Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:2247

Tribunal

Den Haag

Date

7 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rolnummer: 22-003495-25

Parketnummer: 10-134474-25

Datum uitspraak: 7 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,

  • tegen de vagina en/of de billen en/of het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,

  • die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en/of vastgehouden,

  • die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,

  • heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,

  • zijn broek heeft uitgetrokken en/of zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en/of

  • zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

  • slaan met zijn hand tegen de vagina en/of de billen en/of het dijbeen van die [slachtoffer] , en/of

  • duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,

  • te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,

  • zijn broek uit te trekken en/of zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en/of

  • die [slachtoffer] op haar armen te krabben.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.

Verzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.

Het hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Uit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.

Hier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord "off the record, nee, on the record ja".

Onder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.

Voorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t/m 16):

het relaas van één van de verbalisanten:

Ik hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:

“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”

Het hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.

In hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

De benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Gelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.

Plus de Décisions