[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3463":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3463":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1146","ECLI:NL:GHARL:2026:3463","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.366.687\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 11868687\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nD-Reizen Retail B.V. (D-Reizen)\n\ngevestigd in ’s-Hertogenbosch\n\nadvocaat: mr. S. Rötscheid\n\nen\n\n [werkneemster] ( [werkneemster] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. D.C. Soetens\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. D-Reizen heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 17 december 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep\n\nop 17 april 2026 toegezonden producties van D-Reizen\n\nhet verweerschrift in het incidenteel hoger beroep\n\nop 22 april 2026 toegezonden producties van [werkneemster]\n\n1.2. Op 24 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. D-Reizen heeft [werkneemster] op staande voet ontslagen. [werkneemster] heeft berust in dat ontslag, maar zij vindt dat ontslag onterecht. Zij maakt, voor zover in hoger beroep van belang, aanspraak op vergoeding wegens onregelmatig ontslag, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.2.2. De kantonrechter oordeelde dat een van de twee redenen voor ontslag niet ernstig genoeg was en het ontslag om de andere reden niet onverwijld is gegeven. De verzochte vergoedingen zijn toegewezen, zij het dat de billijke vergoeding lager was dan verzocht.\n\n2.3. D-Reizen voert in hoger beroep aan dat het ontslag wel onverwijld en terecht is gegeven en dat de vergoedingen die zij moest betalen door [werkneemster] terugbetaald moeten worden. Daarnaast maakt zij aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding voor het geven van aanleiding voor ontslag op staande voet, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW.\n\n2.4. \n [werkneemster] vraagt in het door haar ingestelde hoger beroep om toewijzing van een hogere billijke vergoeding, te weten het bedrag van € 41.287,53 bruto (24 bruto maandsalarissen) waarop zij ook in de kantonprocedure al aanspraak maakte.\n\n2.5. \n\nHet hof zal bepalen dat het hoger beroep van D-Reizen niet slaagt. Het hoger beroep van [werkneemster] slaagt voor een zeer gering deel.\n\nHet hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nde feiten3.1. \n [werkneemster] is [sinds] 2007 in dienst bij D-Reizen als reisadviseur allround. Haar loon is € 1.857.93 (inclusief 8% vakantietoeslag) per maand op basis van een arbeidsomvang van 24 uur per week. Laatstelijk werkte zij in de winkel in [plaats] .\n\n3.2. \n\nIn juni en juli 2024 hebben [werkneemster] en haar echtgenoot een rondreis door de VS willen maken. [werkneemster] heeft daarvoor bij D-Reizen vliegtickets geboekt voor de vlucht van Amsterdam naar San Francisco en terug van Los Angeles naar Amsterdam. Huurauto’s, accommodaties en binnenlandse vluchten heeft [werkneemster] bij andere aanbieders geboekt.\n\nKort na aankomst in de VS werd [werkneemster] ernstig ziek opgenomen in een ziekenhuis. Ongeveer een week later zijn [werkneemster] en haar echtgenoot vervroegd teruggereisd naar huis.\n\n [werkneemster] is arbeidsongeschikt gebleven tot eind mei 2025. Omstreeks 26 mei 2025 heeft zij zich hersteld gemeld.