Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:2261

Tribunal

Den Haag

Date

6 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rolnummer: 22-001916-23

Parketnummer: 10-010101-22

Datum uitspraak: 6 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/buik en/of in de rug en/of in de lies, althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat de overwegingen van het hof ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren deels anders komen te luiden dan die van de rechtbank en het hof bovendien tot een andere strafoplegging komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen,althans eenmaal,met een mes,althans een scherp en/of puntig voorwerp,in de borst/buik en/ofin de rug en/ofin de lies, althans in het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

De strafbaarheid van het tenlastegelegde feit

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld dat de verdachte zich in de Zoutziedersstraat te Rotterdam geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke,

wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] (hierna ook:

[slachtoffer] ), waartegen de verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] zou de verdachte namelijk hebben willen beroven en daartoe de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht. Hierbij heeft hij de verdachte bij zijn nek beetgepakt, hem verwurgd door aan zijn kettingen te trekken en herhaaldelijk gezegd dat hij de verdachte zou doden. De verdachte voelde zich hierdoor volgens de raadsvrouw ernstig bedreigd. Hij kreeg geen adem meer en voelde iets scherps tegen de zijkant van zijn nek drukken. Er was sprake van paniek bij de verdachte.

Hij kon zich niet onttrekken aan de verwurging en kon zich niet anders verdedigen dan

met het zakmes dat hij (toevallig) bij zich had.

De verdachte heeft meerdere malen gestoken omdat [slachtoffer] , ook nadat hij hem voor het eerst gestoken had, niet losliet en zijn keel bleef dichtdrukken. Daarbij haalde [slachtoffer] met zijn vrije arm naar hem uit en bleef hij roepen dat hij hem zou doodmaken.

Onder die omstandigheden kan hem volgens de raadsvrouw niet worden verweten dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer

alleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van

eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke

aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend

gevaar voor zo'n aanranding.

Het hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting ten aanzien van

het ten laste gelegde feit uit van de volgende vaststaande feiten.

Op 12 januari 2022 rond 19.00 uur is [slachtoffer] op het trottoir van de

Zoutziederstraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Rotterdam door messteken om het leven

gekomen. De verdachte is degene geweest, zoals ook door hem is bekend, die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het lichaam van [slachtoffer]

onderzocht.

Vastgesteld is dat er aan diens lichaam vijf steekverwondingen zijn toegebracht,

waarvan er twee zo waren toegebracht dat zij ook afzonderlijk van elkaar het overlijden van

[slachtoffer] hebben veroorzaakt.

Verder staat vast dat noch op het lichaam van [slachtoffer] , noch in zijn kleding enig wapen,

mes of ander voor afdreiging geschikt voorwerp is aangetroffen.

Verklaringen verdachte

De verdachte heeft zich bij de politie op 26 januari 2022 beroepen op zijn zwijgrecht.

Bij de politie heeft de verdachte vervolgens op 1 februari 2022 verklaard dat hij na een bezoek aan de juwelier naar zijn auto liep. Hij zag een jongen op hem afkomen. Die jongen zei tegen hem: 'heb je een vuurtje voor me?'. Hierop zei verdachte dat hij geen vuurtje had. Die jongen bleef naar hem toelopen en voordat de verdachte het wist greep hij naar zijn nek en naar zijn kettingen. De verdachte probeerde zichzelf los te rukken. Hij zei tegen hem: 'Geef alles, want ik maak je dood. Ik maak je dood nu meteen'.

Hij kreeg zichzelf niet los. Hij was helemaal in paniek en dacht dat de jongen hem dood ging maken. Hij kreeg geen lucht meer. Hij meende op dat moment dat hij zichzelf moest verdedigen.

Hij had een mes in zijn jaszak en heeft dat gepakt. Hij heeft naar hem gestoken, maar

kwam nog steeds niet los. Die jongen zei: 'Ik ga je doodmaken, ik ga je doodmaken, kankerlijer'. Hij was zo in paniek en heeft daarna nog een keer gestoken.

Op een gegeven moment raakte die jongen los van de verdachte en hij zag dat hij op de grond lag. Hij is toen weggerend naar zijn auto.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2023 verklaard dat hij vanuit de juwelierszaak [naam juwelier] gelegen aan de Grote Visserijstraat is overgestoken

naar zijn auto (Seat), die op de Zoutziedersstraat stond geparkeerd. Hij heeft het portier van zijn auto geopend en is schuin op de bestuurdersstoel gaan zitten, waarbij zijn voeten nog op straat stonden. Nadat hij zich met zijn zojuist gekochte kettingen in de autospiegel had bekeken en zijn vest weer dicht had gedaan werd hij, terwijl het portier nog open stond, aangesproken door een man, het later slachtoffer, die hem om een vuurtje vroeg. De verdachte zei dat hij geen vuurtje had. Het slachtoffer was voorbij het openstaande portier gelopen en greep naar de kettingen van de verdachte en zijn keel. Hij zette zijn andere hand in de nek van de verdachte. Hij zei dat de verdachte alles moest geven, anders zou hij hem dood maken. De verdachte voelde ook iets scherps in zijn nek.

