[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-402":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-402":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1019","ECLI:NL:GHDHA:2026:402","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.336.571\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F653878 \u002F HA ZA 23-225\n\nArrest van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap Verknocht B.V.,\n\ngevestigd in Schiedam,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. C.A.M. Jansen, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Vereniging van Eigenaars Flatgebouw [naam flatgebouw] aan de [adres] te [plaats],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngeïntimeerden 2 t\u002Fm 74: leden VvE,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. Y. Hilderink, kantoorhoudend in Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna Verknocht en de VvE.1. De zaak in het kort1.1. In deze procedure gaat het om de vraag of de buitenruimte gelegen op het dak van de parkeergarage en de hellingbaan van het flatgebouw [naam flatgebouw] gemeenschappelijk eigendom is dan wel deel uitmaakt van het privé gedeelte van appartementsindex [1] , het appartement van Verknocht.1.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de buitenruimte en hellingbaan niet bij appartementsindex [1] horen, maar bij de gemeenschappelijke gedeelten van het flatgebouw. Het hof oordeelt anders: de buitenruimte en de hellingbaan behoren niet tot de gemeenschappelijke zaken, maar tot het privégedeelte van appartementsindex [1] , zodat Verknocht daar het exclusieve gebruiksrecht van heeft. De vorderingen van de VvE over de vergoeding van de kosten van het plaatsen van het hekwerk en de kosten voor wijziging van de splitsingsakte wijst het hof af.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 18 oktober 2023, waarmee Verknocht in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2023;\n\nde memorie van grieven van Verknocht, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van de VvE, met bijlagen.2.2. Op 27 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.3. Feitelijke achtergrond3.1. Verknocht is sinds 27 oktober 2020 eigenaar van appartementsindex [1] en [2] in een appartementencomplex aan de [adres] in [plaats] . Appartementsindex [2] is een parkeerplaats. Appartementsindex [1] was vanaf de oplevering van het appartementencomplex in 2001 een bedrijfsruimte, die in gebruik was als kinderdagverblijf.3.2. Verknocht is als eigenaar van appartementsrechten van rechtswege lid van de VvE. Vizier VvE Beheer is de (professioneel) beheerder van de VvE.3.3. \n\nDe splitsingsakte van 3 mei 2001 bepaalt, voor zover relevant:\n\n“SPLITSING.\n\nTer uitvoering van het vorenstaande wordt hierbij de onroerende zaak gesplitst in de volgende appartementsrechten:\n\n(…)\n\n [1] . het appartementsrecht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van maatschappelijke doeleinden en\u002Fof paramedische ruimten en\u002Fof een praktijkruimte en\u002Fof kinderdagverblijf en\u002Fof woonruimte op de tweede bouwlaag, met toebehoren, plaatselijk bekend [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [… 1] , appartementsindex [1] ; (…)\n\n [2] . het appartementsrecht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van drie parkeerplaatsen met inrit op buitenterrein (tweede bouwlaag), met toebehoren, plaatselijk ongenummerd, kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [… 1] , appartementsindex [2] ; (…)\n\n(…)\n\nVASTSTELLING REGLEMENT VAN SPLITSING\n\nAls reglement van splitsing, als bedoeld in artikel 111 sub d van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, zal gelden het Reglement van Splitsing zoals dat is vastgesteld door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (op 2 januari 1992) (…), welk reglement wordt beschouwd als in de onderhavige akte woordelijk te zijn opgenomen, voor zover daarin geen wijzigingen en aanvullingen worden aangebracht door het hierna opgenomen.\n\nAANVULLEND REGLEMENT.\n\n(…)8. Afwijking van artikel 17 lid 1 van het modelreglement.\n\nIn afwijking van het bepaalde in artikel 17 lid 1 van het modelreglement moet de eigenaar\u002Fgebruiker van het appartementsrecht met index 11[hof: partijen duiden die aan als het penthouse]dulden dat van de tot het privégedeelte van dit appartementsrecht behorende buitenruimte gebruik wordt gemaakt voor het aanbrengen van steigerapparatuur en dergelijke ten behoeve van het noodzakelijke gevelonderhoud.9. Bestemming\n\nDe bestemming van de privé-gedeelten als bedoeld in artikel 17 lid 4 van het modelreglement is:\n\n(...)\n\nvoor het appartementsrecht met index [1] : maatschappelijke doeleinden en\u002Fof paramedische ruimten en\u002Fof praktijkruimte en\u002Fof kinderdagverblijf en\u002Fof woonruimte (...)”3.4. \n\nHet in de splitsingsakte van toepassing verklaarde “Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992” bepaalt in artikel 9:\n\n“1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig:\n\n a. de funderingen, de dragende muren en de kolommen, het geraamte van het gebouw met de ondergrond, het ruwe metselwerk, alsmede de vloeren met uitzondering van de afwerklagen in de privé gedeelten, de buitengevels, waaronder begrepen de raamkozijnen met glas, de deuren welke zich in de buitengevel bevinden of de scheiding vormen tussen het gemeenschappelijk en het privé gedeelte, de balkonconstructies, de borstweringen, galerijen, de terrassen en de gangen, de daken, de schoorstenen en de ventilatiekanalen, de trappenhuizen en de hellingbanen, het hek- en traliewerk voor zover het geen privé tuinafscheidingen betreft, alsmede het (standaard) hang- en sluitwerk aan kozijnen welke aan de buitengevel van het gebouw zitten;”3.5. \n\nArtikel 10 van het modelreglement luidt als volgt:\n\n“Indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of een zaak al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten en\u002Fof de gemeenschappelijke zaken behoort, wordt hierover beslist door de vergadering.”3.6. Artikel 17 lid 1 van het modelreglement bepaalt dat iedere eigenaar en gebruiker het recht op uitsluitend gebruik van zijn privé gedeelte heeft mits hij de andere eigenaars en gebruikers niet onredelijk hindert.3.7. Artikel 18 lid 3 van het modelreglement bepaalt dat voor het verrichten van een handeling met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten of gemeenschappelijke zaken iedere eigenaar en gebruiker verplicht is mee te werken door toegang te geven tot en het gebruik toe te staan van een privé gedeelte.3.8. \n\nArtikel 38 van het modelreglement luidt, voor zover van belang:\n\n4. “Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de besluiten der vergadering, voor zover dit redelijkerwijze van hem verlangd kan worden.