[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghshe-2026-1458":3,"decision-more-ecli-nl-ghshe-2026-1458":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"392","ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1147 t\u002Fm 24\u002F1154\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2024, nummers BRE 23\u002F1090 t\u002Fm 1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV), alsmede in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Op 10 februari 2026 heeft belanghebbende het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.2 vermelde gronden afgewezen.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is alleenstaand. Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] is op 24 augustus 2004 overleden. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren.\n\n2.2.. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij.\n\n2.3.. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van de rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier belastingjaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n2.5.. \n\nDe navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 75.461. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw 2015 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 98.048. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 87.213. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2017 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en is belastingrente in rekening gebracht van € 1.484. De aanslag Zvw 2017 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.509. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.6.. De bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete is in stand gelaten. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.\n\n2.7.. Een en ander laat zich - voor wat betreft de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV - als volgt samenvatten.\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n€ 22.177\n\n€ 40.657\n\n€ 31.622\n\n€ 25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n€ 89.524\n\n€ 108.004\n\n€ 98.969\n\n€ 58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n€ 241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 475.344\n\nVergrijpboete\n\n€ 12.411\n\ngeen\n\n€ 14.349\n\n€ 8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n€ 50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n€ 113.614\n\n€ 201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\n2.8.. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 verminderd naar een bedrag van € 5.000 en de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot het bedrag van € 1.750 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen terecht vastgesteld onder toepassing van artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?\n\nZo ja, is er sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?\n\nZo ja, kan belanghebbende een voorziening vormen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de door justitie in beslag genomen contanten?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot gegrondverklaring van zijn bezwaar voor wat betreft de correctie resultaat uit overige werkzaamheden en de daarbij behorende boetes. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. \n\nDe correcties met betrekking tot de grondslag in box 3, en de daarbij behorende belastingrente en boete, zijn niet langer in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting van 19 februari 2026 (zie 1.5). Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt belanghebbende dat de verdere behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende (zie 2.3) is uitgesteld tot het tweede kwartaal van 2026.\n\n4.2.. Het hof heeft in hetgeen belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft in zijn verzoek weliswaar aangegeven om uitstel te verzoeken “in verband met de eenheid van het vaststellen van de feiten”, maar heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard dat “ten aanzien van de feiten geen verschil van mening [bestaat] zoals deze door de rechtbank Breda zijn vastgesteld”. Ook heeft belanghebbende hierin geschreven dat de omvang van de bedragen niet in geschil is. De belastingrechter is voorts niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om uitstel ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om uitstel te krijgen tot na zijn strafzitting.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.3.. Belanghebbende voert voor elk van de jaren aan dat de omkering van de bewijslast te lichtvaardig en willekeurig is toegepast. Er zijn geen structurele negatieve kassen. Belanghebbende stelt dat van het aangetroffen contant geld ter grootte van € 235.715 het bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Het restant was van familieleden. Ook stelt belanghebbende dat de aangetroffen contante gelden over een langere periode door hem gespaard zijn en dat deze gelden al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren zijn verantwoord.\n\n4.4.. Artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast.Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd.De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.Het hof zal dus allereerst beoordelen of belanghebbende, gelet op dit beoordelingskader, voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.\n\n4.5.. Het hof stelt vast dat belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd de (navorderings)aanslagen Zvw te beoordelen in lijn met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV.\n\nNavorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014\n\n4.6.. Vaststaat dat het bedrag van € 235.715,69 op 11 juli 2017 is aangetroffen op het terrein van belanghebbende rondom de woning. Belanghebbende heeft op verschillende momenten, waaronder ter zitting bij het hof, verklaard dat daarvan een bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Belanghebbende stelt dat deze gelden zijn gespaard vanuit maandelijkse kasopnames, bedoeld om huishoudelijke uitgaven van te bekostigen. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2004, is belanghebbende minder gaan uitgeven aan zijn huishoudelijke kosten zodat er een groter bedrag kon worden gespaard. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen van belanghebbende omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten.\n\n4.7.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2014 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De met de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.8.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2014 over het bedrag van € 142.251 aan contant gelden beschikte. De inspecteur is bij deze berekening uitgegaan van een gespaard bedrag van € 9.400 per jaar voor de jaren 2014 en 2016 (kasopnames van € 1.000 per maand, verminderd met uitgaven van € 50 per week). Voor 2015 gaat de inspecteur - conform de verklaring van belanghebbende - uit van een kasopname van € 16.000, zodat het gespaarde bedrag voor dit jaar op € 13.400 is berekend. Voor de eerste helft van 2017 berekent de inspecteur het gespaarde bedrag op € 5.650 (de helft van het gespaarde bedrag over 2014 en 2016). Uitgaande van contante gelden op 11 juli 2017 ter grootte van € 180.101 bedraagt het vermogen aan contante gelden op 1 januari 2014 € 142.251, zijnde € 180.101, verminderd met 2 x € 9.400, met € 13.400 en met € 5.650. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 hierover berekend op het bedrag van € 893.\n\n4.9.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2014, in ieder geval, het bedrag aan contanten van € 142.251 ten onrechte niet als box 3 bezitting in zijn aangifte heeft verwerkt en dat dit heeft geleid tot het niet heffen van IB\u002FPVV voor een bedrag van € 893. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - ook ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden gezegd dat het bedrag van € 893 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op basis hiervan niet aan de orde is.\n\n4.10.. De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden gebaseerd op het niet door belanghebbende aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad waaruit hij € 67.347 moet hebben verdiend. Dit bedrag heeft belanghebbende niet in zijn aangifte opgenomen.\n\n4.11.