\n\n3.3. \n [werkneemster] en haar echtgenoot hebben voor de afgebroken Amerikareis en de medische kosten aanspraak gemaakt op uitkeringen onder de reis- en annuleringsverzekering die zij bij Allianz hadden afgesloten. Op 2 september 2024 heeft [werkneemster] in het boekingssysteem van D-Reizen een overzicht gemaakt van de via D-Reizen geboekte tickets, aangevuld met de bij andere aanbieders gemaakte boekingen. Het aldus samengestelde overzicht, op briefpapier van D-Reizen met opschrift ‘boekingsbevestiging’, heeft zij geprint en bij Allianz ingediend. Daarna heeft [werkneemster] dat dossier in het systeem van D-Reizen geannuleerd. De indiening bij Allianz heeft tot uitkering van het maximaal verzekerde bedrag onder de annuleringsverzekering geleid, een lager bedrag dan de opgevoerde kosten.\n\n3.4. \n\nOp 19 juni 2025 werd [werkneemster] uitgenodigd voor een op 23 juni 2025 te houden gesprek in het hoofdkantoor te ’s-Hertogenbosch. In dat gesprek met de financieel directeur en de bedrijfsjurist van D-Reizen werd zij geconfronteerd met een aantal bevindingen van D-Reizen over mogelijk oneigenlijk gebruik van het interne boekingssysteem. In drie gevallen had [werkneemster] boekingen gemaakt ten behoeve van de vennootschap van haar echtgenoot, waarvoor door die vennootschap was betaald. Die boekingen zijn vervolgens geannuleerd waarna het betaalde bedrag niet is terugbetaald aan de vennootschap maar aan de echtgenoot van [werkneemster] privé. D-Reizen heeft uitleg gevraagd en [werkneemster] erop gewezen dat deze gang van zaken in strijd is met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dat D-Reizen een meldingsplicht heeft bij ongebruikelijke transacties en dat zij gehouden is nadere controle uit te voeren op door [werkneemster] behandelde dossiers. In de brief waarmee D-Reizen het gesprek van die dag bevestigde, heeft D-Reizen ook melding gemaakt van nog drie andere dossiers waarover zij vragen had, waaronder het ingetrokken dossier met het onder 3.3 bedoelde document van 2 september 2024. Daarop verwachtte zij uiterlijk 26 juni 2025 een reactie zodat zij die kon betrekken bij het verdere onderzoek.\n\n [werkneemster] verstuurde haar reactie op 25 juni 2025 en werkte ondertussen bij D-Reizen door.\n\n3.5. \n\nOp 7 juli 2025 is [werkneemster] door D-Reizen op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief schrijft D-Reizen:\n\n“Wij hebben geconstateerd dat u, misbruik makend van de systemen van D-reizen, een boekingsbevestiging\u002Ffactuur hebt opgesteld\u002Fgeconstrueerd waarmee u bij verzekeringsmaatschappij Allianz ongebruikte vakantiedagen en kosten voor een huurauto hebt geclaimd. Allianz, bovendien verzekeringspartner van D-reizen, heeft deze kosten vergoed op basis van en naar aanleiding van de door u via de systemen van D-reizen opgestelde boekingsbevestiging\u002Ffactuur terwijl betreffende boeking (met uitzondering van 'economy class' vliegtickets) door u was geannuleerd. U heeft tegenover Allianz ten onrechte de suggestie gewekt dat de op de boekingsbevestiging\u002Ffactuur genoemde posten en daarbij behorende kosten daadwerkelijk door u bij D-reizen zouden zijn gemaakt. Allianz is op\n\n basis van deze boekingsbevestiging\u002Ffactuur tot berekening en uitbetaling overgegaan (bijlage 1). Het bedrag waarmee Allianz de 'schade' heeft berekend kom exact overeen met het op de\n\nboekingsbevestiging\u002Ffactuur van D-reizen genoemde bedrag van € 11.008,81 (bijlage 2). D- reizen kan tot geen andere conclusie komen dan dat door u verzekeringsfraude is gepleegd, daarbij misbruik makend van de systemen van D-reizen. (…) U heeft tegenover Allianz ten onrechte de indruk gewekt deze kosten bij D-reizen te hebben gemaakt. Allianz is op basis van de D-reizen boekingsbevestiging\u002Ffactuur tot berekening en vergoeding overgegaan.\n\n Voorts heeft u in twee dossiers zakelijke boekingen van de vennootschap van uw partner die ook via een zakelijke rekening waren voldaan geannuleerd en (in één geval binnen 2 minuten) op de privérekening van uw partner laten restitueren. In één dossier heeft u gepoogd dat te doen maar is door ingrijpen van de financiële administratie alsnog gerestitueerd op de zakelijke rekening waarmee de betaling was gedaan.