[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-2351":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-2351":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1245","ECLI:NL:GHARL:2026:2351","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.945\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 18250503\n\narrest in kort geding van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Universitair Medisch Centrum Groningen\n\ngevestigd in Groningen\n\nverder: UMCG\n\n2. Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V.\n\ngevestigd in Scheemda\n\nverder: OZG\n\ndie hoger beroep hebben ingesteld\n\nbij de rechtbank: gedaagden\n\nhierna tezamen: UMCG c.s.\n\nadvocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam\n\nen\n\nStichting Treant Ziekenhuiszorg\n\ngevestigd in Hoogeveen\n\ngevoegde partij aan de zijde van UMCG c.s.\n\nbij de rechtbank: gedaagde\n\nhierna: Treant\n\nadvocaat mr. L.C. Bredeveld te Amsterdam\n\ntegen\n\nChipSoft B.V.\n\ngevestigd in Amsterdam\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld\n\nbij de rechtbank: eiseres\n\nhierna: Chipsoft\n\nadvocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nUMCG c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) op 6 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit\n\nde dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2026;\n\nde memorie van grieven van 17 februari 2026;\n\nde incidentele conclusie tot voeging van Treant van 24 februari 2026;\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 3 maart 2026;\n\nhet arrest in het schorsingsincident van 3 maart 2026. Het hof verwijst naar dat arrest voor het procesverloop in dat incident;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 10 maart 2026;\n\neen akte overlegging producties van UMCG c.s. van 10 maart 2026;\n\neen akte tot wijziging van eis van Chipsoft van 10 maart 2026;\n\nde brief van 11 maart 2026 waarbij UMCG c.s. zich verzetten tegen die wijziging van eis;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 maart 2026 is gehouden.\n\nPartijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\nUMCG heeft in 2015 haar elektronisch patiëntendossier (EPD) aanbesteed en gegund aan EPIC. OZG en Treant willen aansluiten bij dit systeem. Volgens Chipsoft kan dit niet zonder nieuwe aanbesteding door UMCG van het hele dan ontstane regionale EPD. De voorzieningenrechter heeft Chipsoft gevolgd en UMCG op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag verboden om op de ingeslagen weg voort te gaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de aanbesteding uit 2015 ook de optie van een regionaal EPD omvatte en komt tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter, ook op het punt of OZG als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Daarmee kan het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand blijven.\n\nHet hof zal deze beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. UMCG is één van de acht universitair medische centra in Nederland. Als academisch ziekenhuis houdt UMCG zich onder meer bezig met patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.\n\n3.2. UMCG heeft op 4 oktober 2015 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor een eigen elektronisch patiëntendossier (EPD) met de naam ‘Nieuw EPD UMCG’. Een EPD is een digitaal systeem waarin zorgverleners medische gegevens van patiënten bewaren, zoals diagnoses, behandelingen en medicatie. Deze aanbesteding omvatte het selecteren en contracteren van een EPD-leverancier voor het UMCG als enige opdrachtgever.\n\n3.3. \n\nDeze aanbesteding bevatte enkele wensen die zagen op samenwerking met andere instellingen.\n\nWens 77 luidde:\n\n\"Het UMCG streeft naar intensievere regionale samenwerking. Dit zal tot gevolg hebben dat activiteiten binnen een behandelingstraject over verschillende instellingen uitgevoerd worden; het UMCG voert slechts een gedeelte van de behandeling uit. Het EPD zal mogelijk in een later stadium in een ander regionaal ziekenhuis uitgerold worden. Hoe kan het EPD met betrekking tot zorg die over meerdere zorginstellingen verdeeld is, omgaan met medische facturatie? Ga bij de beantwoording in op: (. . .)\n\nc. op welke wijze kunnen meerdere zelfstandige entiteiten gebruik maken van het EPD, waarbij de medische informatie van beide entiteiten binnen de vigerende regelgeving zichtbaar is [in, hof] de andere entiteiten, maar sprake is van een zelfstandig Registreren-Samenvatten-Afleiden Declareren proces. (. . .)\n\ng. bovenstaande vragen bezien vanuit de situatie dat de andere entiteit geen gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG én de situatie dat de andere entiteit wel gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG:\n\nh. indien gebruik gemaakt wordt van eenzelfde EPD over meerdere entiteiten; de mogelijkheden bij één installatie voor meerdere instellingen dan wel één installatie per instelling (. . .)\"\n\nen wens 87:\n\n\"Welke architectuur adviseert Inschrijver rekening houdend met een eventueel\n\ndoorgroeiscenario dat aansluit bij de wens om de regionale samenwerking te intensiveren?