(…)”3.9. \n\nVan de splitsingsakte van 3 mei 2001 maakt ook een splitsingstekening uit. Daarover staat op het tweede blad van de splitsingsakte achter “E” te lezen: “De onroerende zaak is (…) uitgelegd in een tekening als bedoeld in artikel 109 tweede lid van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, welke tekening aan deze akte is gehecht.\n\nDe tekening is goedgekeurd door de hypotheekbewaarder te Rotterdam, zulks blijkens aantekening de dato één mei tweeduizend één.\n\nOp de tekening is duidelijk met dikke omlijning aangegeven de begrenzing van de gedeelten van de onroerende zaak, welke bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.”3.10. Het deel van de splitsingstekening waarop appartementsindex [1] is weergegeven ziet er als volgt uit waarbij de daarop aangegeven buitenruimte in het kader van de onderhavige procedure door Verknocht rood is gearceerd. \n\n3.11. \n\nVolgens een notariële akte van 30 augustus 2001 is op die datum aan de Stichting [kinderopvang] (hierna ook te noemen: [kinderopvang] ) de eigendom geleverd van, voor zover hier van belang:\n\n“ het appartementsrecht, (...) appartementsindex [1] , welk appartementsrecht omvat:\n\na. het (35\u002F755e) onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit een perceel grond gelegen te [plaats] aan de [adres] (…) met (…) het flatgebouw (…) plaatselijk bekend [adres] (oneven) te [postcode en plaats] ;\n\nb. de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van (ruimten voor) maatschappelijke doeleinden en\u002Fof paramedische ruimten en\u002Fof een praktijkruimte en\u002Fof kinderdagverblijf (inclusief speelterrein) en\u002Fof woonruimte op de tweede, bouwlaag, met toebehoren, plaatselijk bekend [adres] te [plaats] .”3.12. Daarna is dit appartementsindex [1] , inclusief een buiten-speelplaats, gebruikt als kinderdagverblijf.3.13. In het najaar van 2008 heeft de VvE, met een bouwvergunning, een hekwerk laten plaatsen op de grens van de buitenruimten bij appartementsindex [1] en appartementsindex [2] , onder meer om inklimming van de speelplaats over het garagedak te voorkomen (hierna: het hek).3.14. Volgens een notariële akte van 27 oktober 2020 is op die datum aan Verknocht hetzelfde aandeel in de gemeenschap en het exclusief gebruiksrecht, zoals omschreven in de leveringsakte genoemd in rov 3.11, geleverd.3.15. Verknocht heeft appartementsindex [1] gesplitst in twee woningen. Voor deze verbouw van het kinderdagverblijf naar twee appartementen heeft de gemeente [plaats] een omgevingsvergunning verstrekt.3.16. De twee appartementen worden door Verknocht verhuurd en hebben nu twee huisnummers ( [nummers 1] ).3.17. \n\nHet Huishoudelijk Reglement 2020-2025 van de VvE bepaalt met rode letters:\n\n“Artikel 3.19 (vervallen)\n\nLeveranties aan het Kinderdagverblijf “ [naam kinderdagverblijf] ” dienen in principe te worden uitgevoerd via de eigen ingang van “ [naam kinderdagverblijf] ”.”\n\n3.18. \n\nDe heer [medewerker notariskantoor] (hierna: [medewerker notariskantoor] ), medewerker bij [notariskantoor] Notarissen, heeft bij e-mailbericht van 29 oktober 2021 onder meer geschreven:\n\n“Verder wordt in de splitsingsakte, in de omschrijving van appartementsrecht [1] , ook genoemd woonruimte met toebehoren.\n\nDe vraag is wat onder “toebehoren” wordt verstaan.\n\nWellicht is het raadzaam in de akte ondersplitsing dezelfde omschrijving te hanteren als in de splitsingsakte en “tuin” uit de omschrijving te verwijderen.”3.19. \n\nBij e-mailbericht van 5 augustus 2022 heeft [notaris] – de notaris ten overstaan van wie de splitsingsakte is gepasseerd – aan de advocaat van Verknocht geschreven, voor zover relevant:\n\n“Wat mij betreft en ik schrijf dat als de notaris, destijds verantwoordelijk voor de akte van splitsing, is er geen twijfel mogelijk.\n\nDe dikke zwarte omlijning is allesbepalend.\n\nAppartement [1] omvat mede ook het uitsluitend gebruiksrecht van de buitenruimte en hellingbaan. De omschrijving in de akte van splitsing is ondergeschikt aan de toepasselijke, aan de akte gehechte, tekening.\n\nZeker bij een invulling met niet wonen komt wel vaker voor dat de omschrijving niet exact omschrijft wat de tekening wel, als uitsluitend gebruiksrecht bestempeld.(Dat komt omdat de akte in de praktijk wordt opgemaakt, vóór dat de bouw start en bovendien de feitelijke invulling na realisatie kan wijzigen).\n\nAls kinderdagverblijf was een eigen rechtstreekse ontsluiting en buitenruimte een vereiste en daarom kreeg dit ook op deze wijze vorm.”3.20. Tussen Verknocht en het VvE-bestuur ontstond een geschil of de buitenruimte al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten van het complex behoort. Verknocht heeft bij de VvE-vergadering een stemverzoek ingediend, inhoudende dat de buitenruimte, zoals aangegeven op de splitsingstekeningen (binnen de dik omlijnde gedeelten, aldus omvattende de voormalige speelplaats en de hellingbaan), behoort tot het privé gedeelte van appartementsrecht [1] .3.21. \n\nIn de notulen van de algemene ledenvergadering van de VvE van 2 november 2022 staat, voor zover van belang:\n\n“4. Ingebracht stemverzoek Verknocht\n\n (…)\n\nEr wordt overgegaan tot stemming over het gevraagde besluit.\n\nDe uitkomst is:\n\n93 stemmen voor, 510 stemmen tegen.