[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4226":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4226":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]