\n\nGa bij de beantwoording in op:\n\na. na implementatie in UMCG uitrol in de andere instelling.\n\nb. het naderhand samenvoegen van 2 installaties dan wel ontvlechten van 1 installatie\n\nc. tools ter ondersteuning van voorgaande twee punten\n\nd. overig.\"3.4. Chipsoft heeft ingeschreven op die aanbesteding uit 2015. De opdracht is uiteindelijk gegund aan EPIC Den Bosch B.V. (verder: Epic) De initiële looptijd van deze overeenkomst en bijhorende Service Level Agreement (SLA) betrof 15 jaar. Deze verloopt medio 2029, tenzij deze wordt verlengd.\n\n3.5. OZG is het streekziekenhuis van Noord- en Oost-Groningen, als opvolgster van de ziekenhuizen in Delfzijl en Winschoten. OZG is sinds december 2015 een 100%-dochter van UMCG, maar fungeert als volledig zelfstandig ziekenhuis.\n\n3.6. Treant exploiteert een algemeen ziekenhuis met een drietal locaties in Oost- Groningen en Zuidoost Drenthe, namelijk Rafajah Stadskanaal, Bethesda Hoogeveen en Scheper Emmen.\n\n3.7. OZG en Treant hebben een EPD-systeem dat is geleverd en wordt onderhouden door Nexus. Nexus heeft aangekondigd in 2027 met deze dienstverlenging te stoppen. Na het uittreden van Nexus en een andere leverancier zijn er voor IT-diensten betreffende het EPD nog twee spelers op de Nederlandse markt: Chipsoft met een marktaandeel van ruim meer dan 50 % van de ziekenhuizen en Epic (met een Amerikaans moederbedrijf) dat een aantal grotere ziekenhuizen onder contract heeft.\n\n3.8. Sinds augustus 2024 is Chipsoft in gesprek geweest met Treant voor een nieuw ziekenhuis-informatiesysteem en een EPD. Chipsoft heeft op 5 december 2024 een offerte aan Treant uitgebracht. Begin 2025 gaf Treant aan ook met onder andere UMCG in gesprek te zijn en een regio-EPD te onderzoeken. Ook aan Chipsoft is de vraag voorgelegd naar een regionaal EPD met het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen en\u002Fof het Martiniziekenhuis in Groningen die beide een door Chipsoft geleverd EPD hebben. In de loop van 2025 heeft Treant tweemaal verzocht aan Chipsoft om het aanbod in de vorm van een direct ondertekenbare overeenkomst te gieten en de gestanddoeningstermijn van het aanbod te verlengen. De tweede keer is dat verlengd tot 1 december 2025.\n\n3.9. \n\nOp 5 oktober 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 1) als bedoeld in artikel 4.16 van de Aanbestedingswet (Aw) gedaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n “Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf. UMCG levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Deze vrijwillige aankondiging overeenkomstig artikel 4.16 van de Aanbestedingswet betreft het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de overeenkomst met Epic Den Bosch B.V. (Epic) voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Dit voornemen ziet op de opdracht die door UMCG is gegund naar aanleiding van de Europese aanbesteding die bekend is gemaakt onder [nummer] . Het aansluiten van de andere ziekenhuizen op deze aanbestede opdracht is mogelijk op basis van de oorspronkelijke uitvraag. In die uitvraag is voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking, waarvoor het EPD van de inschrijver bij voorkeur geschikt zou moeten zijn. Die samenwerking wenst UMCG nu te bewerkstelligen.\n\nDeze wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van Epic. De ziekenhuizen die voornemens zijn aan te sluiten, zijn niet aanbestedingsplichtig. (…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 1 Euro.\n\n(…)\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels.\n\nAndere rechtvaardiging: De opdracht is eerder aanbesteed. In die aanbesteding is reeds voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding in verband met een (regionale) samenwerking.\n\nDe toepassing van deze optie komt overigens ten goede aan partijen die niet\n\naanbestedingsplichtig zijn. Het volume van UMCG wijzigt niet.”\n\n3.10. Op 14 november 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 2) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gepubliceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n“De opdracht betreft de aansturing en realisatie van het programma “Implementatie SCN”. Het betreft de planvorming, de regievoering op de uit te voeren werkzaamheden, de rapportage over voortgang, risicomanagement en budgetuitnutting, het management van de informatiestromen. E.e.a. is samen te brengen in de rollen programmadirectie, centraal programmamanagement “verandermanagement” en Programma Management Office. Gezien de complexiteit van het programma “Implementatie SCN” is adequate sturing en monitoring op de programmamanagementprocessen (financieel management, risicomanagement, informatievoorziening en rapportage) een noodzakelijke voorwaarde. Betreft het realiseren van een Epic Connect omgeving in de periode december 2025 tot en met juli 2027.