ECLI:NL:GHSHE:2026:1450
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/31
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2023, nummer BRE 22/1633 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3..
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in Mijn Rechtspraak geplaatst.1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. De schriftelijke inlichten en/of nadere stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.8.. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.2. 2. Feiten
2.1.. De heffingsambtenaar heeft bij WOZ-beschikking de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 222.000. Belanghebbende heeft tegen die WOZ-beschikking tijdig bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar gegrond verklaard en de waarde bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 215.000.
2.2.. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 24 december 2021. De heffingsambtenaar heeft op die dag een bulk van 3.636 brieven aangeboden aan [mail] B.V. (hierna: [mail] ).
2.3.. Belanghebbende heeft in een brief van 4 februari 2022 aan de heffingsambtenaar geschreven:
“(…) Op 17-1-2022 ontvingen wij van u een bedrag van € 530,00 aan proceskostenvergoeding, waarvoor onze dank. Volgens de omschrijving in de betaling heeft dit bedrag betrekking op uw aanslagnummer (…). De corresponderende uitspraak op het bezwaarschrift hebben wij echter nog niet ontvangen. In verband met het beoordelen van de uitspraak en het verstrijken van de beroepstermijn, verzoeken wij u vriendelijk ons zo spoedig mogelijk de uitspraak op bezwaar te doen toekomen. Aangezien wij tot op heden geen kennis hebben kunnen nemen van de uitspraak, zal de beroepstermijn aanvangen op het moment van ontvangen van de uitspraak (…).”.
2.4.. De heffingsambtenaar heeft bij e-mail van 8 februari 2022 de uitspraak op bezwaar als bijlage aan belanghebbende toegestuurd.
2.5.. Belanghebbende heeft bij beroepschrift met dagtekening 22 maart 2022 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding gezien.
2.6.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Partijen hebben tijdens de zitting bij het hof verzocht om, indien het hof oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen.
2.7.. Belanghebbende heeft het hof na de zitting schriftelijk medegedeeld dat de waarde, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, niet langer in geschil is en het geschil alleen nog ziet op de ontvankelijkheid van het beroep. Partijen hebben schriftelijk verklaard geen gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
3.2.. Belanghebbende concludeert tot een ontvankelijk beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.. Belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep door de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de heffingsambtenaar geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd, niet aannemelijk is gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Het beroepschrift is ingediend zes weken nadat belanghebbende kennis had genomen van de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank was er onvoldoende aanleiding om het indienen van een beroepschrift na pas zes weken redelijk te vinden.
4.2.. Volgens de heffingsambtenaar moet ervan uit worden gegaan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar meteen heeft ontvangen. Op 24 december 2021 is een bulk van 3.636 uitspraken bij [mail] aangeboden, waaronder de onderhavige uitspraak op bezwaar. Belanghebbende had ook een pro-forma beroepschrift kunnen indienen, aldus de heffingsambtenaar.
4.3.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Hij heeft de uitspraak op bezwaar pas op 8 februari 2022 onder ogen gekregen en de beroepstermijn ving toen aan. Het beroepschrift is op 22 maart 2022, binnen zes weken na de aanvang van de beroepstermijn en dus tijdig ingediend. De rechtbank had het beroep ontvankelijk moeten verklaren, aldus belanghebbende.
De wet
4.4.. In de wet is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
4.5.. De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende.
Toezending aan belanghebbende
4.6.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan hem is toegestuurd. Hij betwist dan ook de verzending daarvan. Voor dat geval is het aan de heffingsambtenaar om die verzending aannemelijk te maken.
4.7.. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan belanghebbende is verzonden. Uit de overgelegde printscreen van de verzendadministratie van de bulk van 3.636 uitspraken kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan [mail] is aangeboden en dat de verzending heeft plaatsgevonden.De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat dit niet verder aannemelijk kan worden gemaakt, omdat een nadere specifieke verzendadministratie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar zelf ontbreekt.4.8.. Nu ook overigens niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat geval moet worden aangenomen dat belanghebbende pas in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de uitspraak op bezwaar op de dag waarop hij een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen en de beroepstermijn van zes weken pas op die dag aanvangt.In dat geval geldt niet de eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld.
Beroep binnen zes weken
4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 8 februari 2022 feitelijk kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na die datum, waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk verklaard.
4.10.. Nu het beroepschrift niet na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend, is de vraag of het van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om een pro-forma beroepschrift in te dienen, waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen, niet relevant.
Waarde niet in geschil4.11.. Belanghebbende heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep ontvankelijk had moeten verklaren. Dit kan echter niet tot een gegrond hoger beroep leiden omdat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Het hof zal het hoger beroep daarom ongegrond verklaren.
Tussenconclusie
4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 6:9, lid 1, Awb.
Artikel 3:41 Awb.
Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.
Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175, onder 2.2.3.
Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1 en Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.
Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1.
Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960 onder 2.3.2.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, onder 4.2.4.
Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283, onder 2.4.