\n\n Uw partner heeft geen antwoord willen geven op de vraag of de betreffende gelden uiteindelijk weer van privé naar de zakelijk rekening zijn overgeboekt c.q. juist zijn geadministreerd. D-reizen kan dan ook niet uitsluiten dat u, wederom met gebruikmaking van de systemen van D-reizen, medewerking hebt verleend aan het ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ten behoeve van privégebruik door u en\u002Fof uw partner.\n\n Gelet op het voorgaande afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien rest ons geen andere optie dan uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden te beëindigen. Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 7 juli 2025 met onmiddellijke ingang is geëindigd.”\n\nhet oordeel van de kantonrechter en de bezwaren daartegen\n\n3.6. De kantonrechter oordeelde dat, gelet op de toelichting van [werkneemster] , de gestelde verzekeringsfraude met misbruik van de systemen van D-Reizen (hierna: de kwestie Allianz) niet ernstig genoeg was voor ontslag op staande voet en dat het ontslag in verband met de restitutie voor geannuleerde zakelijke boekingen niet onverwijld is gegeven. D-Reizen vindt dat de kwestie Allianz wel een dringende reden voor ontslag is. [werkneemster] betoogt primair dat het ontslag om die reden niet onverwijld is gegeven en zij is het subsidiair eens met het oordeel van de kantonrechter dat dit geen dringende reden is. D-Reizen betwist ook dat zij niet snel genoeg ontslag heeft gegeven in de kwestie met betrekking tot de zakelijke boekingen (hierna: de restitutiekwestie).\n\n3.7. D-Reizen is het verder niet eens met de afwijzing van haar verzoek tot toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding, de toewijzing van de billijke vergoeding althans de hoogte ervan, de toewijzing van de transitievergoeding en de vergoeding voor onregelmatige opzegging en de proceskostenveroordeling. [werkneemster] vraagt juist oplegging van een hogere billijke vergoeding.\n\nhet ontslag om de samengestelde dringende reden is wel onverwijld gegeven\n\n3.8. In dit geval is sprake van een samengestelde dringende reden: meer dan één gebeurtenis die ieder op zichzelf een dringende reden kan zijn, maar ook in samenhang voldoende dringende reden kunnen vormen voor ontslag op staande voet. Tijdens het gesprek op 23 juni 2025 heeft D-Reizen een verklaring gevraagd voor de restitutiekwestie en nader onderzoek aangekondigd. Later die dag kwamen andere dossiers boven die aanleiding waren voor nadere vragen, waaronder de onder 3.3 bedoelde boekingsbevestiging die tot onderzoek naar de kwestie Allianz leidde. Zoals de Hoge Raad in 2023 oordeelde, dient in een dergelijk geval te worden onderzocht of ten aanzien van het samenstel van de dringende redenen voldoende voortvarend is gehandeld.\n\n3.9. \n\nNa de schriftelijke reactie die [werkneemster] op 25 juni 2025 naar D-Reizen stuurde, is onderzoek gedaan naar de juistheid van de opgegeven kosten voor de via D-Reizen geboekte vluchten voor de Amerikareis en de bij Allianz ingediende claim. Op donderdagmiddag\n\n3 juli 2025 liet Allianz aan D-Reizen weten dat zij behalve medische kosten ook de maximale vergoeding voor ongebruikte vakantiedagen heeft uitgekeerd en extra verblijfkosten. Uiteindelijk heeft D-Reizen op vrijdagmiddag 4 juli 2025 via Delta Airlines vernomen dat [werkneemster] en haar echtgenoot waarschijnlijk tijdens de check-in voor de heenvlucht een upgrade naar de businessclass hebben gekocht. Later die middag berichtte Allianz dat de op 2 september 2024 gemaakte ‘boekingsbevestiging’ bij haar was ingediend ten behoeve van de verzekeringsclaim van [werkneemster] .