\n\n(…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 3.160.500 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging:\n\nDe ervaringen van Pragus zijn noodzakelijk voor een succesvolle realisatie van de EPIC-connect. Op dit moment zijn er geen partijen in Nederland actief met de benodigde ervaring. AW2012 art. 2.32 lid 1b2 stelt dat als de mededinging om technische gronden ontbreekt, wat in deze situatie het geval is, het gegrond is om een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging te starten.”\n\n3.11. Epic Connect wordt door Epic als volgt omschreven:\n\n“Epic Connect is een programma waarmee grote zorgorganisaties die al met het Elektronische Patiëntendossier (EPD) van Epic werken, hun EPD-infrastructuur kunnen uitbreiden naar kleinere, onafhankelijke ziekenhuizen, klinieken en huisartsenpraktijken. Het is een strategische samenwerkingsvorm waarbij de kleinere zorgverlener (de 'partner') gebruikmaakt van het systeem van een grotere instelling (de 'host').”\n\n3.12. Chipsoft heeft bij brief (per mail verzonden op 26 november 2025) UMCG vragen gesteld over het gezamenlijke EPD, ook bekend as Share Care Noord. UMCG heeft daar op 1 december 2025 op gereageerd in die zin dat de voorgenomen samenwerking al was geadresseerd in de aanbesteding uit 2015, dat de termijn om te protesteren inmiddels is verlopen en dat UMCG ervan uitgaat dat Chipsoft geen gerechtelijke stappen zal ondernemen.\n\n3.13. Bij dagvaarding van 3 december 2025 heeft Chipsoft het kort geding aanhangig gemaakt waarvan dit hoger beroep.\n\n3.14. Op 12 december 2025 heeft zij UMCG c.s., Treant en de bestuurder van Treant gedagvaard in een bodemprocedure.\n\n4. De beslissing van de voorzieningenrechter\n\n4.1. \n\nChipsoft heeft bij de voorzieningenrechter, kort gezegd, gevorderd dat het UMCG c.s. wordt verboden om uitvoering te geven aan wat is omschreven in de Vooraankondigingen 1 en 2 op straffe van verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat, als UMCG en OZG hiermee verder willen, zij hiervoor een Europese Aanbestedingsprocedure moeten uitschrijven.\n\nDaarnaast heeft Chipsoft een aantal vorderingen tot het in het geding brengen van contractsstukken en andere documenten ingesteld (zogenaamde inzagevorderingen).\n\n4.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen tegen Treant en haar bestuurder afgewezen omdat Treant geen aanbestedende dienst is. Ook de inzagevorderingen zijn afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt, waarbij ook een rol speelt dat dezelfde vorderingen ook in de bodemprocedure zijn ingesteld.\n\n4.3. \n\nDe voorzieningenrechter heeft OZG wel als aanbestedende dienst aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft de in de Vooraankondigingen 1 en 2 omschreven opdrachten aangemerkt als een wezenlijke wijziging ten opzichte van de in 2015 gegunde opdracht aan EPIC en geoordeeld dat UMCG deze opdrachten niet zonder nieuwe aanbesteding mocht verstrekken. De beide aankondigingen voldoen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de eisen van artikel 4:16 Aw, zodat het beroep van UMCG dat Chipsoft te laat tegen Vooraankondiging 1 is opgekomen, niet opgaat.\n\nDe voorzieningenrechter heeft UMCG en OZG verboden om uitvoering te geven aan beide vooraankondigingen, hen geboden om die vooraankondigingen in te trekken, hen geboden om, als zij de opdrachten omschreven in de vooraankondigingen alsnog willen verstrekken, zij deze Europees moeten aanbesteden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag met een maximum van € 2.000.000,-.\n\n5. De beoordeling in hoger beroep\n\nDe vorderingen in hoger beroep\n\n5.1. UMCG c.s. vorderen dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, onder veroordeling van Chipsoft in de kosten van de procedure in beide instanties. Zij hebben daartoe 11 bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd.\n\n5.2. Treantvordert als gevoegde partij eveneens dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, ‘kosten rechtens’.\n\n5.3. Chipsoftheeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd bij de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel appel. Daarna heeft zij haar vordering andermaal gewijzigd. Op de mondelinge behandeling heeft het hof die laatste wijziging, als in strijd met de twee-conclusieregel, niet toegestaan. De eerste wijziging van eis, die op het juiste tijdstip is gedaan, is als zodanig wel toelaatbaar. UMCG c.s. hebben zich daartegen ook niet verzet.\n\n5.4. \n\nDie vordering komt, verkort weergegeven, neer op het volgende:\n\nonvoorwaardelijk\n\nDat het hof, onder instandlating van het dictum in het vonnis, oordeelt dat OZG kwalificeert als aanbestedende dienst, UMCG en OZG in strijd hebben gehandeld met artikel 4.17 van de Aw en het handelen van UMCG en OZG kwalificeert als onrechtmatige daad.\n\nIn geval een of meer grieven van UMCG c.s. zouden slagen\n\nUMCG c.s. op grond van artikel 22 Rv beveelt een aantal nader omschreven documenten in het geding te brengen, dan wel UMCG c.s. veroordeelt om op grond van artikel 194\u002F195 Rv kopieën van die documenten te verstrekken en een zitting te bepalen waarop de advocaten van partijen kunnen toelichten waarom bepaalde informatie al dan niet mag worden ingezien en dat het hof bepaalt welke passages dan zwart gelakt kunnen worden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag met een maximum van 2.500.000,-.