ECLI:NL:GHSHE:2026:1434
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/771
Uitspraak op het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2023, nummer BRE 21/117, in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3..
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.. Belanghebbende heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken.
1.7.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2. Feiten
2.1.. De rechtbank heeft de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting in stand gelaten. Zij heeft wel geoordeeld dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd en om die reden een proceskostenveroordeling uitgesproken. Zij heeft daarover overwogen:
“10. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837, en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar dient tevens het griffierecht van € 49 te vergoeden.”
2.2.. De rechtbank heeft ook een vergoeding van immateriële schade toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1..
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i. is sprake van (veronderstelde) spanning en frustratie bij belanghebbende op grond waarvan terecht een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende is toegekend?
ii. heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend?
3.2.. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade en toekenning van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
4.1.. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spanning en frustratie zodat een vergoeding van immateriële schade niet op zijn plaats is.
4.2.. Het hof overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in belastingzaken, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.Van bijzondere omstandigheden is het hof in het onderhavige geval niet gebleken.
4.3.. Voor de vraag of iemand recht heeft op toekenning van een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is niet relevant of de belanghebbende daadwerkelijk immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden.
4.4.. Verder staat volgens de Hoge Raad aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van no cure no pay. Evenmin staat daaraan in de weg dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.
4.5.. De rechtbank heeft dus terecht een vergoeding van immateriële schade toegekend aan belanghebbende. Het betoog van de heffingsambtenaar slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
4.6.. De heffingsambtenaar betoogt dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft uitgesproken omdat deze slechts is gebaseerd op de omstandigheid dat een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn is toegekend. Ook is ten onrechte een wegingsfactor 1 toegepast, aldus de heffingsambtenaar.
4.7.. De rechtbank heeft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het hof stelt vast dat de rechtbank in verband met toepassing van artikel 6:22 Awb aan belanghebbende een proceskostenvergoeding heeft toegekend en niet in verband met het toekennen van een immateriële schadevergoeding, zoals de heffingsambtenaar verondersteld. Indien de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in beginsel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan de rechter afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.
4.8.. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het afzien daarvan is niet gebleken. Het betoog van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.
4.9.. De heffingsambtenaar stelt dat ten onrechte een wegingsfactor 1 is toegepast, en dat deze 0,5 moet bedragen. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de toekenning van een proceskostenvergoeding de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, toetst het hof ten volle de proceskostenvergoeding van de vorige procesfase. Deze toets ziet ook op het gewicht van de zaak.
4.10.. In deze zaak speelden in eerste aanleg verschillende geschilpunten, waaronder de schending van de toezendplicht zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft belanghebbende alleen ten aanzien van schending van de toezendplicht in het gelijk gesteld. Het hof ziet in de geschilpunten die bij de rechtbank voorlagen en de inhoudelijke behandeling daarvan, geen aanleiding om uit te gaan van een lager dan gemiddeld gewicht, en daarmee van een lagere wegingsfactor dan 1. Dit neemt niet weg dat gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de proceskostenvergoeding kan worden gematigd. Dat kan als een belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang.Het hof ziet in de omstandigheid dat het beroep in eerste aanleg alleen voor wat betreft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geslaagd, geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geschilpunt omtrent de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet van ondergeschikt belang was en er tevens een inhoudelijk debat is gevoerd over de WOZ-waarde. Een matiging van de proceskosten zou dan – gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak – te veel afbreuk doen aan de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en het belang van de zaak. Dit betekent dat ook dit betoog van de heffingsambtenaar faalt en dat diens incidentele hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.
Tussenconclusie
4.11.. De slotsom is dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het incidenteel beroep bij het hof omdat het door de heffingsambtenaar ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is in totaal € 233,50.
Ten aanzien van het geschil
Vergoeding van immateriële schade5. Beslissing
Het hof:
verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1.
Zie ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:345, r.o. 4.3.5.
Vgl. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965.
Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.
Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1447.