrijf1] B.V. De bewustheid van dit risico blijkt onder andere uit het in 2015 gevoerde vooroverleg, een bespreking op 15 februari 2016 met de Belastingdienst en het feit dat in de koopovereenkomst d.d. 23 maart 2016 expliciet een vrijwaring is opgenomen ten aanzien van de verwachte naheffingsaanslag loonheffingen.\n\nBij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 had [belanghebbende] derhalve het waarde drukkend effect van de verwachte naheffingsaanslag loonheffing in aanmerking moeten nemen. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, is er in 2016 een te laag vervreemdingsresultaat aangegeven.\n\nVoornemen afwijken van aangifte\n\nNu er bij de berekening van het aangegeven vervreemdingsvoordeel in 2016 ten onrechte geen rekening is gehouden met het waarde drukkende effect van de naheffingsaanslag loonheffingen, ben ik voornemens om in 2017 geen negatief vervreemdingsresultaat in aanmerking te nemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat over het jaar 2016 dient te worden nagevorderd en [belanghebbende] in dit verband geconfronteerd wordt met belastingrente.”\n\n2.12.. \n\nBelanghebbende heeft in reactie op de in 2.11 genoemde brief van de Inspecteur in een brief van 10 februari 2021 onder meer het volgende geschreven:\n\n“Er is inderdaad niet in de overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V. van 18 maart 2016 aangegeven hoe om te gaan met terugbetaling van een deel van de koopprijs. (…) Nu er sprake is van de vervreemding van een aanmerkelijk belang waarbij de overdrachtsprijs tussen onafhankelijke derden is overeengekomen, is het verschil tussen deze overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs het voordeel uit aanmerkelijk belang. De latere betaling van de naheffingsaanslag loonheffingen vermindert dit voordeel; daarmee is het verlies uit aanmerkelijk belang een gegeven. Dat deze vermindering in uw optiek vervolgens op niet zakelijke gronden niet wordt verdeeld over alle certificaathouders en de kinderen van [belanghebbende] in het bijzonder, staat geheel los van het bovenstaande.\n\n(…)\n\nVoor wat betreft uw standpunt dat bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 voor [belanghebbende] rekening had moeten worden gehouden met het waarde drukkende effect van een mogelijke naheffingsaanslag loonheffingen en dat daardoor een te laag vervreemdingsresultaat in 2016 is aangegeven, geldt dat ik dit standpunt niet kan volgen.”\n\n2.13.. \n\nBij brief van 5 maart 2021 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende nader geïnformeerd over zijn voornemen om van de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 af te wijken. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)\n\n(…)\n\nOmvang negatief vervreemdingsvoordeel\n\nUw standpunt is niet in overeenstemming met hetgeen is opgenomen in de overeenkomsten. Daarnaast acht ik het niet aannemelijk dat uw cliënt uit zakelijke overwegingen bereid zou zijn om gezien de opbrengst van zijn relatief kleine belang (3,17%) ad. € 859.070, een schadeloosstelling van € 337.942 voor zijn rekening te nemen (33,38% van de totale aan de koper betaalde schadeloosstelling ad. € 1.012.325). Dit zou niet alleen leiden tot een bevoordeling van de kinderen van uw cliënt, maar ook van de andere verkopende partijen, te weten [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V.\n\nOp grond van voorgaande uiteenzetting neem ik het standpunt in dat aan uw cliënt en zijn minderjarige kinderen een verlaging van de koopprijs kan worden toegerekend zoals deze blijkt uit de gesloten schriftelijke overeenkomsten.\n\n(…)\n\nIn mijn brief van 25 januari 2021 heb ik aangegeven voornemens te zijn om in 2017 geen negatief vervreemdingsresultaat in aanmerking te nemen. Dit omdat bij de berekening van het aangegeven vervreemdingsvoordeel in 2016 ten onrechte geen rekening is gehouden met het waarde drukkende effect van de naheffingsaanslag loonheffingen. Uit uw brief van 10 februari 2021 maak ik op dat u een dergelijke oplossing niet acceptabel acht.\n\nIk heb daarom het negatieve vervreemdingsvoordeel van [belanghebbende] gesteld op € 158.733.”\n\n2.14.. De Inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV 2017 vervolgens opgelegd met dagtekening 30 maart 2021, rekening houdend met een verlies uit aanmerkelijk belang van € 158.733.\n\n2.15.. Belanghebbende en de broer van belanghebbende enerzijds (partij A) en de Belastingdienst anderzijds (partij B) hebben op 21 mei 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“2. Omschrijving van het geschil\u002Fde onzekerheid\n\nDe kwestie waarover partijen van mening verschillen of in onzekerheid verkeren, luidt als volgt:\n\nBij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting 2017 is er een verschil van mening ontstaan over de fiscale duiding van de betaling voor de schadeloosstelling door partij A aan de koper van de aandelen [bedrijf1] BV. Partij A is van mening dat de gehele betaling kwalificeert als een aanpassing van de overdrachtsprijs van het aanmerkelijk belang van [belanghebbende en de broer van belanghebbende]. Naar de mening van partij A leidt dit tot een verlies uit aanmerkelijk belang in 2017. Partij B heeft alleen een evenredig deel van de betaling (naar rato van het aandelenbelang) in aanmerking genomen bij het opleggen van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017.