\n\n3.10. \n\nVolgens [werkneemster] heeft D-Reizen in de kwestie Allianz niet onverwijld gehandeld. D-Reizen had nog op vrijdagmiddag 4 juli 2025 naar haar manager kunnen bellen en op zaterdag 5 juli naar haarzelf, omdat zij die dag werkte. Ontslagverlening op maandag 7 juli 2025 is daarom volgens haar niet tijdig genoeg.\n\nHet hof gaat daar niet in mee. Een ontslagaanzegging behoort aan de werknemer persoonlijk te worden gedaan. [werkneemster] heeft niet toegelicht waarom dat in dit geval aan of via de winkelmanager had gemoeten. D-Reizen heeft verder aangevoerd dat de afdelingen HR, Legal en de directie op het hoofdkantoor in ’s-Hertogenbosch niet werkzaam zijn in het weekend, waardoor intern overleg ook niet eerder mogelijk was en daardoor het ontslag ook niet op zaterdag 5 juli 2025 aan [werkneemster] zelf kon worden aangezegd. [werkneemster] trekt dat weliswaar in twijfel, maar weerspreekt niet voldoende gemotiveerd dat zij is ontslagen op de eerst mogelijke reguliere werkdag van de bedrijfsjurist, die tot ontslagverlening bevoegd was.\n\n3.11. D-Reizen komt terecht op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag ten aanzien van de restitutiekwestie niet onverwijld is gegeven. Tijdens het onderzoek daarnaar kwam de kwestie-Allianz naar voren en ten aanzien van het samenstel van deze aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen heeft D-Reizen voldoende voortvarend onderzoek verricht, waarbij geen andere opvallende boekingen zijn gevonden en waarna ook voldoende voortvarend is overgegaan tot ontslag.\n\nde twee verwijten vormen, ook samen, geen dringende reden voor ontslag\n\n-de restitutiekwestie3.12. Met betrekking tot de restitutiekwestie is het verwijt dat D-Reizen aan [werkneemster] maakt dat zij na annulering van zakelijke boekingen ten behoeve van de vennootschap van haar echtgenoot de door het bedrijf betaalde kosten heeft laten terugstorten op de privérekening van haar partner. Dat is twee keer op die wijze uitgevoerd en één keer tegengehouden door de financiële administratie.\n\n3.13. \n\nIn het gesprek op 23 juni 2025 heeft [werkneemster] uitgelegd dat het klantsysteem geen bedrijfsnamen accepteert, waardoor de boeking op naam van een natuurlijk persoon als hoofdboeker moet worden gemaakt. In een apart tekstveld kan de bedrijfsnaam worden vermeld. Bij annulering van een zakelijke reis moet dan volgens [werkneemster] de restitutie plaatsvinden op naam van de hoofdboeker. Dat is volgens [werkneemster] de gebruikelijke werkwijze.\n\nVolgens D-Reizen is dat onjuist. Haar ‘Handboek administratieve handelingen retail’ kent een procedure voor zakelijke boekingen waarmee zo’n boeking kan worden gemaakt op naam van de vennootschap die dan hoofdboeker is, waarna eventuele restitutie ook aan die hoofdboeker moet plaatsvinden. Dit dient een wezenlijk doel, namelijk het voorkomen van belastingfraude en witwaspraktijken waarmee wordt bijgedragen aan de naleving van de Wwft. Daarnaast wordt op deze wijze voldaan aan de interne integriteits- en complianceverplichtingen van D-Reizen.\n\n3.14. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken dat het Handboek, waarnaar D-Reizen verwijst, op het punt van zakelijke klanten omstreeks 2018 is aangepast. [werkneemster] was hiervan, zegt zij, niet op de hoogte. Desgevraagd heeft D-Reizen niet kunnen onderbouwen dat [werkneemster] hierover destijds is geïnformeerd en\u002Fof dat aan dit punt ook nadien actief aandacht is besteed. D-Reizen heeft alleen gewezen op het bestaan van het Handboek als bron voor de te hanteren werkwijze. Daarmee is onvoldoende duidelijk geworden dat [werkneemster] op de hoogte was van de verlangde werkwijze bij zakelijke klanten en dat haar kan worden verweten dat zij anders handelde. De restitutiekwestie vormt daarmee geen dringende reden voor ontslag op staande voet.