[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghshe-2024-1598":3,"decision-more-ecli-nl-ghshe-2024-1598":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]