\n\nAlles onder veroordeling van UMCG c.s. in de proceskosten van beide instanties.\n\nChipsoft heeft daartoe vijf grieven in incidenteel appel tegen het vonnis van de voorzieningenrechter voorgedragen.\n\nTreant wordt toegelaten als gevoegde partij5.5. Het hof stelt vast dat de afwijzing van de vorderingen van Chipsoft tegen Treant en\u002Fof haar bestuurder in deze procedure niet voorliggen. Chipsoft heeft tegen die beslissing afzonderlijk hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroepwaren ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog geen memories genomen.\n\n5.6. Chipsoft heeft zich tegen de voeging van Treant aan de zijde van UMCG c.s. niet verzet. Het hof zal de vordering van Treant om zich te mogen voegen aan de zijde van UMCG c.s., als op de wet gegrond, toewijzen.\n\nThematische bespreking van de grieven5.7. Het hof zal hierna de grieven en vorderingen van partijen onderwerpsgewijs bespreken.\n\nHet spoedeisend belang5.8. In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. Het hof is van oordeel dat Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen die betrekking hebben op het geen uitvoering mogen geven aan de opdrachten genoemd in de beide Vooraankondigingen.\n\n5.9. Voor de subsidiaire vorderingen tot het verstrekken van informatie ligt dat anders. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Tegen dat oordeel heeft Chipsoft geen voldoende kenbare grief voorgedragen en ook niet voldoende toegelicht wat haar spoedeisend belang bij die vorderingen, die ook in de bodemprocedure zijn ingesteld, is. De beoordeling welke stukken UMCG c.s. in het geding moeten brengen in die bodemprocedure en in hoeverre het beroep van UMCG c.s. op geheimhouding\u002F vertrouwelijkheid opgaat, kan, in geval het hof tot een ander oordeel komt dan de voorzieningenrechter, ook beter in die procedure plaatsvinden. Chipsoft heeft niet toegelicht waarom het hof daar, op dan wel na een afzonderlijke zitting, in dit kort geding over zou moeten beslissen, voordat de rechtbank in de bodemprocedure daarover een beslissing heeft genomen.\n\nOZG is geen aanbestedende dienst5.10. Chipsoft heeft aangegeven dat de beslissing van de voorzieningenrechter dat Treant niet als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, ook in het later aanhangig gemaakte hoger beroep van Chipsoft tegen Treantniet zal worden aangevochten.\n\n5.11. UMCG c.s. hebben wel het oordeel van de voorzieningenrechter dat OZG in dit geval als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt, aangevochten.\n\n5.12. \n\nHet begrip aanbestedende dienst is gedefinieerd in artikel 1 van de Aw, dat weer een uitwerking vormt van artikel 2 van de Europese richtlijn 2014\u002F24 EU.\n\nIn dit geval gaat het erom of OZG kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling als in artikel 1.1 van de AW omschreven, namelijk:\n\nI. een instelling die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard,\n\nII. die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan:\n\nIII.\n\nde activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,\n\nhet beheer is onderworpen aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling of\n\nde leden van het bestuur, het leidinggevend of toezichthoudend orgaan voor meer\n\ndan de helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen;\n\n5.13. Voor het OZG staat vast dat het rechtspersoonlijkheid heeft – waarmee aan de tweede (cumulatieve) voorwaarde is voldaan – en dat UMCG de bestuursleden en leden van de raad van toezicht benoemt, zodat daarmee voldaan is aan de derde (cumulatieve) voorwaarde, namelijk aan het onder III sub c geformuleerde derde alternatief. De vraag is nog of het OZG voldoet aan de eerste (cumulatieve) voorwaarde namelijk dat het OZG specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard.\n\n5.14. De vraag of een algemeen ziekenhuis als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, toegespitst op het criterium of het voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van commerciële aard, is aan de orde geweest in de Amphia-zaak, waarin de voorganger van de hiervoor genoemde richtlijn 2014\u002F24 aan de orde was. Daarin heeft de Hoge Raadoverwogen dat bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, moet worden gelet op alle relevante elementen, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Daarbij moet worden bedacht dat het ontbreken van concurrentie geen noodzakelijk element is van de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling. Het bestaan van een sterke concurrentie kan weliswaar erop wijzen dat geen sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, maar wettigt op zichzelf niet deze conclusie. Aan die conclusie kan bijdragen dat de betrokken instelling, ook al heeft deze geen winstoogmerk, werkt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, alsmede dat zij zelf het economische risico van haar activiteiten draagt.