ECLI:NL:GHSHE:2026:1139
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
Parketnummer : 20-001528-21
Uitspraak : 9 april 2026
TEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-880060-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als
‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] verbeurdverklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 17 juni 2021 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde sancties. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Verbetering van gronden
De bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.
Aanvulling van gronden
Bewijsmiddelen
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
U vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben
veroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht.
U vraagt mij of ik in het kort kan vertellen welke producten ik produceerde dan wel
verhandelde in de periode april, mei 2018. We produceren rond de 300 producten. Vloeibaar
wasmiddel, waspoeder, zoutzuur en aceton.
U vraagt mij of ik het adres [adres 2] me iets zegt. Als ik het me goed
herinner dan was dat ook een garagebox op een groot terrein.
U vraagt mij of ik me kan herinneren of ik in de periode van april tot en met mei met een
bestelwagen naar Nederland ben gereden. Ik weet niet of het deze periode was. Maar als ik
ga, dan ga ik met een bestelbusje. Want in een kofferbak past het niet.
U vraagt mij of ik ooit naar Nederland ben gereden en geen spullen heb afgeleverd, maar dat
ik ze mee terug naar Duitsland heb genomen. Nee.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
U vraagt mij waarvoor ik veroordeeld ben. Ik ben veroordeeld voor het smokkelen van
chemicaliën. Ik heb twee keer gereden.
U vraagt mij of ik zelf als bestuurder heb opgetreden, toen ik zojuist verklaarde dat ik twee
keer had gereden. We zijn met twee voertuigen gegaan. Ik ben in beide gevallen bestuurder
geweest.
U vraagt mij wie de andere bestuurder van het andere voertuig was. De heer [medeverdachte 1] .
U vraagt mij of ik beide keren vanuit Duitsland vertrokken ben. Ja, beide keren.
U vraagt mij of ik beide keren in Nederland terecht ben gekomen. Ja.
U vraagt mij of ik wist welke producten ik vervoerde. Ik wist wel dat er
chemicaliën in zaten.
U vraagt mij of ik beide keren naar hetzelfde adres ben gereden. Ja.
U vraagt mij of ik me dat adres kan herinneren. Nee, ik ben enkel achter mijn collega
aangereden.
U vraagt mij of ik me nog kan herinneren wat voor merk die bestelauto had. Volgens mij
een Volkswagen Transporter.
U vraagt mij welk merk de auto van de heer [medeverdachte 1] had. Ik denk ook een Volkswagen
Transporter, maar dat weet ik niet zeker.
U vraagt mij of ik veroordeeld ben voor de twee data die ook in het vonnis staan. Ja, dat is
juist.
De getuige is veroordeeld voor medeplichtigheid. De twee feiten vonden plaats op 10 april
2018 en 18 april 2018. Art. 3 GÜG.
De Duitse rechter houdt uit het Duitse vonnis voor dat het zou gaan om afleveringen op de
locatie [adres 2] , [locatie 1] .
U vraagt mij of ik me kan herinneren of ik twee keer op hetzelfde adres in Nederland ben
geëindigd. Ik ben alleen maar achter mijn collega aangereden, maar volgens mij wel.
U vraagt mij of beide bestelbussen in beide gevallen bij hetzelfde adres aangekomen zijn.
Ja.
U vraagt mij of de spullen die in de bestelbussen zaten beide keren in Nederland zijn gelost.
Mijn auto is gelost, natuurlijk.
U vraagt mij of ook de auto van de heer [medeverdachte 1] was gelost. Ja.
U vraagt mij hoe ik wist dat ik chemicaliën aan het vervoeren was. Dat is me verteld door
verdachte [medeverdachte 1] .
U vraagt mij hoe de producten in de auto eruit zagen. De producten zaten in jerrycans.
U vraagt mij of ik iets mee terug heb genomen uit Nederland . Nee.
Een vertaling van een vonnis van het Kantongerecht Velbert , 8 april 2022, voor zover inhoudende:
Vonnis
In de strafzaak tegen
1. De heer [medeverdachte 1] ,
geboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] ,
Duitse staatsburger, gescheiden,
wonende in [adres 3] ,
2. De heer [medeverdachte 2] ,
geboren op [geboortedag 3] 1982 in [geboorteplaats 3] , [functie] ,
Duitse staatsburger, ongehuwd,
wonende in [adres 4] ,
wegens de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG e.a.
heeft het kantongerecht van Velbert
op basis van de openbare rechtszitting van 18-03-2022
rechterlijk besloten:
De verdachte [medeverdachte 1] wordt wegens de opzettelijke commerciële handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in vijf gevallen veroordeeld tot een gecombineerde gevangenisstraf van één jaar en elf maanden met verplichte betaling van de onkosten.