\n\n-de kwestie Allianz3.15. \n\n [werkneemster] heeft na de voortijdig geëindigde vakantiereis in 2024 in het systeem van D-Reizen een overzicht gemaakt van ook bij andere firma’s gemaakte reserveringen ten behoeve van haar verzekeringsclaim. Die andere firma’s zijn met name genoemd. Van dat overzicht op briefpapier van D-Reizen met de datum van 2 september 2024 en opschrift ‘boekingsbevestiging\u002Ffactuur’ heeft zij een kopie gemaakt waarin is weggelaten het, uit dat systeem volgende, nog te betalen bedrag en waarbij zij het woord ‘factuur’ bovenaan heeft afgeplakt. Het was, zoals [werkneemster] opmerkt, immers geen factuur. De kopie met dit overzicht is op 8 september 2024 door de echtgenoot van [werkneemster] naar Allianz gestuurd. Daarbij heeft hij ook gemeld dat de KLM uit coulance de kosten van stoelreservering voor de terugvlucht heeft gecrediteerd.\n\n [werkneemster] heeft als reden voor haar handelwijze opgegeven dat zij op verzoek van Allianz uiteindelijk dit totaaloverzicht heeft opgesteld, nadat haar echtgenoot eerder, in juli 2024, een spreadsheet en diverse stukken naar Allianz had toegestuurd over extra kosten als gevolg van de spoedoperatie en kosten van geboekte hotels die niet meer geannuleerd konden worden. Onderdelen van de reis die nog kosteloos geannuleerd konden worden zijn niet in die claim opgenomen. Volgens [werkneemster] vond Allianz de stukken van haar echtgenoot niet overzichtelijk genoeg en vroeg Allianz om een overzicht. Dat heeft zij opgesteld, hoewel zij nog ernstig ziek was, in het systeem van D-Reizen omdat zij dat kende en in overleg met Allianz. Zij en niet haar echtgenoot had ook indertijd de verschillende reserveringen voor deze vakantiereis gemaakt.\n\n3.16. Volgens D-Reizen heeft [werkneemster] met dit overzicht Allianz, een vaste zakenrelatie van D-Reizen, in de waan gebracht dat sprake was van een bij D-Reizen geboekte pakketreis en is Allianz op basis daarvan ook tot uitkering overgegaan. Deze verzekeringsfraude met misbruik van het systeem van D-Reizen rechtvaardigt ontslag op staande voet, ook als D-Reizen zelf daardoor geen schade lijdt, aldus D-Reizen.\n\n3.17. \n\nHet hof oordeelt dat [werkneemster] niet goed heeft gehandeld door het overzicht van alle boekingen samen te brengen in één document dat bij een argeloze lezer de schijn kan wekken dat D-Reizen bemiddeld heeft bij alle daarop voorkomende boekingen. Dat [werkneemster] ook de bedoeling had om met behulp van dit document verzekeringsfraude te plegen is echter onvoldoende aannemelijk in het licht van de eerdere correspondentie met Allianz, waarin haar echtgenoot melding maakte van verschillende annuleringen en crediteringen en zijn latere melding van de creditering uit coulance door de KLM in de mail waarmee hij ook het overzicht van [werkneemster] meestuurde.\n\nOf Allianz op basis van de juiste gegevens tot uitkering is overgegaan is het hof niet duidelijk, maar dat zij van onjuiste informatie is uitgegaan volgt niet zonder meer uit de laatste productie die D-Reizen op 17 april 2026 heeft ingediend. Onduidelijk is immers naar welke bijlage D-Reizen in haar tweede vraag verwijst.\n\nHet hof betrekt bij de beoordeling van de handelwijze van [werkneemster] haar medische situatie van destijds, zoals beschreven in haar verzoekschrift aan de kantonrechter en in haar reactie aan D-Reizen van 25 juni 2025. Daarbij kwam nog de onduidelijkheid over de afhandeling van de in de VS gemaakte ziektekosten, waarvoor [werkneemster] zeer hoge rekeningen kreeg. Het is goed voorstelbaar dat [werkneemster] in die omstandigheden minder doordacht heeft gehandeld. Ontslag op staande voet is een te zware sanctie voor wat in de kwestie Allianz is gebeurd.