\n\nDaarnaast heeft dit geschilpunt geleid tot het standpunt van partij B dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang lager is dan partij A in aanmerking heeft genomen bij het bepalen van het vervreemdingsresultaat in 2016. Dit leidt tot een positief vervreemdingsresultaat uit aanmerkelijk belang in 2016. Dit zou naar de mening van partij B op basis van interne compensatie in 2016 in de heffing kunnen worden betrokken.\n\nVoor de afwikkeling van de bezwaarprocedure tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2016 van [belanghebbende en de broer van belanghebbende] hebben partijen afgesproken om het geschil over de hoogte van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang bij de vaststelling van het resultaat uit aanmerkelijk belang in 2017 in aanmerking te nemen, zodat zowel de hoogte van de verkrijgingsprijs als de aanpassing van de overdrachtsprijs in 2017 in de heffing wordt betrokken. Uitgaande van deze afspraak is partij B van mening dat het resultaat uit aanmerkelijk belang over 2017 daardoor op nihil zou moeten worden vastgesteld.\n\n(…)\n\n4. Feiten\n\n(…)\n\nPartijen zijn op 6 mei 2021 het volgende overeengekomen:\n\n- De definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2016 worden ambtshalve verminderd (…).\n\n- De beoordeling van beide geschilpunten zoals omschreven in paragraaf 2 vindt plaats bij de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en wordt, met instemming van partij A, al dan niet met toepassing van artikel 64 AWR, dientengevolge ook in dat jaar in de heffing betrokken.\n\n- Partij A ziet expliciet af van het standpunt dat de aanpassing van de verkrijgingsprijs in 2016 tot een resultaat uit aanmerkelijk belang moet leiden;\n\n- Indien de aanpassing van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang tot een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2017 bij beide belanghebbenden leidt, ziet partij A af van een beroep op het ontbreken van een nieuw feit.”\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is de hoogte van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.\n\n3.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende eerst op 4 september 2015 een aanmerkelijk belang in [bedrijf1] B.V. kreeg door de omzetting van een certificaat van een gewoon aandeel in een certificaat van een cumulatief preferent aandeel en dat die omzetting verband hield met de uitgifte en verkoop van certificaten aan de managers. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het bedrag van € 337.942 dat in 2017 als schadeloosstelling door hem aan [bedrijf5] B.V. is betaald, op grond van artikel 4.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) in mindering kan worden gebracht op de overdrachtsprijs, dan wel op grond van artikel 4.20 van de Wet IB 2001 in aanmerking moeten worden genomen als kosten die direct verband houden met de vervreemding van de (certificaten van) aandelen [bedrijf1] B.V. in 2016. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 21 mei 2021 doet daaraan volgens hem niet af, omdat daarin alleen is afgesproken dat het geschil over de verkrijgingsprijs zou worden overgebracht naar 2017.\n\n4.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Inspecteur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat contractueel is uitgesloten dat de schadeloosstelling de koopprijs verlaagt. Dat volgt uit artikel 6.4 van de koopovereenkomst, waarin is bepaald dat artikel 8 van die overeenkomst niet op de vrijwaring van toepassing is (zie 2.6). Dit betekent dat de omstandigheid dat belanghebbende een deel van de belastingschade voor zijn rekening heeft genomen, niet kan leiden tot verlaging van de overdrachtsprijs van zijn aanmerkelijk belang. Ook is geen sprake van kosten als bedoeld in artikel 4.20 van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft de bewijslast dat en in hoeverre sprake is van kosten die binnen de grenzen der redelijkheid zijn gemaakt in onmiddellijk verband met de vervreemding van de certificaten en heeft daarvoor onvoldoende aangedragen. In het midden kan blijven om welke reden belanghebbende een groter deel van de schadeloosstelling heeft betaald dan uit de koopovereenkomst volgt.\n\n4.3.. Belanghebbende doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende wijst erop dat de Inspecteur na correspondentie daarover en toezending van informatie door belanghebbende bij de aanslagregeling het standpunt heeft ingenomen dat ter zake van de door belanghebbende betaalde schadeloosstelling sprake is van aanpassing van de overdrachtsprijs.\n\n4.4.