De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] wordt de verbeurdverklaring van € 16.000 als schadevergoeding bevolen.
De verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten.
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen.
Redenen:
Verdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren.
Als gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach . Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t/m [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar Nuenen in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken.
Meer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar Nuenen naar een industrieterrein aan [adres 2] , en wel naar [locatie 1] .
1e dossier 3
op 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald;
terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.
2e dossier 4
op 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 4] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.
3e dossier 5
in ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering.
4e dossier 6
Op 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] in Velbert . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde telkens 800 kilogram aceton in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] naar zijn afnemers in Nederland , en wel op 08-05-2018 naar het voornoemde magazijn in Nuenen .
5e dossier 7
Reeds op 14-05-2018 leverde het bedrijf [bedrijf 2] op basis van een bestelling van de verdachte [medeverdachte 1] op 08-05-2018 nog eens 800 kilogram aceton op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] te Velbert , die de verdachte [medeverdachte 1] op 15-05-2018 in een huurvoertuig met het kenteken [kenteken 5] naar voormeld magazijn in Nuenen vervoerde.
De verdachte [medeverdachte 1] ontving van zijn afnemers minimaal 2.000,00 euro voor elke geleverde 800 kilogram aceton (punt 1: € 4.000, punt 2: € 4.000, punt 3: € 2.000, punt 4: € 4.000, punt 5: € 2.000). De verdachte [medeverdachte 1] betaalde de medeverdachte [medeverdachte 2] € 300,00 voor elke transportrit.
De procedure met betrekking tot de beschuldiging van de illegale handel in verdovende middelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] werd overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt. Ten aanzien van de beklaagde [medeverdachte 2] werd de procedure met betrekking tot de desbetreffende medeplichtigheid hieraan c.q. de aflevering van verdovende middelen overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt
De bevindingen over de feiten van de zaak zijn gebaseerd op de volledig bekennende verklaringen van de verdachten, aan de waarheid waarvan de rechtbank geen enkele twijfel heeft.
Bewijsoverwegingen
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en vult deze op de volgende punten aan.
De verdediging heeft aangevoerd dat het plaatsen van een camera, gericht op het pand aan [adres 2] , is geschied zonder dat voor de volledige periode dat opnamen zijn gemaakt het daarvoor vereiste bevel van een officier van justitie was afgegeven en hierdoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
In dat kader stelt het hof vast dat door het Openbaar Ministerie in Wuppertal ( Duitsland ) een rechtshulpverzoek is gedaan aan het Arrondissementsparket Oost-Brabant. De Duitse autoriteiten verzochten om de volgende onderzoeksmaatregelen uit te voeren:
- Langdurige observatie met technische hulpmiddelen met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , alsmede de in Nederland actieve daders die de chemicaliën in ontvangst nemen of ophalen en transporteren.
Artikel 9, eerste lid, van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken houdt in:
De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.
Naar aanleiding van het verzoek van de Duitse autoriteiten is door de officier van justitie in Nederland een bevel grensoverschrijdende stelselmatige observatie (artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering) afgegeven. Dit bevel bevindt zich ook in het dossier (pagina’s 383-385). Ingevolge het bepaalde in artikel 126g, derde lid, kan de officier van justitie ook bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel – zoals een (heimelijk geplaatste) camera – kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Uit de inhoud van het dossier volgt dat heimelijk een camera is geplaatst op [adres 2] , met zicht op de roldeur van de [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 1] . Blijkens het zich in het dossier bevindende bevel d.d. 11 april 2018 dient dit schriftelijk bevel ter bevestiging van het eerder mondeling gegeven bevel van 27 maart 2018. Het is het hof niet gebleken dat het bevel eerder op schrift is gesteld. Gelet hierop stelt het hof vast dat het mondelinge bevel niet binnen drie dagen na 27 maart 2018 door de officier van justitie op schrift is gesteld. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet voldaan aan het in artikel 126g, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde wettelijke vereiste. Naar het oordeel van het hof levert dit – nu het bevel niet alsnog binnen drie dagen op schrift kan worden gesteld – een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend ziet op de controleerbaarheid en transparantie van het gegeven bevel. Nu het mondeling gegeven bevel achteraf – weliswaar te laat – alsnog ter bevestiging op schrift is gesteld en hierdoor – en ook overigens – geen nadeel voor de verdachte is ontstaan, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de (enkele) constatering van het vormverzuim. Het hof zal hier dan ook geen gevolgen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan verbinden.
Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om de gemaakte camerabeelden te controleren omdat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt.
Het hof merkt op dat het in het algemeen de voorkeur verdient camerabeelden – indien aanwezig – aan het dossier toe te voegen. Op die manier bestaat de mogelijkheid dat die camerabeelden op enig moment in de procedure (door een van de procesdeelnemers) kunnen worden bekeken en gecontroleerd. Het is in zoverre dan ook ongelukkig dat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Die omstandigheid impliceert naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee ook sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot enig rechtsgevolg moet leiden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemaakte camerabeelden door verbalisanten zijn bekeken en dat door hen in processen-verbaal van bevindingen die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt is gerelateerd wat daarop is waar te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die processen-verbaal te twijfelen. Van de zijde van de verdediging is ook niet weersproken dat hetgeen door verbalisanten op de camerabeelden is waargenomen en hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen daaromtrent is geverbaliseerd onjuist is. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in zoverre verworpen.
Voorts merkt het hof als aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank nog het volgende op.
Op basis van de inhoud van het dossier acht het hof – met de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk grondstoffen, chemicaliën en andere voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van synthetische drugs en met een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA heeft getracht te verschaffen. Bij dit oordeel neemt het hof, in aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank, in het bijzonder in aanmerking dat in de periode van 10 april 2018 tot en met 31 mei 2018 vanuit Duitsland meerdere leveringen van chemicaliën hebben plaatsgevonden, welke leveringen zijn afgeleverd aan het adres [adres 2] , [locatie 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij chemicaliën hebben afgeleverd en niets mee terug naar Duitsland hebben genomen. Door het kantongerecht Velbert in Duitsland zijn zij ook veroordeeld ter zake van verschillende leveringen van chemicaliën. Uit dit vonnis blijkt dat het gaat om leveringen van aceton. Voorts stelt het hof vast dat in de nacht van 22 mei 2018 op 23 mei 2018 in [locatie 1] een groot aantal blikken en jerrycans zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij de aangetroffen goederen nader heeft onderzocht en deze middels een analyseapparaat heeft getest. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om methanol en aceton. [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat er monsters zijn genomen, welke ter analyse werden aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof stelt – met de verdediging – vast dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of er ook daadwerkelijk monsters zijn genomen van de in [locatie 1] aangetroffen stoffen die ter nadere analyse naar het Nederlands Forensisch Instituut zouden zijn verzonden. In het dossier heeft het hof daaromtrent geen stukken aangetroffen. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen [verbalisant] overigens in het door hem op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft geverbaliseerd. Ook in de omstandigheid dat het proces-verbaal van bevindingen op 13 september 2018 is opgemaakt, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen.
Uit de inhoud van het dossier blijkt niet alleen dat de verdachte de huurder van [locatie 1] was. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof ook vast dat het voertuig van de verdachte, een Ford Transit met kenteken [kenteken 1] , aanwezig was bij [locatie 1] op/omstreeks het moment dat een levering vanuit Duitsland had plaatsgevonden. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker van voornoemd voertuig was, concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die toen ook steeds aanwezig is geweest. Zo blijkt dat op 18 april 2018, omstreeks 11.00 uur, door twee voertuigen met een Duits kenteken ( [kenteken 3] en [kenteken 4] ) leveringen zijn gedaan en verdachtes voertuig toen voor [locatie 1] stond geparkeerd. De twee Duitse voertuigen vertrokken vervolgens weer om 11:09 uur, waarna om 11:18 uur [locatie 1] werd afgesloten en even later de verdachte met zijn voertuig vertrok. Op 3 mei 2018 was de verdachte omstreeks 09:11 uur in [locatie 1] aanwezig en heeft hij zijn bus achteruit [locatie 1] ingereden. Omstreeks 09:28 kwam verdachtes bus uit de loods gereden, werd deze bij de ingang van de loods geparkeerd en ging omstreeks 09:37 uur een Duits voertuig met kenteken [kenteken 3] verdachtes loods in. Het Duitse voertuig is vervolgens om 10:00 uur weer de loods uitgereden, en de verdachte reed ongeveer een minuut later ook weg. Ten aanzien van 15 mei 2018 blijkt dat (eveneens) omstreeks 11:00 uur een levering heeft plaatsgevonden, dat het voertuig met het Duitse kenteken [kenteken 5] om 11:14 uur weer bij verdachtes loods vertrok en dat om 11:15 uur de verdachte met zijn Ford Transit is weggereden. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte met zijn voertuig meerdere keren van [locatie 1] naar [locatie 2] is gereden en bij die gelegenheden enige tijd in [locatie 2] is geweest. In [locatie 2] werden – evenals in [locatie 1] – ook diverse jerrycans en vaten met chemicaliën aangetroffen.