\n\n3.18. \n\nDat laatste geldt ook voor de twee kwesties in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nHet ontslag op staande voet is ten onrechte verleend.\n\ngevolgen voor gefixeerde schadevergoeding, onregelmatig ontslag- en transitievergoeding\n\n3.19. Het oordeel dat sprake is van een onterecht ontslag op staande voet leidt automatisch tot afwijzing van de door D-Reizen verzochte gefixeerde schadevergoeding omdat [werkneemster] aanleiding zou hebben gegeven voor dat ontslag. En ook leidt dat oordeel tot afwijzing van het bezwaar van D-Reizen tegen de veroordeling tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatig ontslag en de transitievergoeding. D-Reizen heeft daarvoor geen andere reden aangevoerd dan dat zij wel terecht ontslag op staande voet heeft verleend.\n\nbillijke vergoeding\n\n3.20. \n\nDe kantonrechter heeft D-Reizen veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.000 bruto, te weten het loon over een jaar zonder aftrek van een eventuele WW-uitkering. Daarbij verwachtte de kantonrechter dat [werkneemster] in dat jaar een andere baan kon vinden met vergelijkbaar loon.\n\nD-Reizen vindt de toegekende billijke vergoeding te hoog, terwijl [werkneemster] die te laag vindt.\n\n3.21. \n\nVolgens D-Reizen is onvoldoende rekening gehouden met de verwijten die zij [werkneemster] maakt en zou de arbeidsovereenkomst zonder ontslag op staande voet op korte termijn zijn ontbonden wegens verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsrelatie. De arbeidsmarkt is gunstig en D-Reizen houdt [werkneemster] niet aan het overeengekomen concurrentiebeding. Daarnaast vindt D-Reizen dat ook rekening moet worden gehouden met de transitievergoeding en de WW-uitkering van [werkneemster] .\n\n [werkneemster] wijst op haar dienstverband van ruim 18 jaar dat tot de hiervoor besproken incidenten vlekkeloos was. Van die incidenten kan haar geen verwijt worden gemaakt zodat zij geen reden zouden zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [werkneemster] ontvangt sinds oktober 2025 een WW-uitkering maar het UWV adviseerde haar een Zw-uitkering aan te vragen. Mogelijk moet zij dat alsnog doen omdat zij een terugslag heeft gekregen door het ontslag en het hoger beroep. Door de gang van zaken heeft zij ook reputatieschade geleden in de branche en ook daarom is de periode van een jaar te kort voor het vinden van een vergelijkbaar beloonde baan. Daarnaast lijdt zij pensioenschade. [werkneemster] maakt aanspraak op een billijke vergoeding ter hoogte van 24 maandsalarissen, ofwel € 41.287,53 bruto zonder aftrek van WW of de transitievergoeding.\n\n3.22. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat het gegeven ontslag op staande voet een te zware sanctie is voor de kwestie Allianz. Die sanctie heeft [werkneemster] beschadigd. De feiten gaven, anders dan D-Reizen meent, ook geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Maar ook als D-Reizen had volstaan met een duidelijke instructie voor toekomstige zakelijke boekingen en met een officiële schriftelijke waarschuwing voor het gebruik van haar systeem waarmee ten onrechte de schijn kan worden gewekt van een via D-Reizen geboekte pakketreis, was de arbeidsverhouding onder druk komen te staan. Het vertrouwen van D-Reizen in [werkneemster] had als gevolg van haar gedragingen een flinke deuk opgelopen. Het hof taxeert dat in geval van een lichtere sanctie zoals bedoeld de arbeidsovereenkomst niet langer zou hebben geduurd dan hooguit nog twee jaar.