\n\nBesluit: de vergadering besluit met een meerderheid aan stemmen niet akkoord te gaan met het gevraagde besluit van Verknocht BV.”4. Procedure bij de rechtbank4.1. Verknocht heeft een verzoekschrift ingediend en samengevat primair verzocht een verklaring voor recht dat het besluit van de VvE van 2 november 2022 genoemd onder agendapunt 4 in de notulen (hierna: het stembesluit) nietig is, subsidiair i) een verklaring voor recht dat de buitenruimte en de hellingbaan toebehoort aan appartementsindex [1] en privé eigendom is van de eigenaar(s) van appartementsindex [1] en ii) vernietiging van het stembesluit van 2 november 2022 en schorsing van dat besluit totdat op het onderhavige verzoek onherroepelijk is beslist en meer subsidiair het treffen van een zodanige maatregel die redelijk en aangewezen wordt geacht, met veroordeling van de VvE in de proceskosten, waarbij Verknocht wordt uitgezonderd.4.2. De VvE stelt zich op het standpunt dat de buitenruimte en de hellingbaan behoren tot de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementencomplex, zoals de VvE in haar vergadering van 2 november 2022 ook heeft besloten. Dit stembesluit is volgens de VVE nietig noch vernietigbaar.4.3. Bij mondelinge uitspraak van 30 januari 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de onderhavige zaak geen verzoekschriftprocedure, maar een dagvaardingsprocedure betreft. De kantonrechter overwoog dat de splitsingsstukken bepalend zijn voor de omvang van het appartementsrecht en dat een besluit van de vergadering geen wijziging kan brengen in de omvang van de gedeelten die dienen tot het uitsluitend gebruik van een appartementseigenaar. Een dergelijk besluit is in strijd met de wet en dus nietig, art. 2:14 BW. Of Verknocht al dan niet eigenaar is van een recht met uitsluitend gebruik van de buitenruimte moet volgens de kantonrechter in een dagvaardingsprocedure in rechte worden vastgesteld. Om die reden heeft de kantonrechter bevolen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.4.4. Vervolgens heeft Verknocht de VvE gedagvaard voor de rechtbank en na voorwaardelijke vermeerdering en na vermindering van eis gevorderd: i) een verklaring voor recht dat de buitenruimte plus hellingbaan, zoals rood gearceerd (hof: zie hierboven onder rov. 3.10), hoort bij appartementsindex [1] , dus bij het appartementsrecht van Verknocht, en ii) voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat de kantonrechter niet al bij de mondelinge uitspraak van 30 januari 2023 een uitspraak heeft gedaan over de nietigheid of vernietigbaarheid van het stembesluit: te verklaren voor recht dat het stembesluit van 2 november 2022 nietig is; iii) dit stembesluit te vernietigen en iv) hoofdelijke kostenveroordeling, met uitzondering van Verknocht.4.5. De VvE heeft na eiswijziging in reconventie gevorderd veroordeling van Verknocht om: 1. binnen dertig dagen na datum vonnis aan het bestuur ter goedkeuring voor te leggen een voorstel tot het op kosten van Verknocht aanpassen van het bellentableau, zodat huisnummer 167 wordt aangesloten op het systeem van het bellentableau, en bij afwijzing van het voorstel door het VvE bestuur steeds binnen twee weken na afwijzing een nieuw voorstel te doen en te herhalen totdat het voorstel door het bestuur van de VvE is goedgekeurd; 2. binnen dertig dagen na goedkeuring van het voorstel opdracht te geven voor het uitvoeren van de werkzaamheden, met dien verstande dat die werkzaamheden in ieder geval binnen een jaar na goedkeuring dienen te zijn uitgevoerd, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00; 3. binnen dertig dagen na datum vonnis ter goedkeuring voorleggen aan het VvE bestuur van een voorstel tot het op kosten van Verknocht aanpassen althans vervangen van het brievenbuspaneel van flatgebouw [naam flatgebouw] , inhoudende dat huisnummer 167 een brievenbus krijgt en dat sprake is van doorlopende nummering van alle brievenbussen en bij afwijzing van het voorstel door het VvE bestuur steeds binnen twee weken na afwijzing een nieuw voorstel te doen en te herhalen totdat een voorstel wordt gedaan dat door het VvE bestuur wordt goedgekeurd en 4. binnen dertig dagen vanaf de dag na goedkeuring van het voorstel door het VvE bestuur opdracht te geven voor de in het goedgekeurde voorstel genoemde werkzaamheden, met dien verstande dat die werkzaamheden in ieder geval binnen een jaar na goedkeuring dienen te zijn uitgevoerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. In voorwaardelijkereconventie – indien de vordering onder I in het petitum van de dagvaarding zal worden toegewezen – heeft de VvE gevorderd: 1. veroordeling van Verknocht tot betaling van € 24.863,86 ter zake van de kosten van het hek en € 10.000,00 aan legeskosten, te vermeerderen met rente en 2. veroordeling van Verknocht tot betaling van de met een wijziging van de akte van splitsing gemoeide kosten, met veroordeling van Verknocht in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met rente.4.6. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 juli 2023 zowel de conventionele als de reconventionele vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft in conventie– kort samengevat – overwogen dat de splitsingstekening pleit voor het standpunt van Verknocht dat de buitenruimte bij appartementsindex [1] hoort omdat hierop duidelijk te zien is dat de buitenruimte valt binnen de dikke lijnen die op de tekening de grenzen van appartementsindex [1] weergeven. De splitsingsakte pleit echter voor het standpunt van de VvE, aldus de rechtbank. In de splitsingsakte staat namelijk niet dat er een buitenruimte bij appartementsindex [1] hoort. De buitenruimte valt niet onder de bewoordingen “met toebehoren”. De buitenruimte heeft het karakter van een terras, een dak van de parkeergarage en\u002Fof een hellingbaan en deze behoren op grond van art. 9 lid 1 van het splitsingsreglement tot de gemeenschappelijke delen. De splitsingsakte geeft naar het oordeel van de rechtbank de doorslag omdat de splitsingsakte meerdere aanwijzingen bevat die pleiten in het voordeel van de VvE. Daarnaast zijn de rechtsgevolgen van gemeenschappelijk eigendom van de buitenruimte aannemelijker dan de rechtsgevolgen van het privébezit daarvan. De rechtbank concludeert dat de objectieve uitleg van de splitsingsstukken meebrengt dat de buitenruimte onderdeel is van de gemeenschappelijke delen van het flatgebouw en dus behoort tot het eigendom van de gezamenlijke appartementseigenaren.In reconventieheeft de rechtbank over de vorderingen met betrekking tot de eigen bel en brievenbus die bij het adres [adres] ontbreken overwogen dat de VvE niet heeft toegelicht wat de juridische grondslag daarvan is. De vorderingen kunnen niet worden gebaseerd op art. 38 lid 4 van het splitsingsreglement. De rechtbank wijst daarom deze vorderingen af. De voorwaardelijke vorderingen (de kosten van het hek en wijziging van de splitsingsakte) heeft de rechtbank inhoudelijk niet behandeld omdat de voorwaarde waaronder deze waren ingesteld niet werd vervuld.5. Vordering in hoger beroep5.1. Verknocht vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van