\n\n5.15. \n\nIn de daarop gevolgde verwijzingszaakis geoordeeld dat Amphia niet aan de derde voorwaarde als hiervoor onder 5.12 omschreven voldeed en in volgende rechterlijke uitspraken over algemene ziekenhuizen is steeds aangenomen dat zij niet als aanbestedende diensten kwalificeerden omdat niet is voldaan aan een van de alternatieven van die derde voorwaarde, waarbij dan de vraag of voldaan is aan voorwaarde I in het midden kon blijven. Het hof is van oordeel dat, ook al wijst de statutaire doelstelling van het OZG op het voldoen aan de behoefte van algemeen belang van het bieden van gezondheidszorg in Oost-Groningen, de wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven niet afwijkt van die van alle andere algemene ziekenhuizen in Nederland, die moeten voldoen aan de tucht van de markt en moeten werken op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit. In het licht van de door de Hoge Raad in het Amphia-arrest betrokken uitspraken van het Europese hof is dit een aanwijzing dat het OZG als algemeen ziekenhuis voorziet in een algemene behoefte, maar van commerciële aard. OZG en UMCG hebben ter zitting van het hof toegelicht dat het OZG haar eigen verliezen moet dragen en dat die op geen enkele wijze worden gedragen of afgedekt door UMCG. UMCG heeft alleen bij de start van het OZG een commerciële lening aan OZG verstrekt die moeten worden afgelost.\n\nHet hof is daarom voorshands van oordeel dat het OZG niet voldoet aan de eerste cumulatieve voorwaarde voor het zijn van een aanbestedingsplichtige publiekrechtelijke instelling.\n\n5.16. Het hof deelt niet de opvatting van Chipsoft dat de omstandigheid dat OZG als een dochteronderneming van UMCG moet worden beschouwd, zij alleen al om die reden als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Het hof verwijst naar de vaste jurisprudentie van het HvJ EU dat een onderneming niet reeds zelf als een aanbestedende dienst worden beschouwd omdat zij door een aanbestedende dienst is opgericht of omdat haar activiteiten worden gefinancierd met financiële middelen afkomstig uit de door een aanbestedende dienst verrichte activiteiten.Voor zover de aanbestedende dienst zonder de activiteiten van die dochteronderneming zijn eigen activiteit niet kan uitoefenen, en deze dochteronderneming zich bij het vervullen van behoeften van algemeen belang laat leiden door andere dan economische overwegingen, moet die dochteronderneming wel zelf als een publiekrechtelijke instelling worden aangemerkt.Daarvan is echter geen sprake. Het is niet zo dat het UMCG zonder OZG haar eigen activiteiten niet kan uitoefenen. Voor de gedachtegang van de voorzieningenrechter dat OZG zou zijn opgericht als vehikel voor het UMCG om onder haar eigen aanbestedingsplicht uit te komen, ontbreekt in het dossier en het verhandelde ter zitting elke aanwijzing.\n\n5.17. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat OZG niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling en bijgevolg evenmin als een aanbestedende dienst. De tegen het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter gerichte grieven van UMCG c.s. slagen in zoverre en de vordering van Chipsoft om uitdrukkelijk te bepalen dat OZG een aanbestedende dienst is kan niet worden toegewezen, nog daargelaten dat in kort geding geen verklaring voor recht kan worden afgegeven.\n\nHet beroep van UMCG op artikel 4.16 eerste lid Aw gaat niet op5.18. UMCG heeft betoogd dat Chipsoft niet binnen de in artikel 4.16 lid 1 onder c Aw genoemde termijn van 20 dagen na het plaatsen van Vooraankondiging 1 op Tendernet heeft geprotesteerd en daarom niet meer de inmiddels op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic kan aanvechten.\n\n5.19. \n\nArtikel 4.15 Aw bepaalt dat een overeenkomst die ten onrechte niet is aanbesteed, vernietigd kan worden. Artikel 4.16 Aw maakt daarop uitzondering, namelijk als de aanbestedende dienst, kort gezegd, een juiste vooraankondiging heeft geplaatst die betrekking heeft op een overeenkomst die de aanbestedende dienst wil aangaan waarvan zij meent dat gunning mogelijk is zonder aanbesteding.\n\nHet hof deelt op zich het standpunt van Chipsoft dat een dergelijke vooraankondiging moet voldoen aan de eisen van artikel 4.17 Aw en dat daarbij alleen gekeken mag worden naar de tekst van de vooraankondiging zelf en dat niet van belang is of een marktpartij over bijzondere kennis beschikt over de overeenkomst die de aanbestede dienst wil sluiten omdat die marktpartij deel heeft genomen aan een eerdere aanbesteding die de aanbestedende dienst heeft uitgeschreven. De vooraankondiging is immers bedoeld voor alle marktpartijen – ongeacht of die aan een eerdere aanbesteding hebben meegedaan – en die marktpartijen moeten uit de vooraankondiging kunnen afleiden of deze juist is en of het zinvol is om deze aankondiging aan te vechten.