Hij heeft toen een uitklapmes uit zijn rechterzak gehaald, heeft het open geklikt en heeft het slachtoffer gestoken. [slachtoffer] bleef hem wurgen en sloeg op zijn arm. Daarna heeft de verdachte hem nog meermalen gestoken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als in eerste aanleg.

Camerabeelden

Op camerabeelden van de bewakingscamera's van de juwelierszaak [naam juwelier] is te zien

dat de verdachte om 18:52:23 uur de winkel verlaat en de Grote Visserijstraat oversteekt in

de richting van de Zoutziederstraat . Op dat moment heeft de verdachte zijn jas tot boven toe

dichtgeritst en bevinden de drie halskettingen van de verdachte zich uit het zicht, onder zijn kleding.

Om 18:52:50 loopt de verdachte de Zoutziederstraat in.

Zeventig seconden later, om 18:54:00 uur, komt de verdachte uit de Zoutziederstraat gerend,

keert om en rent terug de Zoutziederstraat in.

De Seat van verdachte rijdt vervolgens om 18:54:24 uur weg in de richting van de Mathenesserdijk.

Het hof constateert op grond van de tijdstippen van die camerabeelden dat het gehele incident in de Zoutziedersstraat hooguit anderhalve minuut heeft geduurd.

Verklaringen getuigen

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog in zijn reisbureau aan de [adres] aan het werk was, toen hij stemverheffingen op straat hoorde. Hierna hoorde hij mensen tegen elkaar schreeuwen. Hij had geen zicht op wat zich buiten afspeelde.

Getuige [getuige 2] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door een

vriend met zijn auto in de Zoutziederstraat werd afgezet en bij aankomst verderop in de

straat twee mannen elkaar zag duwen en trekken. Hij zag beiden druk met hun armen

bewegen. Eén van die mannen stond op enig moment tegen een muur geleund en deed niets, terwijl de andere man korte bewegingen naar de leunende man maakte. Kort daarna zag hij de leunende man op de grond vallen. De andere man rende in eerste instantie weg, maar kwam daarna terug, stapte in een auto en reed weg.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in de Zoutziederstraat op een vriendin stond te wachten toen zij geschreeuw hoorde. Ze zag toen verderop in de straat twee jongens, waarvan één een aantal keer in de lucht sprong. Deze jongen viel daarna op de grond.

De andere jongen vluchtte daarop weg.

Conclusie hof

Uit bovengenoemde getuigenverklaringen leidt het hof af dat op dat moment geen andere personen bij de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest en dat beiden hoorbaar en met stemverheffing ruzie met elkaar aan het maken waren. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem vanaf het eerste moment met zijn hand zou hebben gewurgd, waardoor hij geen adem kon krijgen, verdraagt zich hiermee niet.

Géén van de getuigen verklaart dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het openstaande

portier en de auto van de verdachte, zou hebben gestaan; zij spreken allen over een

confrontatie op de stoep, zelfs bij of tegen de muur.

Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat op de kettingen van de verdachte, waarop [slachtoffer] het volgens de verdachte had gemunt, in het geheel geen DNA van [slachtoffer] is aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft hij die kettingen nadien niet meer schoongemaakt (dat was immers al bij de juwelier gebeurd). [slachtoffer] zou het op die kettingen voorzien hebben en de verdachte werd door [slachtoffer] naar zijn zeggen zo stevig in de hals gegrepen dat daardoor zelfs twee van de kettingen in de verwurging zouden zijn gebroken. In die situatie was de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] , die geen handschoenen droeg, op die kettingen te verwachten geweest. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus niet ondersteund.

De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, hem probeerde te

wurgen en te beroven, acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.

Noch in het dossier, noch in het verhandelde ter zitting vindt het hof enig aanknopingspunt

voor het door de verdachte geschetste scenario.

Dat geldt evenzeer voor de stelling van de verdachte dat hij mogelijk het slachtoffer zou zijn

geworden van een complot, een vooropgezet plan van [slachtoffer] en zijn vrienden waarbij hij in de juwelierszaak is geobserveerd en daarna van zijn kettingen zou worden beroofd.