Verknocht (verwoord in elf grieven) op het volgende. Verknocht vindt dat de rechtbank ten onrechte de splitsingstekening niet leidend heeft geacht omdat daarmee de splitsende partijen, de betrokken notarissen en de splitsingstekenaar in zouden zijn gegaan tegen het Burgerlijk Wetboek, de Kadasterwet en de Uitvoeringsregeling Kadasterwet. Verder wijst Verknocht op de volgende feiten en omstandigheden: a) de dikke belijning op de splitsingstekening waarbinnen de privé gedeelten zijn getekend en de beschrijving van de buitenruimte als “terras” op de splitsingstekening, terwijl andere onderdelen juist de beschrijving “dak” hebben; b) de beleidsregels voor kinderdagverblijven die voorschrijven dat een kinderdagverblijf de beschikking moet hebben over een buitenruimte; c) er zijn geen erfdienstbaarheden gevestigd ten behoeve van appartementsindex [1] , terwijl het kinderdagverblijf (de rechtsvoorganger van appartementsindex [1] , hof) exclusief gebruik maakte van het speelterrein buiten; d) de hellingbaan en de buitenruimte geven (alleen) toegang tot appartementsindex [1] ; e) de kinderen van het kinderdagverblijf gingen via de hellingbaan naar het kinderdagverblijf en niet via de centrale hal; f) de gehele hellingbaan is afgesloten met een hekwerk, los van Verknocht (en haar huurders) hoeft niemand bij dit specifieke gedeelte aan de achterzijde van het complex te komen (zou de buitenruimte gemeenschappelijk zijn, dan zouden alle appartementseigenaars op het terras van Verknocht kunnen gaan zitten); g) art. 3.19 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat leveranties aan het kinderdagverblijf “ [naam kinderdagverblijf] ” in principe dienen te worden uitgevoerd via de eigen ingang van “ [naam kinderdagverblijf] ”; h) de buitenruimte wordt in de splitsingsakte gedekt met de terminologie “met toebehoren”; net als in de beschrijving van appartementsindex 11 is ook bij appartementsindex [1] de buitenruimte niet afzonderlijk naast “met toebehoren” in de beschrijving opgenomen; i) de VvE heeft jegens het kinderdagverblijf nooit aanspraak gemaakt op een overeenkomst of een formeel gebruiksrecht omdat het kinderdagverblijf gebruik zou maken van een gemeenschappelijke ruimte en j) de verklaring van notaris mr. [notaris] die destijds verantwoordelijk was voor de akte van splitsing, welke splitsing is verricht door Woning Stichting [plaats] die destijds (in 2001) ook appartementsindex [1] heeft verkocht en toen expliciet (namelijk met: “inclusief speelterrein”) ook de buitenruimte heeft geleverd. Het Modelreglement waar de VvE een beroep op doet, waarin staat dat de daken, terrassen en hellingbanen gemeenschappelijk zijn, is volgens Verknocht niet bepalend omdat het een model is, dat niet wil zeggen dat bij het opstellen daarvan overal goed bij de concrete situatie is stilgestaan. Er is nog een hellingbaan, die wel gemeenschappelijk is, te weten de hellingbaan die naast de hoofdentree ligt en die leidt naar de gemeenschappelijke parkeergarage en waarmee de VvE-leden toegang tot hun parkeerplaatsen krijgen. Geen van de leden van de VvE heeft zijn of haar appartement gekocht met het doel om ook het gebruik van de buitenruimte van Verknocht te verwerven. In de Funda advertenties van appartement 183 en 187 wordt met geen woord gerept over een gezamenlijk terras. Ten slotte doet Verknocht nog een beroep op verkrijgende verjaring dan wel bevrijdende verjaring.5.3. De VvE voert onder meer de volgende argumenten aan voor haar standpunt. De splitsingstekening is niet doorslaggevend en is ook niet een verbijzondering van iets wat in de splitsingsakte niet geregeld is. In het Modelreglement, die in de splitsingsakte van toepassing is verklaard, is uitdrukkelijk geregeld dat terrassen, daken en hellingbanen gemeenschappelijk zijn. In de artikelen 1 tot en met 18 van de splitsingsakte is uitvoerig beschreven op welke punten is afgeweken van het Modelreglement. Dat is niet gebeurd ten aanzien van de buitenruimte op het dak van de parkeergarage en de hellingbaan ten aanzien van appartementsindex [1] , terwijl bij het penthouse (appartementsindex […] ) wel uitdrukkelijk is afgeweken (art. 8 van de splitsingsakte). De buitenruimte en de hellingbaan vallen volgens de VvE niet onder de omschrijving “met toebehoren” omdat alle appartementen deze omschrijving kennen, terwijl daar onbetwist geen buitenruimten bij horen. Het was de bedoeling dat appartementsindex [1] naast de toegang via de hellingbaan ook toegankelijk zou zijn via de gemeenschappelijke entree met het adres aan de [adres] . Er is geen opstalrecht, erfdienstbaarheid of recht van overpad gevestigd ter zake van de buitenruimte, het terras of de hellingbaan omdat dit bij gemeenschappelijk eigendom niet nodig is. Met betrekking tot het beroep op verjaring stelt de VvE dat dit niet kan slagen omdat iemand slechts houder kan zijn van een perceel dat in de splitsing is betrokken.6. Beoordeling in hoger beroepIs de VvE ontvankelijk?6.1. Verknocht heeft bepleit dat de VvE niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de rechthebbende van het appartementsrecht aan de [adres] [3] (appartementsindex […] , met kadastrale aanduiding […] ) in rechte niet is opgeroepen en dat het vonnis vernietigd dient te worden omdat deze beslissing is genomen zonder dat alle eigenaren zijn opgeroepen. De VvE heeft niet betwist dat deze appartementseigenaar niet in deze procedure is gedagvaard.6.2. Het hof overweegt als volgt. De vordering tot vernietiging van het stembesluit van 2 november 2022 en de vordering voor recht te verklaren dat het stembesluit van 2 november 2022 nietig is hebben betrekking op de vaststelling van rechten en verplichtingen van de appartementseigenaars, en de beslissing op deze vorderingen bindt hen allen. De gevorderde verklaring voor recht dat de buitenruimte plus hellingbaan toebehoort aan appartementsindex [1] en dus privé aan Verknocht, betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit betekent dat de rechter op deze vorderingen slechts kan beslissen in een geding waarin alle appartementseigenaars zijn betrokken. Dit voorschrift geeft uitdrukking aan het in art. 6 EVRM en art. 19 Rv vervatte beginsel van hoor en wederhoor. De rechter moet er ambtshalve op toezien dat hieraan wordt voldaan.6.3. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank niet op de vorderingen had mogen beslissen zonder aan Verknocht eerst de gelegenheid te geven alle appartementseigenaars op te roepen om over de vorderingen te worden gehoord.Bij de meervoudige mondelinge behandeling bij het hof heeft de eigenaar van het appartement aan de [adres] [3] , [naam] , telefonisch een volmacht verleend, inhoudende dat mr. Hilderink, de raadsvrouw van geïntimeerden, mede uit haar naam de procedure mocht en mag voeren. Zij heeft telefonisch aan deze raadsvrouw niet alleen de volmacht verleend (of bevestigd), maar ook toegelicht dat zij vanaf het moment van het indienen van het verzoekschrift op de hoogte is gehouden van (het verloop van) de gerechtelijke procedure. Omdat hiermee de lacune is gerepareerd en het beginsel van hoor en wederhoor in acht is genomen, zal het hof Verknocht ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.6.4. \n\nDe VvE heeft nog opgemerkt dat Verknocht niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen tegen degenen die niet meer in het appartementencomplex wonen, maar inmiddels zijn verhuisd (geïntimeerden nummers 11, 12, 17, 18, 47 en 60). Omdat het vonnis (ook) beslissingen inhoudt over de proceskosten waarbij deze geïntimeerden betrokken waren, kan Verknocht belang hebben bij het hoger beroep tegen (ook) hen. Daarom zal het hof Verknocht niet niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen deze geïntimeerden.\n\nStembesluit nietig?6.5. Verknocht heeft voorwaardelijk gevorderd te verklaren voor recht dat het stembesluit van de VvE vergadering van 2 november 2022 nietig is, onder de voorwaarde dat de kantonrechter niet daarover al een uitspraak heeft gedaan.6.6. De voorwaarde is vervuld. In de mondelinge uitspraak heeft de kantonrechter weliswaar overwogen dat het besluit van de VvE nietig is, maar heeft dit niet in de dictum van de uitspraak opgenomen. In het dictum van de uitspraak is de zaak doorverwezen naar de dagvaardingsprocedure. Het hof komt dan ook toe aan een oordeel over deze vordering.6.7. Het hof wijst de vordering toe om de volgende reden. Wat de VvE beoogt met het bestreden besluit (het vaststellen dat de buitenruimte gemeenschappelijk is) brengt (mogelijk) een goederenrechtelijke (relevante) verandering in de omvang van appartementsindex [1] mee. Daarvoor is echter een wijziging van de splitsingsstukken vereist. De ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid verlangt immers dat verkrijgers van een appartementsrecht zich door raadpleging van de openbare registers op de hoogte kunnen stellen van de feiten die voor de (goederenrechtelijke) rechtstoestand van belang zijn, zodat de splitsingsstukken (akte van splitsing met reglement en de in art. 5:111 sub b BW bedoelde tekening) een juist beeld moeten geven van de omvang van de rechten en verplichtingen van de appartementsgerechtigden. Om benadeling van de appartementsgerechtigde te voorkomen is de wijziging van de akte van splitsing met waarborgen omkleed; art. 5:139 BW bepaalt dat wijziging van akte van splitsing slechts kan geschieden met medewerking van alle appartementseigenaren. In dit wettelijk stelsel ligt besloten dat niet kan worden volstaan met een eenvoudig, met meerderheid van stemmen genomen, besluit ingeval het gaat om het verlenen van toestemming voor het realiseren van goederenrechtelijk relevante wijzigingen in of aan het appartementengebouw.De VvE kan dus niet een bij de splitsing betrokken aandeel in het gebouw (een appartementsrecht) met een meerderheidsbesluit verkleinen of vergroten.6.8. \n\nDe conclusie luidt dat het stembesluit van de VvE vergadering (onder agendapunt 4) van 2 november 2022 nietig is op grond van art. 2:14 lid 1 BW in verbinding met art. 5:129 BW, omdat het zonder bijbehorende (met de vereiste meerderheid aangenomen) wijziging van de akte van splitsing in strijd is met de bestaande splitsingsakte. Daaraan doet niet af dat art. 10 van het Modelreglement 1992 bepaalt dat indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of een zaak al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten en\u002Fof de gemeenschappelijke zaken behoort, hierover wordt beslist door de vergadering, want een modelreglement kan niet in strijd met de wet een verandering laten aanbrengen in de omvang van de geleverde appartementsrechten. Omdat de nietigheid van het besluit voortvloeit uit de wet is naast de nietigverklaring geen aparte vernietiging van het besluit, zoals door Verknocht verzocht, nodig. De onder 4.4 weergegeven vordering ii) zal worden toegewezen en vordering iii) zal worden afgewezen.\n\nMaatstaf voor de bepaling van de omvang van appartementsindex [1]6.9. \n\nUitgangspunt is dat voor de vaststelling van het recht tot uitsluitend gebruik van een gedeelte van een in appartementsrechten gesplitst registergoed bepalend is wat daarover is vastgelegd in de op die splitsing betrekking hebbende splitsingsstukken (de notariële akte van splitsing, het reglement en de aan de minuut van die akte gehechte tekening), en dat het bij de uitleg daarvan aankomt op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de onderscheiden gedeelten van het gebouw en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening. De rechtszekerheid vergt dat voor de vaststelling van hetgeen tot de privégedeelten respectievelijk tot de gemeenschappelijke gedeelten behoort, slechts acht mag worden geslagen op de gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn. Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. In geval van tegenstrijdigheid tussen de akte van splitsing en de splitsingstekening kan niet op voorhand ervan worden uitgegaan dat hetzij de akte van splitsing, hetzij de splitsingstekening de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan juist weergeeft. De rechter zal aan de hand van de aan de splitsingsstukken te ontlenen aanwijzingen – waaronder de mate van gedetailleerdheid waarin de desbetreffende gedeelten zijn omschreven in de tekst van de akte onderscheidenlijk zijn weergegeven in de splitsingstekening, en dat wat overigens uit de splitsingsstukken valt af te leiden over de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan – en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden interpretaties zouden leiden, moeten bepalen of doorslaggevend gewicht toekomt aan de akte van splitsing dan wel aan de splitsingstekening. Onjuist is daarom dat in beginsel beslissende betekenis moet worden toegekend aan dat wat kan worden afgeleid uit de splitsingstekening of juist aan dat wat kan worden afgeleid uit de akte van splitsing.Indien splitsingsstukken die voor verschillende uitleg vatbaar zijn, verwijzen naar feitelijke kenmerken van het splitsingsobject, is het niet in strijd met een uitleg naar objectieve maatstaven om deze stukken mede aan de hand van waarneming van die feitelijke kenmerken uit te leggen. Voorts kan kennisneming van de situatie ter plaatse van belang zijn voor de beantwoording van de vraag welke uitleg van de splitsingsstukken tot de meest aannemelijke rechtsgevolgen leidt. Ook in dit opzicht kan het meewegen van de plaatselijke situatie dus verenigbaar zijn met een objectieve uitleg van de splitsingsstukken.