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt, omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden bekend waren. Uit bijlage 1 bij het hogerberoepschrift volgt volgens de Inspecteur dat belanghebbende tijdens de aanslagregeling nog geen specifieke informatie had verstrekt over de verkooptransactie van de aandelen door belanghebbende aan de managers op 4 september 2015. Tijdens de aanslagregeling was volgens de Inspecteur namelijk nog niet bekend dat belanghebbende deze aandelen rechtstreeks aan de managers had verkocht. Bovendien was volgens de Inspecteur toen ook nog niet gesteld dat of gemotiveerd waarom belanghebbende de belastingschade tot deze omvang heeft vergoed.\n\n4.5.. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de Inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.De Inspecteur is aan de bewuste standpuntbepaling gebonden, tenzij de door belanghebbende voor de toezegging verschafte relevante gegevens onjuist of onvolledig zijn en de gedane toezegging niet zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming daarvan niet kan rekenen.4.6.. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt deels. De bewijslast dat aan de voorwaarden voor toepassing van het vertrouwensbeginsel is voldaan, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan voor het bedrag dat de Inspecteur bij de aanslagregeling als verlies uit aanmerkelijk belang heeft aanvaard. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag van het aangegeven bedrag aan verlies uit aanmerkelijk belang een bedrag van € 158.733 aanvaard. Dit heeft hij gedaan na uitvoerige correspondentie met de gemachtigde van belanghebbende, als weergegeven onder 2.9 tot en met 2.13. Uit zijn brief van 5 maart 2021 blijkt dat ter zake van dit bedrag sprake is van een bewuste standpuntbepaling. Niet gebleken is dat belanghebbende de Inspecteur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of relevante informatie heeft onthouden. Dat, zoals de Inspecteur stelt, belanghebbende hem eerst in de bezwaarfase informatie over de verkoop door belanghebbende van zijn aandelen aan de managers op 4 september 2015 heeft verstrekt, vindt geen steun in de stukken. De koopovereenkomst is als bijlage gevoegd bij de brief van belanghebbende van 10 december 2020. De Inspecteur was dus, zoals ook blijkt uit zijn brief van 25 januari 2021, reeds voor het opleggen van de aanslag met de inhoud daarvan bekend. Dat het de Inspecteur mogelijk niet of niet helemaal duidelijk is geworden waarom belanghebbende meer dan een evenredig gedeelte van de naheffingsaanslag loonheffingen die in verband daarmee aan [bedrijf4] B.V. is opgelegd, als schadeloosstelling heeft betaald, is niet van belang nu de Inspecteur het meerdere niet in aftrek heeft toegestaan. Ook is de toezegging niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming mocht rekenen. Uit het voorgaande volgt dat het de Inspecteur niet meer vrij stond om bij de uitspraak op bezwaar op de toezegging terug te komen.\n\n4.7.. Voor het restant - het verlies boven het bij de aanslag geaccepteerde bedrag - is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De stukken bevatten geen aanknopingspunten om aan te nemen dat ook in zoverre het vertrouwensbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft daartoe ook niets anders aangevoerd dan dat de bewuste standpuntbepaling een kwalificatie bevat en dat die zich daarom uitstrekt tot het gehele aangegeven verlies uit aanmerkelijk belang, ook het deel dat bij de aanslagregeling niet in aftrek is aanvaard. Aldus heeft hij onvoldoende aangevoerd om zijn beroep op een toezegging of bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur voor het meerdere te onderbouwen.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nNu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nDe Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase. Tegen deze beslissing en de hoogte van de door de Rechtbank uitgesproken vergoeding zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof die beslissing in stand laat.\n\nHet Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Daarbij houdt het Hof er rekening mee dat de werkzaamheden in deze zaak en de zaak met kenmerk 24\u002F356 nagenoeg identiek zijn geweest.\n\nHet Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934). Omdat de werkzaamheden van de gemachtigde in de zaak 24\u002F356 nagenoeg identiek waren, wordt dit bedrag over beide zaken verdeeld. De proceskostenvergoeding in deze zaak bedraagt derhalve totaal € 934.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing omtrent het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang;\n\nbevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;\n\nstelt het verlies uit aanmerkelijk belang vast op € 158.733;\n\nvermindert de belastingrente dienovereenkomstig;\n\nveroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934;\n\ngelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.\n\nDe beslissing is op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(J.H. Riethorst) (E.C.G. Okhuizen)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de dagtekening;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\nd. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069\n\n Zie HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:118","ecli-nl-gharl-2026-118",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]