Voorts overweegt het hof dat de gedragingen van de verdachte na het neersteken van [slachtoffer] - waaronder het niet inschakelen van hulp of van de politie, het achterlaten van het

zwaargewonde slachtoffer, het vluchten van de plaats delict en vervolgens het vertrekken naar het buitenland - het door de verdachte geschetste verhaal in belangrijke mate ondergraven.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het noodweerverweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Indien het hof het beroep op noodweer niet zal honoreren, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, nu hij door de aanval van [slachtoffer] helemaal in paniek is geraakt en hij dacht, toen [slachtoffer] zijn keel dichtkneep en hij iets scherps in zijn nek voelde, dat hij dood gemaakt zou worden. Derhalve is er bij de verdachte sprake geweest van een hevige gemoedsopwelling die het gevolg was van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .

Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvoor van de kant van het slachtoffer toen de verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes stak is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.

Dit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het toentertijd 22-jarige slachtoffer [slachtoffer] , door hem op zeer gewelddadige wijze te steken in diens borst/buik, rug en lies. Ten gevolge van het door de verdachte toegepaste geweld is [slachtoffer] enkele minuten later op het trottoir overleden. De verdachte heeft daarmee een hem onbekende jongeman van het ene op het andere moment het leven ontnomen.

Een motief van de verdachte is niet duidelijk geworden.

Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij het slachtoffer, nadat hij hem meermalen had gestoken en op straat was gevallen, volledig aan zijn lot heeft overgelaten en zelfs geen poging heeft ondernomen om (medische) hulp voor hem in te schakelen. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte vastgehouden aan een uit de lucht gegrepen complotscenario en heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

De verdachte heeft de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed bezorgd. Zij moeten leven in de wetenschap dat hun (klein)zoon, broer, neef en vriend, in de bloei van zijn leven, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaringen van de zus en moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep.

Verder is het feit middenin een woonwijk gepleegd en zijn voorbijgangers getuige geweest van het enorm gewelddadige feit. Dat is voor de getuigen erg beangstigend geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, zij het lang geleden,

te weten in 2006, onherroepelijk is veroordeeld voor een poging doodslag in vergelijkbare omstandigheden.

Rapportages

Omtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten opgemaakt.

Uit de Pro Justitia rapportage van 18 november 2022, opgemaakt en ondertekend door J. Vreugdenhil, psychiater, en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan dit rapport heeft geweigerd.

Bij de verdachte kon als gevolg van zijn weigering geen psychische stoornis worden vastgesteld, doch deze kon ook niet worden uitgesloten.

Er zijn wel een aantal opvallende observaties gedaan. Onderzoekers hadden graag nader

willen onderzoeken in hoeverre deze verklaard kunnen worden door een psychische

stoornis, en zo ja welke.

Als de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek had bepaald kunnen worden hoe het gesteld is met zijn intellectuele vermogens, of er sprake is van een

ontwikkelingsstoornis, persoonlijkheidsproblematiek en/of psychiatrische problematiek.

Ook hadden onderzoekers meer zicht hebben willen krijgen op de ernst van het

alcoholgebruik van de verdachte en in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een stoornis in alcoholgebruik.

Omdat de verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, kunnen geen uitspraken

worden gedaan over het risico op recidive vanuit een eventuele psychische stoornis.

Op verzoek van de verdediging is de verdachte vervolgens onderzocht door een psycholoog

en een psychiater. De verdachte heeft hieraan wel zijn medewerking verleend.

Psychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

21 december 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Bij de verdachte kan op basis van de anamnese en het onderzoek alsmede bestudering van de stukken geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld.

Gelet op het niet constateerbaar zijn geweest van een psychiatrische ziekte of gebrek, een

psychiatrische stoornis, kan men niet opmerken dat de wilsbepaling van de verdachte hierdoor verminderd zou zijn geweest. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dossiergegevens aanwijzingen bevatten dat er wel alcohol- en agressieproblematiek bestaat.

Ten aanzien van het risico van herhaling van gewelddadig gedrag overweegt de psychiater dat hij tot een matig risico komt, nu er enige zorg bestaat over het misbruik van middelen (alcohol). Dit naar aanleiding van de aanhouding voor het rijden onder invloed in 2019 en informatie van referenten. Om het recidiverisico te verkleinen zou volgens de psychiater gefocust kunnen worden op het omgaan met agressie en het gebruik van alcohol. Dit zou kunnen binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: ook GVM) ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Psycholoog mr. drs. R.A. Sterk heeft een rapport over de verdachte opgemaakt,

gedateerd 26 januari 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Er is bij de verdachte, met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek, geen

psychische problematiek in engere zin geconstateerd en evenmin is er sprake van een

persoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er geen sprake geweest

te zijn van psychische problematiek.

De verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Deze risicotaxatie dient wel met de nodige terughoudendheid worden gebruikt in verband met de beperkingen van het onderzoek. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, adviseert de psycholoog om een GVM te overwegen zodat verdachte na detentie behandeling dan wel begeleiding kan ontvangen indien daartoe behoefte bestaat.

In het reclasseringsrapport van 24 maart 2023 wordt geadviseerd om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden indien hij schuldig wordt bevonden. Met name het gedeeltelijk ontkennen van het delict waarbij een jong persoon is overleden is risicovol vanwege het mogelijke forse alcoholgebruik en de proceshouding waarin de verdachte geen medewerking verleent aan onderzoek. De kans op recidive kan zo worden beperkt waardoor de veiligheid in de samenleving kan worden gewaarborgd.

Uit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2024 blijkt dat het, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is om vanuit reclasseringsperspectief een goed gefundeerd advies te geven.

De strafoplegging

Het hof acht de verdachte op grond van de conclusies in bovengenoemde rapporten volledig toerekeningsvatbaar.

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is geëist, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1

van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele

vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig

gehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.

Het hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep is ingesteld op 27 juni 2023 en eindarrest wordt gewezen op 6 juli 2026. Derhalve is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met 20 maanden.

Bij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de

onderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.

De vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.

Dit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient

te worden verminderd met 6 maanden.

Rekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het

hof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maandenopleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht

Het hof heeft gelet op genoemde conclusies van de deskundigen Kemperman en Sterk, alsmede het reclasseringsrapport van 24 maart 2023.

Deskundige Kemperman heeft gesteld dat het recidiverisico kan worden verkleind binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr. Deskundige Sterk heeft geadviseerd om een GVM te overwegen, zodat de verdachte na zijn detentie begeleiding en behandeling kan krijgen. De reclassering heeft in het meest recente rapport ook geadviseerd een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden.

Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken, alsmede het feit dat het niet de eerste keer is dat de verdachte iemand met een mes heeft neergestoken en hij in de onderhavige zaak ook een mes op zak had en heeft laten zien dit ook daadwerkelijk te gebruiken.

Het hof zal derhalve - anders dan de rechtbank - in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient de maatschappij te worden beschermd tegen de verdachte, aangezien er een groot risico is op herhaling van geweldsfeiten en de kans aanwezig is dat het recidiverisico na ommekomst van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan.

De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] (vader van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde, geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.

De in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).

Het bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking

komt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde en niet betwiste immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding overeenkomt met genoemd Besluit leent de geleden immateriële schade zich voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (moeder van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 32.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan shockschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist ten aanzien

van de affectieschade en ten aanzien van de shockschade niet betwist tot een bedrag van

€ 5.000,00.

Affectieschade

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.

De in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).

Het bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking

komt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding bovendien overeenkomt met genoemd Besluit en de vordering in zoverre niet wordt betwist, zal de vordering ter zake van de affectieschade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Shockschade

Mr. Backer heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitaantekeningen ten aanzien van de gevorderde shockschade gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan.

Na de sectie is de moeder van het slachtoffer geconfronteerd met het gehavende, levenloze lichaam van haar zoon en heeft zij de steekverwondingen waargenomen waaraan hij is overleden. Het uit die confrontatie voortgekomen geestelijk letsel is door een psycholoog vastgesteld. De benadeelde partij heeft nog steeds consulten ter verwerking van het psychisch trauma dat zij heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Voorts blijkt dat zij medicatie gebruikt.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de

jurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.

Voor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden

de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële

shockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het

Burgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.

Bij de toepassing van voormelde bepaling van het BW ook in zaken als de onderhavige,

waarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen heeft de Hoge

Raad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.

Bij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de

doodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.

Het hof leidt uit de toelichting op de gestelde shockschade en de overgelegde stukken af dat bij de benadeelde partij serieuze psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast.

Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de benadeelde partij shockschade heeft opgelopen en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof mede gelet heeft op het toegewezen bedrag ter zake van affectieschade - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] (oom van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als

gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00 aan begrafeniskosten.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de gevorderde kosten door de benadeelde partij niet zijn onderbouwd zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte voorts op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 januari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

12 januari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Harteveld, als voorzitter, en mr. A. de Lange en

mr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2026.

Mr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Plus de Décisions