[locatie 2] werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 4] . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] kennen elkaar. Over de redenen van de vervoersbewegingen heeft de verdachte niet willen verklaren.
In het dossier is gerelateerd dat de in [locatie 2] en in [locatie 1] aangetroffen jerrycans qua uiterlijk, volume (30 liter) en inhoud (aceton) soortgelijk zijn. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof dan ook buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte goederen met zijn voertuig vanuit [locatie 1] heeft verplaatst naar [locatie 2] . In dit verband neemt het hof bovendien nog in aanmerking dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de leveringen vanuit Duitsland telkens zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 1] . Niet is gebleken dat leveringen (direct) zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 2] .
Voor de uit Duitsland afkomstige chemicaliën die bij [locatie 1] , de loods van de verdachte, zijn afgeleverd, noch voor de in [locatie 1] aangetroffen aceton noch voor de diverse vervoersbewegingen tussen [locatie 1] en [locatie 2] van de medeverdachte [medeverdachte 4] , noch voor het feit dat de verdachte ook toegang had tot de [locatie 2] , noch voor de aanwezigheid van de voor productie van synthetische drugs benodigde chemicaliën en goederen in [locatie 2] , waardoor een verdenking van het tenlastegelegde in de rede ligt, heeft de verdachte, hoewel de feiten daar wel om schreeuwen, een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring laten de feiten zich niet anders begrijpen dan dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nauw en bewust heeft samengewerkt om de opzettelijke vervaardiging van amfetamine en/of MDMA voor te bereiden. Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in zoverre verworpen.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 40.000,00.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf en (eventueel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de rechtbank aan medeverdachte [medeverdachte 5] een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren heeft opgelegd en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat medeverdachte [medeverdachte 4] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In de zaak tegen de verdachte dient bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te worden gezocht bij voornoemde sancties, aldus de verdediging. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen/chemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Evenals de rechtbank ziet het hof verdachtes rol in het geheel als die van coördinator. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op verdachtes aanwezigheid op momenten dat goederen werden geleverd en de ontmoetingen die hij onder andere met leveranciers heeft gehad. De verdachte heeft als coördinator een cruciale rol gehad. Gelet op verdachtes rol ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zoals die door de rechtbank aan [medeverdachte 5] is opgelegd en door de advocaat-generaal in de zaak tegen [medeverdachte 4] is gevorderd. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat synthetische drugs allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan kunnen opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken. Ook rekent het hof de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft gegeven. Het uitgangspunt bij een feit als het onderhavige is – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben te maken met andersoortige strafbare feiten dan het thans bewezenverklaarde. Het hof zal voornoemde omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sanctie meewegen.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de verdediging is bepleit – acht het hof onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en derhalve niet passend.
Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. De redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 17 september 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 16 juni 2021 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer 9 maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt naar het oordeel van het hof gedeeltelijk te wijten aan de omstandigheid dat de behandeling van de zaak tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak op 13 mei 2020 is aangehouden en dat de zaak vervolgens pas weer op de terechtzitting van 29 april 2021 is aangebracht. Dit tijdsverloop valt naar het oordeel van het hof niet aan de verdachte toe te rekenen.
Van de zijde van de verdachte is vervolgens op 17 juni 2021 hoger beroep ingesteld.
Het hof wijst het onderhavige arrest op 9 april 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van 2 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn weliswaar nog verschillende getuigen gehoord, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor voornoemde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.
Zonder deze overschrijdingen van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn, zal het hof in plaats daarvan de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Met de rechtbank heeft het hof geconstateerd dat de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van de goederen die onder de nummers 2 tot en met 22 op de beslaglijst staan vermeld. Nu het beslag daarmee is beëindigd, hoeft daarover niet meer te worden beslist.
Het hof is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen goederen onder 1 genoemde bestelauto, een Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] – vatbaar is verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is gepleegd. Hoewel het voertuig op naam van een ander is gesteld, volgt uit het dossier dat deze Ford Transit langdurig in gebruik was bij de verdachte. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de inbeslaggenomen Ford Transit graag terug wenst te krijgen. Naar het oordeel van het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden komen vast te staan dat de Ford Transit aan de verdachte toebehoort. Het hof zal voornoemde bestelauto dan ook verbeurdverklaren. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde sancties en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Oost-Brabant, dienst regionale recherche, onderzoek Wellington/OBRAA18211, sluitingsdatum 26 april 2019, pagina 1 - pagina 966. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.