\n\nSplitsingstekening en splitsingsakte6.10. Bepalend voor het antwoord op de vraag of de buitenruimte en de hellingbaan behoren tot het privé eigendom van Verknocht of tot de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex zijn dus de splitsingsstukken. Het hof is van oordeel dat over de splitsingstekening (zie hiervoor in rov. 3.10) de splitsingsakte – onder E op pagina 2 van de akte – terecht bepaalt dat op de tekening duidelijk met dikke omlijning de begrenzing van de gedeelten van de onroerende zaak, die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, is aangegeven. De splitsingstekening bevat een duidelijke systematiek van dikkere en dunnere lijnen. Zaken binnen de dikke lijnen zijn privégedeelten en horen dus bij het betreffende appartementsrecht en zaken daarbuiten (omgeven door dunne lijnen) zijn gemeenschappelijke gedeelten. De dikke zwarte belijning op de splitsingstekening van het appartementencomplex is evident (zie de tekening in rov. 3.10); deze belijning duidt er helder op dat de buitenruimte en de hellingbaan (door Verknocht rood gearceerd) behoren bij appartementsindex [1] omdat deze buitenruimte duidelijk valt binnen deze dikke lijnen die op de splitsingstekening de grenzen van appartementsindex [1] weergegeven. Volgens de tekening behoort de buitenruimte dus duidelijk bij appartementsindex [1] en behoort deze niet tot de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex.6.11. Niets in de splitsingsakte wijkt af van de splitsingstekening of wijst erop dat bedoeld is af te wijken van die tekening; de splitsingstekening en de splitsingsakte zijn niet contrair. Het hof is van oordeel dat, uitgaande van de gelijkwaardigheid van de splitsingsstukken en de eis dat uit oogpunt van rechtszekerheid afgegaan moet kunnen worden op wat in de registers bij het Kadaster staat, in deze de tekening doorslaggevend is omdat de tekening met de belijning volstrekt duidelijk is en gesteld noch gebleken is dat de (belijning in de) tekening niet klopt en de akte ook geen enkele duidelijke contra-indicatie geeft waaruit volgt dat de dikke lijnen niet (kunnen) kloppen.6.12. Zoals de VvE terecht heeft betoogd, kan uit de bewoordingen “met toebehoren” in de akte niet zonder meer worden gebracht dat de buitenruimte daar onder valt omdat alle appartementen de (algemene) omschrijving “met toebehoren” kennen, terwijl bij die appartementen, met uitzondering van het penthouse, geen buitenruimte hoort. Maar er is ook niets dat er op duidt dat de buitenruimte nietonder “met toebehoren” moet worden gebracht; ook het penthouse (appartementsindex 11) omvat alleen gebruik van de woning en parkeerbox “met toebehoren” zonder de aanwezige buitenruimte afzonderlijk te noemen. Het enkele feit dat in een omschrijving iets ontbreekt (bijvoorbeeld een buitenserre of balkon bij een appartement) betekent nog niet dat het feitelijk wel aanwezige, maar in de omschrijving ontbrekende, door anderen mag worden gebruikt, dus gemeenschappelijk is. De VvE lijkt het tegenovergestelde te betogen met haar stelling dat in afwijking van de tekening het gehele dak gemeenschappelijk is omdat “speelterrein” in de omschrijving van “kinderdagverblijf” ontbreekt. Ook hier dient door uitleg bepaald te worden wat tot het kinderdagverblijf behoort en het leidt voor het hof geen twijfel dat bij een school of kinderdagverblijf een speelterrein hoort. Het gebruik van het appartement dat volgens de splitsingsakte onder meer als kinderdagverblijf kan worden gebruikt omvat daarom ook het gebruik als speelterrein; het is een totaalvoorziening en wanneer het de bedoeling was dat een kinderdagverblijf zonder speelterrein was beoogd zou het voor de hand hebben gelegen dat dit in de akte zou staan. Verknocht heeft bovendien in dat kader onbetwist gesteld dat volgens de beleidsregels een speelruimte buiten ook een vereiste is voor een kinderdagverblijf. Notaris [notaris] , die zich destijds verantwoordelijk voelde voor de splitsingsakte en ten overstaan van wie de splitsingsakte is gepasseerd, heeft in dit verband verklaard dat de dikke zwarte omlijning allesbepalend is en dat bij een invulling met “niet wonen” het wel vaker voorkomt dat in de splitsingsakte (in woorden) niet exact wordt omschreven wat als uitsluitend gebruiksrecht wordt bestempeld. Dat komt volgens de notaris omdat de splitsingsakte in de praktijk wordt opgemaakt voordat de bouw is gestart en dat bovendien de feitelijke invulling na realisatie kan wijzigen, een opvatting die door de VvE niet is bestreden en het hof ook juist voor komt. Uit de overgelegde notariële akte van levering van 30 augustus 2001 blijkt dat destijds de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de ruimteinclusief speelterrein(buiten) is geleverd aan het kinderdagverblijf.6.13. Verder moet acht geslagen worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende interpretaties zouden leiden. Relevant in dit verband is artikel 2 lid b van de akte van splitsing, dat luidt: “De schulden en kosten verbonden aan het schoonhouden, verlichten, onderhouden -vernieuwing daaronder begrepen- en de daarvoor benodigde energie, water, etcetera, van de entree voor de woningen, het trappenhuis, de liften, liftinstallaties en de parkeergarage komen voor rekening van de eigenaars van de appartementsrechten met indices [nummers 2] in de onderlinge verhouding als is bepaald in artikel 2 derde lid”.Deze bepaling vormt naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat de buitenruimte en hellingbaan behoren tot appartementsindex [1] omdat appartementsindex [1] uitdrukkelijk is uitgesloten van het (mee) betalen aan kosten voor de