\n\n5.20. Het hof stelt vast dat de vooraankondiging en wat UMCG heeft meegedeeld over de inhoud van de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic, niet op elkaar aansluiten. In de Vooraankondiging 1 is opgenomen dat de waarde van de met Epic te sluiten overeenkomst 1 euro bedraagt. Uit wat UMCG over de inhoud van de overeenkomst die op 11 november 2025 met Epic is gesloten heeft meegedeeld blijkt dat deze overeenkomst erin voorziet dat UMCG voor het verstrekken van de (sub)licenties aan Treant en OZG bedragen aan Epic moet betalen van vele miljoenen. Het is dan wel de bedoeling van UMCG dat deze bedragen door Treant en OZG aan UMCG vergoed worden – waarbij het verder de bedoeling is dat de overeenkomst van 11 november 2025 betreffende Treant nog gewijzigd wordt in die zin dat Treant een eigen licentie krijgt en daarvoor rechtstreeks aan Epic gaat betalen – maar dat neemt niet weg dat de mededeling in Vooraankondiging 1 niet overeenkomt met de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst. Daarom verwerpt het hof het beroep van UMCG dat Chipsoft de overeenkomst van 11 november 2025 niet meer zou kunnen aanvechten en in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nHet gebruik mogen maken van het EPD van UMCG door Treant levert geen wezenlijke wijziging op5.21. Vervolgens moet het hof oordelen of het gebruik mogen maken van het EPD door Treant een wezenlijke wijziging oplevert van de opdracht die UMCG in 2015 heeft aanbesteed.\n\n5.22. Het hof beantwoordt die vraag in dit kort geding, anders dan de voorzieningenrechter, voorshands ontkennend. UMCG had in de aanbesteding uit 2015 een aantal wensen geformuleerd die zagen op regionale samenwerking en de mogelijkheid dat het EPD van UMCG ook in regionale ziekenhuizen zou worden uitgerold. Het hof heeft de wensen 77 en 87 waarin dit het meest pregnant is verwoord hiervoor onder 3.3 geciteerd, maar ook in de wensen 73 tot en met 75 komt deze vraag aan de orde. Epic heeft in die aanbesteding een product aangeboden waarbij zowel volledige integratie als strikte scheiding tussen meerdere instellingen kan worden gerealiseerd.\n\n5.23. Het hof oordeelt dat het gebruik maken van een optie waarom in de aanbesteding in 2015 is gevraagd, niet als een wezenlijke wijziging van de opdracht tot het realiseren van het EPD van UMCG kan worden aangemerkt. Het EPD van het UMCG zelf wijzigt daardoor niet. De programmatuur van dat EPD moet in zoverre worden aangepast dat, in de woorden van UMCG, een deurtje moet worden opengezet waardoor niet-aanbestedingsplichtige instellingen buiten het UMCG ook van de programmatuur van het EPD van UMCG gebruik kunnen maken. Het openzetten van die figuurlijke deur en de daarmee gemoeide kosten merkt het hof aan als een niet-wezenlijke wijziging in de zin van artikel 2.163g Aw. Het hof merkt daarbij op dat daarbij bepalend is dat Treant zelf geen aanbestedende dienst is en dat de kosten van de invoering van het Epic - EPD bij Treant geheel door Treant zullen worden gedragen en ook rechtstreeks bij Treant door Epic in rekening worden gebracht zoals UMCG en Treant ter zitting hebben meegedeeld. De omvang van de opdracht uit 2015 wijzigt niet doordat een niet-aanbestedingsplichtig ziekenhuis via een licentie gebruik kan maken van het EPD van UMCG. Als een aanbestedingsplichtige instelling, zoals een ander academisch ziekenhuis via een licentie aan zou willen sluiten op het EPD van het UCMG, dan zou dit niet langs deze weg kunnen worden gerealiseerd omdat in dat geval de ‘scope’ van de opdracht uit 2015 wel wijzigt.\n\n5.24. Van een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de aanbesteding uit 2015 is naar het voorshandse oordeel van het hof ook sprake als de aansluiting van Treant op het EPD van UMCG financieel geheel via UMCG zou lopen, wat dus klaarblijkelijk de opzet was in het contract zoals dat op 11 september 2025 is gesloten. Een dergelijk vormgegeven contract kwalificeert dan ook niet als een ‘niet-wezenlijke wijziging’ als bedoeld in artikel 2.163g Aw van de oorspronkelijke aanbesteding uit 2015. Voor zover UMCG nog heeft betoogd dat de overeenkomst van 11 november 2025 in de oorspronkelijke vorm wel zou kwalificeren als passend binnen een herzieningsclausule als bedoeld in artikel 2:163c Aw, gaat dit betoog niet op. Van een herzieningsclausule ‘avant la lettre’ als in dat artikel bedoeld –-waarbij geldt dat de in dat artikel opgesomde eisen cumulatief gelden–is in de aanbesteding uit 2015 geen sprake geweest.\n\n5.25. Het hof oordeelt derhalve dat een overeenkomst waarin ten behoeve van Treant de optie wordt benut uit de aanbesteding uit 2015 dat een ander ziekenhuis kan aansluiten op het EPD van UMCG. geen wezenlijke wijziging inhoudt van die in 2015 aanbestede opdracht, op voorwaarde dat wordt overeengekomen dat Treant zelf alle kosten van het gebruik van het EPD van het UMCG – daaronder nadrukkelijk begrepen de kosten van de licentie van Epic – en de kosten van de invoering van een nieuw EPD op haar werkvloer draagt en dat de daarmee gepaard gaande vergoedingen die Treant moet betalen niet via UMCG lopen.