\n\n3.23. \n\nVan die twee jaar is de inkomensschade gedurende 2,75 maanden gedekt door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Het hof acht het in dit geval redelijk om bij de inkomensschade over de resterende 21,25 maanden rekening te houden met 12 maanden WW-uitkering. Het hof gaat ervan uit dat [werkneemster] niet lang daarna ander werk zal kunnen vinden maar mogelijk niet tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden terwijl zij mogelijk ook pensioenschade lijdt. Daarom wordt geen rekening gehouden met de volledige WW-duur van maximaal 24 maanden. Voor (gehele of gedeeltelijke) aftrek van de transitievergoeding is geen reden, nu [werkneemster] daadwerkelijk op zoek moet naar een andere baan die nog niet voorhanden is.\n\nHet voorgaande leidt ertoe dat het hof in plaats van de door de kantonrechter toegewezen\n\n€ 23.000 een billijke vergoeding redelijk acht van € 23.688,60 bruto. Dit is als volgt berekend: 21,25 maanden salaris is € 39.481,01 bruto en daarop strekt in mindering 12 maanden WW-uitkering van € 15.792,41 bruto (2 maanden 75% van € 1.857, 93 is\n\n€ 2.786,90 plus 10 maanden 70% van € 1.857,93 is € 13.005,51).\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.24. Hoewel D-Reizen terecht heeft aangevoerd dat het ontslag onverwijld is gegeven, leidt haar principaal hoger beroep niet tot een ander oordeel. Zij is door de kantonrechter terecht veroordeeld in de kosten van de procedure.Het incidenteel hoger beroep van [werkneemster] slaagt slechts voor een klein gedeelte. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter onder 4.1 vernietigen voor zover daarin € 23.000 aan billijke vergoeding is toegewezen en in plaats daarvan € 23.688,60 bruto toewijzen. Die beslissing wordt voor het overige bekrachtigd, voor zover aan hoger beroep onderworpen. D-Reizen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [werkneemster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.\n\n3.25.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (de beslissing is ‘uitvoerbaar bij voorraad’).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\n4.1.. vernietigt de beslissing van de kantonrechter van 17 december 2025 voor zover D-Reizen daarin is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding aan [werkneemster] van € 23.000 bruto en veroordeelt D-Reizen in plaats daarvan tot betaling van € 23,688,60 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente over € 23.000 bruto vanaf de veertiende dag na 17 december 2025 en over € 688,60 bruto vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking in hoger beroep tot aan algehele voldoening;\n\n4.2. bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige;\n\n4.3. veroordeelt D-Reizen tot betaling van de proceskosten in haar hoger beroep, aan de kant van [werkneemster] bepaald op € 373 griffierecht en € 2.580 voor salaris van de advocaat van [werkneemster] (2 punten x tarief II);\n\n4.4. veroordeelt [werkneemster] , als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in haar hoger beroep, tot betaling van de proceskosten van D-Reizen, bepaald op € 1.290 voor salaris van de advocaat van D-Reizen (1 punt x tarief II);\n\n4.5.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, A.A. van Rossum en A. Elgersma en is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.\n\n Gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2025:7035.\n\n Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668 Econocom.\n\n Grief 1 in incidenteel hoger beroep gaat niet op.\n\n In zoverre slaagt de eerste grief van D-Reizen.\n\n Uiteindelijk leidt grief 1 van D-Reizen niet tot een ander oordeel.\n\n De grieven 2 en 4 van D-Reizen gaan niet op.\n\n Grief 3 van D-Reizen faalt en grief 2 in incidenteel hoger beroep slaagt voor een gering deel.\n\n Grief 5 van D-Reizen gaat niet op.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3463","ecli-nl-gharl-2026-3463",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]