gemeenschappelijke delen betreffende toegang tot de entree tot de appartementen, het trappenhuis, de liften, etcetera. Dit wijst erop dat appartementsindex [1] geen gebruik maakt van deze gemeenschappelijk gedeelten van het appartementencomplex, hetgeen ook voor de hand ligt als, zoals hier, het kinderdagverblijf een eigen entree had via de hellingbaan, zodat alle kinderen, ouders en personeel niet via de centrale hal naar het kinderdagverblijf hoefden te gaan. Voor het kinderdagverblijf was een eigen rechtstreekse ontsluiting vereist omdat het kinderdagverblijf een voor het publiek toegankelijke ruimte was. De hellingbaan waarover partijen discussiëren geeft ook alleen toegang tot appartementsindex [1] en niet tot de andere appartementen van het appartementencomplex.6.14. Dat Verknocht appartementsindex [1] heeft gekocht van het kinderdagverblijf om daar woningen te realiseren, maakt de uitleg van de splitsingsstukken niet anders omdat een verkrijging onder bijzondere titel de goederenrechtelijke verhoudingen niet wijzigt. Met andere woorden, voorgaande aanwijzingen en argumenten die pleiten voor het standpunt van Verknocht vervallen niet doordat het appartement door de rechtsopvolging nu voor woondoeleinden wordt gebruikt.6.15. De VvE heeft naar voren gebracht het belang van adequaat onderhoud van het dak van de parkeergarage. Voor dit onderhoud kan het volgens de VvE nodig zijn om het dak van de garage oftewel de buitenruimte te betreden. Als de buitenruimte bij appartementsindex [1] zou horen, zou het betreden van het dak van de parkeergarage niet mogelijk zijn zonder toestemming van de eigenaar van dat appartementsrecht. Wat betreft appartementsindex 11 (het penthouse) is dit volgens de VvE onder ogen gezien door in de splitsingsakte vast te leggen dat de eigenaar moet dulden dat van de tot het privégedeelte van dit appartementsrecht behorende buitenruimte gebruik wordt gemaakt voor het aanbrengen van steigerapparatuur en dergelijke ten behoeve van het noodzakelijke gevelonderhoud, maar de VvE wijst er op dat dit niet met betrekking tot appartementsindex [1] is gedaan. Het niet maken van een vergelijkbare bepaling in de splitsingsakte met betrekking tot appartementsindex [1] maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat de buitenruimte op het dak van de parkeergarage gemeenschappelijk is. Het toepasselijke Modelreglement 1992 bepaalt immers weldat iedere eigenaar en gebruiker van een privé gedeelte ervoor moet zorgen dat de gemeenschappelijke gedeelten en zaken altijd goed bereikbaar zijn en dat de desbetreffende eigenaar of gebruiker, wanneer de toegang tot of het gebruik van een privé gedeelte naar het oordeel van het bestuur noodzakelijk is voor het verrichten van een handeling met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten of zaken, verplicht is hiertoe zijn toestemming en medewerking te verlenen. Daarnaast geldt bij het penthouse, zoals ter zitting is gebleken, dat daar niet naast het dak kan worden gestaan zodat voor onderhoud \u002F steigerbouw en dergelijke het privé gedeelte toegankelijk moet zijn, zodat er kennelijk aanleiding was om in een duldplicht door de eigenaar van het penthouse te voorzien. Dat dit niet voor het dak naast de speelplaats is opgenomen, is verklaarbaar omdat het dak gewoon gebruikt kan worden, namelijk dat deel van het dak dat niet in gebruik is\u002Fwas als speelplaats, en dit nog afgezien van de op grond van art. 18 lid 3 van het Modelreglement 1992 op de eigenaars rustende plicht tot meewerken.6.16. Verder heeft de VvE een beroep gedaan op het toepasselijke Modelreglement 1992, waarin in artikel 9 is bepaald dat onder meer terrassen, daken en hellingbanen gemeenschappelijk zijn. Dit is weliswaar juist, maar dat sluit niet uit dat appartement gerechtigden de bevoegdheid kunnen hebben tot het uitsluitend gebruik van een terras.6.17. Het argument van de VvE dat de VvE heeft betaald voor het hekwerk waarmee de hellingbaan aan de achterzijde is afgesloten overtuigt niet. De verbintenisrechtelijke afspraak dat de VvE betaalt voor het hekwerk om de buitenruimte op de grens met de gemeenschappelijke ruimte af te kunnen sluiten maakt de privé ruimte daardoor nog niet tot een gemeenschappelijke ruimte. Het vestigen van een erfdienstbaarheid, recht van opstal of recht van overpad is inderdaad niet nodig als er vanuit wordt gegaan dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom, maar ook niet als er vanuit wordt gegaan dat de buitenruimte en hellingbaan behoren tot het aandeel van alleen de gerechtigde van appartementsindex [1] , die dan dus op grond van de splitsingsstukken al de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik daarvan heeft.6.18. \n\nDe conclusie is dat het hoger beroep van Verknocht slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de eerste twee vorderingen toewijzen. Bij de derde vordering, vernietiging van het stembesluit heeft Verknocht geen belang omdat dit besluit al nietig is verklaard.\n\nVorderingen inzake het bellentableau, de brievenbussen en kosten6.19. Er is niet geappelleerd tegen de afwijzing van de vorderingen 1 en 2 van de VvE die betrekking hebben op het aanpassen van het bellentableau en de brievenbus. Het hof komt daarom niet toe aan een beslissing daarover.6.20. \n\nDe vorderingen ter zake van de kosten van het hek en de wijziging van de splitsingsakte, zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat de buitenruimte bij appartementsindex [1] hoort. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval is, zodat zij deze vorderingen niet heeft beoordeeld. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof deze vorderingen alsnog behandelen.