\n\nDe positie van OZG5.26. Voor OZG geldt, als de overeenkomst op dezelfde wijze zou vorm krijgen als de overeenkomst met Treant wanneer die in de hiervoor bedoelde zin is aangepast, hetzelfde als het hof hiervoor over Treant heeft aangegeven.\n\n5.27. UMCG en OZG hebben de overeenkomst echter op andere wijze vormgegeven, namelijk door UMCG een sublicentie bij Epic aan te laten schaffen die door OZG kan worden gebruikt en waarvan UMCG de kosten doorbelast aan OZG. UMCG heeft ter zitting aangegeven dat deze optie goedkoper is voor OZG. Volgens UMCG komt dit door de (buitengewoon gecompliceerde) prijsstelling van Epic waarbij een sublicentie goedkoper is dan een licentie omdat bij een sublicentie de patiëntenaantallen van beide ziekenhuizen bij elkaar mogen worden opgeteld en bij hogere patiëntenaantallen de component voor het aantal patiënten die Epic meeneemt in haar prijsstelling lager uitvalt dan bij een zelfstandige licentie voor OZG.\n\n5.28. Het hof oordeelt dat het op die wijze vormgeven van de overeenkomst niet valt onder artikel 2:163g lid 1 Aw en daarmee wel onder lid 2. Het onderbrengen van een geheel tweede ziekenhuis onder hetzelfde contract betekent een aanzienlijke verruiming van de opdracht zoals die in 2015 is aanbesteed. Het OZG was ten tijde van die aanbesteding ook nog geen dochteronderneming van UMCG zodat ook het betoog dat in de aanbesteding in 2015 sprake was van de mogelijkheid van sublicenties aan gelieerde ondernemingen niet opgaat voor zover dat ziet op het OZG. Het hof volgt op dit punt het standpunt van Chipsoft dat de bepalingen in de aanbesteding 2015 over sublicenties, betrekking hebben op ondernemingen binnen danwel vanuit het UMCG zelf en niet op een compleet nieuw algemeen ziekenhuis waarvan UCMG de aandelen houdt.\n\n5.29. Dit betekent dat het contract van 11 november 2025 als omschreven door UCMG voor zover dat ziet op het verlenen van een sublicentie aan OZG, moet worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de aanbesteding uit 2015.\n\n5.30. \n\nUMCG c.s. hebben zich bereid verklaard om, als het hof dat nodig vindt, het contract betreffende OZG op dezelfde wijze aan te passen als dat met Treant gaat gebeuren. In dit kort geding staat het hof voor de vraag of Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij het afdwingen van een dergelijke contractsaanspassing.\n\nHet hof oordeelt van niet. Het achterliggende belang van Chipsoft is dat zij wil dat UMCG haar eigen EPD opnieuw aanbesteedt, inclusief de aansluitingen daarop van Treant en OZG. Het hof is van oordeel dat dit niet nodig is en dat aansluiting van regionale ziekenhuizen op het EPD van UMCG onder de aanbesteding van 2015 al mogelijk is. Het gevolg van aanpassing van het contract met Epic betreffende OZG in het verlenen van een zelfstandige licentie aan OZG heeft – uitgaande van de juistheid van de mededelingen daarover van UMCG c.s. – tot gevolg dat OZG meer moet betalen aan Epic, de grote concurrent van Chipsoft. Bij een dergelijke voorziening heeft Chipsoft geen belang, laat staan een spoedeisend belang.\n\nChipsoft heeft geen belang bij de opdracht genoemd in Vooraankondiging 25.31. Vooraankondiging 2 heeft betrekking op de implementatie van de overeenkomsten die voortvloeien uit Vooraankondiging I. Ook in dit geval is de mededeling waar het gaat om het bedrag waar de opdracht over gaat allesbehalve helder. Het genoemde bedrag van € 3.160.500 euro ligt ruim boven de aanbestedingsdrempel van € 225.000,- zodat de mededeling dat het bedrag gemoeid met die opdracht onder het drempelbedrag ligt, zonder toelichting niet begrijpelijk is. Tijdens de zitting bij het hof is door UMCG toegelicht dat de opdracht vooral ziet op de implementatie van het Epic- EPD bij Treant en OZG – het begeleiden van de medewerkers van beide ziekenhuizen in de overgang van Nexus naar Epic – en op de migratie van de bestaande patiëntendossiers uit de Nexus-omgeving naar Epic. Voor een klein deel ziet deze opdracht op de aanpassingen aan het EPD bij UMCG (het openzetten van “de deur’ in de programmatuur voor de beide andere ziekenhuizen). Alleen dat laatste moet UMCG betalen en het daarmee gemoeide bedrag blijft ruim blijft ruim onder de aanbestedingsdrempel, aldus UMCG.\n\n5.32. Al deze implementatiewerkzaamheden kunnen niet door Chipsoft gedaan worden omdat zij daarvoor nooit toestemming krijgt van Epic. Dat heeft Chipsoft ook erkend. Dit betekent dat zij geen zelfstandig belang heeft bij toetsing van Vooraankondiging 2 en een verbod tot het sluiten van een de overeenkomst van UMCG c.s. met Pragus. Alleen als geoordeeld zou worden dat de in Vooraankondiging 1 voorziene overeenkomst met Epic niet gesloten zou mogen worden, heeft Chipsoft belang bij het niet kunnen sluiten van de uitvoeringsovereenkomst met Pragus. In het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat UMCG weliswaar niet de overeenkomst met Epic had mogen sluiten in de op 11 november 2025 overeengekomen vorm, maar dat de overeenkomst, in aangepaste vorm, wel toelaatbaar is. Daarmee heeft Chipsoft geen belang meer bij toetsing van Vooraankondiging 2. UMCG c.s. hebben er terecht op gewezen dat op grond van de wetsgeschiedenisalleen benadeelde partijen tegen een gunningsbeslissing op kunnen komen en dat is Chipsoft niet waar het de voorgenomen gunning aan Pragus is. Dit betekent dat het hof niet hoeft in te gaan op de vraag of er ook andere marktpartijen dan Pragus zijn die een dergelijke implementatieopdracht kunnen uitvoeren.