ECLI:NL:GHARL:2026:4284
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003741-20
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
Tegenspraak
Ontnemingszaak
Verkorte beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 mei 2019 met het parketnummer
18-850004-16 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
geboren op [geboortedag] in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende in [land] ,
blijkens de gegevens die het gerechtshof heeft verkregen in het kader van de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 januari 2023 en 10 juni 2026.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat zal vaststellen op € 197.342,13.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, is aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat de raadsman zich refereert aan het oordeel van het gerechtshof over de betekening van de oproeping van de betrokkene tegen de zitting van vandaag en dat de raadsman niet gemachtigd is door zijn cliënt en daarom nu inhoudelijk niets over de zaak kan zeggen.
De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank.
In die beslissing heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op
€ 232.240,14.
Het gerechtshof verenigt zich niet met deze beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het gerechtshof die beslissing en doet het gerechtshof opnieuw recht.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 577.962,-. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Op de zitting van de rechtbank van 21 maart 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalings-verplichting aan de Staat zal worden vastgesteld op € 317.880,17.
Op de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals de rechtbank dat - op basis van de transacties via de bankrekening van de gedupeerden - heeft vastgesteld, op een aantal punten dient te worden gecorrigeerd. Dit omdat in zeven gevallen van oplichting weliswaar het in de tenlastelegging genoemde bedrag is ontfutseld aan de gedupeerden, maar een deel van dat bedrag of het gehele bedrag niet bij de betrokkene terecht is gekomen door interventies van de bank met betrekking tot de betaalrekening van die gedupeerden. In zeven gevallen is volgens de advocaat-generaal het oplichtingsbedrag niet het bedrag dat op de tenlastelegging in de strafzaak bij de afzonderlijke oplichtingsfeiten onder feit 1 is opgenomen (en bewezen verklaard):
bij [naam 1] niet € 12.000,00, maar € 3.000,00;
bij [naam 2] niet € 3.750,00, maar € 1.750,00;
bij [naam 3] niet € 7.000,00, maar € 3.500,00;
bij [naam 4] niet € 13.100,00, maar € 500,00;
bij [naam 5] niet € 11.500,00, maar nihil;
bij [naam 6] niet € 10.000,00, maar nihil;
bij [naam 7] € 11.500,00, maar € 10.500,00,
dit alles op basis van de afzonderlijke aangiftes van de genoemde personen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof
Het gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026 uitspraak gedaan. De beslissing van het gerechtshof is toen mondeling gemotiveerd.
Deze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2018 veroordeeld voor onder meer oplichting van 37 personen en medeplegen van oplichting van 4 personen.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat de betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald.
Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het gerechtshof dat voordeel op een bedrag van € 197.243,13. Dit bedrag is gebaseerd op de volgende berekening.
De correctie op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, zoals de advocaat-generaal die heeft opgevoerd, is juist. Het gerechtshof heeft die correctie gecontroleerd in raadkamer tijdens een schorsing van het onderzoek en correct bevonden. Dit houdt in dat de volgende berekening dient te worden gemaakt:
Ter zake van feit 1 dient op het door de rechtbank vastgestelde oplichtingsbedrag van
€ 262.720,17 in mindering te worden gebracht een bedrag van € 43.600,00.
Het bruto bedrag (zonder aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 262.720,17 - € 43.600,00 = € 219.120,17.
Het netto bedrag (met aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten, geschat op 20% van het bruto bedrag) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 174.702,13.
Daarbij dient te worden opgeteld het (netto) oplichtingsbedrag dat door de betrokkene is verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 2, te weten € 22.640,00.
Dit levert op een door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel van € 197.243,13.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het gerechtshof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op het hiervoor genoemde bedrag.
Gijzeling
Het gerechtshof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet betaling op 540 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.