\n\nZijn de kosten met betrekking tot het hekwerk voor rekening van Verknocht?6.21. De VvE vindt dat Verknocht de kosten van het hekwerk en de betaalde legeskosten moet vergoeden. Het hekwerk staat op de grens van de buitenruimte en als de buitenruimte bij een appartementsrecht van Verknocht hoort, is het hekwerk volgens de VvE door natrekking eigendom geworden van Verknocht. Het hek staat ten dienste aan de buitenruimte op het dak van de parkeergarage. Het hek is namelijk geplaatst om inklimming van de speelplaats over het dak van de garage te voorkomen. De VvE heeft het hek betaald. Verknocht is daarom ongerechtvaardigd verrijkt, aldus de VvE. Verknocht heeft daartegen ingebracht dat de VvE blijkens de vergunningsaanvraag in ieder geval in 2008 al wist dat de buitenruimte bij appartementsindex [1] hoort. Verknocht wijst daarbij op de toelichting bij de aanvraag van de Bouwvergunning van 5 mei 2008 waarin, voor zover relevant, staat: “In overleg met het bestuur van de Stichting [kinderopvang] ( [kinderopvang] ) is besloten een bouwaanvraag in te dienen voor het plaatsen van een erfafscheiding, welke de op te richten kinderspeelplaats ten behoeve van voornoemde kinderopvang omsluit. (…) Er is gekozen om slechts een deel van het terrein af te zetten met dit hekwerk en wel een gedeelte aan de achterzijde van het terrein en een gedeelte aan de zijkant van het terrein, waardoor de openheid behouden blijft en er toch door de kinderen van het kinderdagverblijf in veiligheid kan worden gespeeld”.Verknocht wijst erop dat de VvE niet spreekt van een terras of gemeenschappelijke buitenplaats maar van een kinderspeelplaats ten behoeve van de kinderopvang, oftewel van een ruimte die toebehoort aan dit appartementsindex [1] . Verder beroept Verknocht zich op rechtsverwerking gezien het tijdsverloop van 15 jaar waarin de VvE hier nooit een punt van heeft gemaakt.6.22. \n\nHet hof wijst de vordering af. In de wetsgeschiedenis van art. 6:212 BW is opgemerkt dat een verrijking in geval van natrekking in beginsel ongerechtvaardigd is. Als uitgangspunt heeft echter niet ook te gelden dat in een geval van natrekking in beginsel sprake is van een verrijking. Als hoofdregel heeft, ook in een geval van natrekking, te gelden dat het aan de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept (hier: de VvE) is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die kunnen leiden tot het oordeel dat de natrekking tot verrijking van de aangesprokene (hier: Verknocht) heeft geleid. Voor het hof staat vast dat het hekwerk is geplaatst in 2008, (lang) voordat Verknocht de appartementsrechten kocht (en betaalde) en dat het toen diende om de kinderopvang te omsluiten. Vast staat ook dat het destijds is bekostigd door de VvE naar aanleiding van een tussen de VvE en de kinderopvang (destijds de eigenaar van de appartementsrechten) gemaakte afspraak. Gelet op deze afspraak en het feit dat niet (de rechtsvoorganger van) Verknocht eigenaar van het hek door natrekking kan zijn geworden maar dat dit de gemeenschap is, kan het hof niet aannemen (althans niet zonder bijzondere toelichting, die niet is gegeven) dat de kinderopvang destijds ongerechtvaardigd werd verrijkt door de plaatsing van het hek en dat op Verknocht op deze grond de verplichting rust de schade van de VvE te vergoeden (art. 6:212 BW). De VvE heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof kan oordelen dat Verknochtwel door dat hekwerk ongerechtvaardigd werd verrijkt toen zij de appartementsrechten met de omheinde buitenruimten jaren later aankocht.\n\nDe kosten voor het wijzigen van de splitsingsakte6.23. Het hof is van oordeel dat deze vordering geen steun vindt in het recht. De vordering is gebaseerd op een eventuele wijziging van de splitsingsakte. Echter, dit wordt niet door Verknocht gevorderd. Zij wenst alleen een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van het appartementsrecht dat de buitenruimte en hellingbaan omvat. Daarvoor is niet nodig dat de splitsingsakte wordt gewijzigd, omdat deze akte met de daaraan gehechte tekening dat al weergeeft. Zoals Verknocht terecht heeft aangevoerd, treft het beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2023geen doel omdat in die zaak sprake was van toedeling van een gemeenschappelijk gedeelte aan een van de appartementseigenaars, oftewel een wijziging in de eigendomsposities. Daarvan is in deze zaak geen sprake.6.24. \n\nDe slotsom luidt dat de reconventionele vorderingen, voor zover in hoger beroep nog van belang, worden afgewezen.\n\nProceskosten6.25. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Het hof zal geïntimeerden hoofdelijk, met uitzondering van Verknocht, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.6.26. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Verknocht in eerste aanleg op € 247,96 (betekeningskosten, voor zover opgegeven, van de dagvaardingen), € 548,00 (griffierecht) en € 1.306,00 (salaris advocaat, 2 punten, tarief 2 ad € 653,00), totaal een bedrag € 2.101,96; en zal bepalen dat geïntimeerden deze kosten en na te melden proceskosten van Verknocht in hoger beroep moet betalen, met uitsluiting van Verknocht.6.27. \n\nHet hof begroot de proceskosten aan de zijde van Verknocht in hoger beroep op:\n\ndagvaarding € 157,34\n\ngriffierecht € 783,00\n\nsalaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × tarief 2 ad € 1.290,00)\n\nnakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 3.709,34.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2023;en opnieuw rechtdoende\n\nverklaart voor recht dat de buitenruimte en hellingbaan, zoals rood gearceerd in figuur twee in het inleidend verzoekschrift (zie rov. 3.10 van dit arrest), hoort bij appartementsindex [1] ;\n\nverklaart voor recht dat het stembesluit van 2 november 2022 nietig is;\n\nveroordeelt geïntimeerden hoofdelijk, met uitzondering van Verknocht, in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van Verknocht begroot op € 2.101,96;\n\nveroordeelt geïntimeerden hoofdelijk, met uitzondering van Verknocht, in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Verknocht begroot op € 3.709,34;\n\nbepaalt dat als geïntimeerden niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, geïntimeerden de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;\n\nwijst af wat meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, mr. G. Dulek-Schermers en mr. R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Vgl. HR 10 maart 2017; ECLI:NL:HGR:2017:411 voor de dagvaardingsprocedure en HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:916 voor de verzoekschriftprocedure en art.5:130 BW.\n\n Vgl. HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2022:AD9619\n\n vgl. HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078.\n\n vgl. HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337.\n\n In artikel 18 leden 2 en 3.\n\n ECLI:NL:HR:2023:286.\n\n Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:402","ecli-nl-ghdha-2026-402",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Goederenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]