\n\nHet incidenteel appel van Chipsoft slaagt niet5.33. \n\nChipsoft heeft in haar incidenteel appel betoogd dat OZG ook als aanbestedende dienst in de Vooraankondigingen 1 en 2 had moeten worden vermeld. Dat betoog gaat niet op, gelet op wat het hof hiervoor onder rov. 5.16 heeft overwogen.\n\nVervolgens stelt Chipsoft dat het handelen van UMCG c.s. moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad omdat sprake is van een omzeilingsconstructie van de Aanbestedingwet. Het hof heeft onder rov 5.16 al geoordeeld dat de oprichting van OZG niet als een omzeilingsconstructie kan worden aangemerkt. Het hof heeft ook al geoordeeld dat voor zover UMCG in strijd met de Aanbestedingswet heeft gehandeld, dat een onvoldoende grondslag oplevert voor de door Chipsoft gevraagde voorzieningen. Een verklaring voor recht dat het UMCG in strijd met de Aanbestedingswet en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, kan in kort geding niet worden gegeven.\n\nDe vorderingen die Chipsoft in het onvoorwaardelijke deel van haar incidenteel appel heeft ingesteld, zijn dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.34. \n\nAangezien het principaal appel (gedeeltelijk) slaagt komt het hof ook toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke deel van het incidentele appel van Chipsoft.\n\nWat de vorderingen tot het verstrekken van informatie door UMCG c.s. betreft, heeft het hof hiervoor onder 5.9 al geoordeeld dat het spoedeisend belang bij die vorderingen onvoldoende is gebleken. Die vorderingen kunnen, zoals ook de voorzieningenrechter al had geoordeeld, beter worden beoordeeld in de incidenten die Chipsoft heeft opgeworpen in de bodemprocedure. In die procedure kunnen ook de overeenkomst met Epic van 11 november 2025 en de daarin nog aan te brengen wijzigingen nader worden beoordeeld. Het hof is in het voorgaande ervan uitgegaan dat UMCG c.s. het hof daarover ter zitting juist hebben voorgelicht. Mocht blijken dat zij op die zitting een onjuist beeld hebben geschetst, dan kan dat in de bodemprocedure voor UMCG c.s. nadelige consequenties hebben.\n\nDe slotsom en de proceskosten5.35. Het principaal appel is deels terecht voorgedragen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen van Chipsoft alsnog afwijzen, behalve het gebod tot het intrekken van de onjuiste vooraankondigingen, waaraan UMCG inmiddels heeft voldaan. Ook de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Chipsoft worden afgewezen. Aangezien UMCG onjuiste vooraankondigingen heeft gepubliceerd en haar stellingen in hoger beroep deels zijn verworpen, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg en in principaal appel te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten moeten dragen. Dat geldt ook voor de kosten van Treant als tussenkomende partij, die door hetzelfde advocatenkantoor als UMCG c.s. wordt bijgestaan.\n\n5.36. In incidenteel appel merkt het hof Chipsoft aan als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal haar in de daarop gevallen kosten veroordelen, te begroten op een bedrag aan salaris advocaat voor UMCG c.s. te berekenen op 2 punten maal factor 0,5 naar tarief II van het toepasselijke liquidatietarief, per saldo neerkomende op € 1290,-., nog te vermeerderen met de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die veroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland (Groningen) van 6 februari 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en wijst de vorderingen van Chipsoft af, behoudens de veroordeling onder 5.2 van dat vonnis die wordt bekrachtigd;\n\n6.2. veroordeelt Chipsoft tot betaling van de proceskosten van UMCG c.s. in incidenteel hoger beroep, begroot op € 1.290,- aan salaris van de advocaat van UMCG c.s. en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbankvoorzieningenrechter en het principaal hoger beroep bij het hof;\n\n6.4. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.M.A. Wind en A.A. van Rossum en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n bekend onder zaaknummer 200.365.627\u002F01v\n\n Zie vorige noot\n\n HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872\n\n Gerechtshof Arnhem 18 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG4586\n\n HvJ EU 15 januari 1998, Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., C44\u002F96, EU:C:1998:4, punt 39, onder meer herhaald in HvJ EU 5 oktober 2017, LitSpecMed, ECLI:EU:C:2017:736 rov 34.\n\n Zie het in de vorige noot aangehaalde arrest LitSpecMed rov 48\n\n MvT, Kamerstukken II 2015\u002F16 34329 3 pagina 94\n\n MvT, Kamerstukken Il 2008\u002F09, 32027 nr 3, pag. 8","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2351","ecli-nl-gharl-2026-2351",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]