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.12.. Nu de bewijslast voor 2014 niet zal worden omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur de correctie voor wat betreft het resultaat uit overige werkzaamheden, niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het hoger beroep tegen de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 gegrond verklaren en de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 vernietigen.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De voor de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.14.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2015 over het bedrag van € 151.651 aan contante gelden beschikte. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 voor het jaar 2015 hierbij berekend op het bedrag van € 1.512 (zie 4.8).\n\n4.15.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2015, in ieder geval, van de contante gelden een bedrag van € 126.041 niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - bevestigd ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan eveneens worden vastgesteld dat het bedrag van € 1.512 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is. Van in relatieve zin aanzienlijk zal naar het oordeel van het hof in beginsel eerst sprake zijn bij een percentage van 10% of meer.De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2015 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 9.971. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 13,2% (€ 1.512\u002F€ 11.483). Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit sparen en beleggen in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn (contante) spaargeld niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. Het feit dat het hier contante gelden betreft, maakt dit oordeel niet anders.\n\n4.16.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2015 moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n4.17.. De inspecteur heeft aangevoerd dat de aangetroffen gelden niet zijn terug te voeren naar één enkele transactie en dat gelet op de hoogte van het bedrag ook niet aannemelijk is dat dit bedrag in één keer is verdiend. De inspecteur heeft daarom aangenomen dat de contanten die op 11 juli 2017 in de woning van belanghebbende zijn aangetroffen gespreid zijn verdiend over 42 maanden (2014, 2015, 2016 en zes maanden in 2017). De inspecteur is daarbij uit gegaan van het bedrag van € 235.715, dat wil zeggen: zonder rekening te houden met de stelling van belanghebbende dat een deel van de gelden niet aan hem toebehoorde.\n\n4.18.. Het hof volgt de inspecteur niet in zijn berekening waar hij uitgaat van het bedrag van € 235.715. In het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de strafzaak tegen belanghebbende is vastgesteld dat “van de twee in de jukebox in de woning van verdachte [hof: belanghebbende] gevonden bedragen en de € 41.848,70 in een motorblok in een loods op zijn terrein verdachte niet als eigenaar wordt aangemerkt”. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie in acht te nemen.Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Verder geldt dat indien de hoogte van de schatting wordt betwist, aan de belastingrechter de bevoegdheid toekomt de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 180.101 (zie 4.3) en dit bedrag, gelijk de systematiek van de inspecteur, toerekenen over 42 maanden. Dat betekent dat het hof zal beslissen dat belanghebbende in 2015 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald voor het bedrag van € 51.457 (te weten: € 180.101 gedeeld door 42 maanden en vermenigvuldigd met 12 maanden). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur voor het overige voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig zijn.\n\n4.19.. Op belanghebbende rust vervolgens de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:\n\nde aangetroffen gelden over een langere periode door belanghebbende zijn gespaard vanuit kasopnames, bestemd voor huishoudelijke uitgaven; en\n\nde aangetroffen gelden reeds in de aangiften IB\u002FPVV over eerdere belastingjaren waren opgenomen.\n\n4.20.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015, na vermindering door het hof (zie 4.18), te hoog zijn. Belanghebbende heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag op welke wijze de aangetroffen gelden zijn verkregen. Ook ter zitting heeft belanghebbende hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Zelfs in het geval het hof uitgaat van de voor belanghebbende meest gunstige verklaring, tellen de alsdan maandelijks gespaarde bedragen niet op tot € 180.101. Ook heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk kunnen maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een deel van de aangetroffen gelden aan anderen dan belanghebbende toebehoorden, dan wel dat de aangetroffen gelden reeds eerder in de aangifte IB\u002FPVV zijn opgenomen.\n\n4.21.. Voor het geval de correctie met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden door het hof in stand wordt gelaten, heeft belanghebbende in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden een voorziening kan worden gevormd. De inspecteur voert aan dat het vermogensverlies definitief wordt in het jaar waarin de verbeurdverklaring onherroepelijk is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat op de balansdatum sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie zou beslissen tot verbeurdverklaring van het in beslag genomen vermogensbestanddeel dan wel een ontneming en dat deze beslissing in rechte zou standhouden. Bovendien staat artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 aftrek van dergelijke kosten niet toe, aldus de inspecteur.\n\n4.22.. Het hof stelt vast dat de aangetroffen gelden eerst in juli 2017 in beslag zijn genomen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat er reeds in 2015 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen. Integendeel, in 2015 beschikte belanghebbende nog over de gelden en er is van geen indicatie gebleken dat die gelden in beslag zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende faalt daarom.\n\n4.23.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 92.114, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 40.657. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 82.158 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016\n\n4.24.. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 ten bedrage van € 4.544 is in hoger beroep niet langer in geschil. Belanghebbende heeft in 2016 ten onrechte geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in zijn aangifte aangegeven. Over het in de aanslag IB\u002FPVV 2016 in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is een bedrag van € 1.363 aan IB\u002FPVV verschuldigd. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2016 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 6.347. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 17,6% (€ 1.363\u002F€ 7.710). Het niet in de aangifte vermelden van deze inkomsten, mede gelet op de omvang daarvan, ten tijde van het doen van de aangiften leidt tot het oordeel dat belanghebbende zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg daarvan verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven (zie 4.15). Hieruit volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan.\n\n4.25.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2016 moet worden omgekeerd en verzwaard. Het hof zal het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 vaststellen op het bedrag van € 51.457 en acht de schatting voor het jaar 2016 niet willekeurig en onredelijk. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016, na vermindering door het hof, te hoog zijn. Het hof verwijst ter motivering van het voorgaande naar rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.20.\n\n4.26.. Ook het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat hij een voorziening kan vormen in 2016 voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten, faalt om redenen als genoemd in rechtsoverweging 4.22.4.27.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 83.079, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 31.622. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 71.323 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017\n\n4.28.. De inspecteur stelt dat belanghebbende door het niet aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden ter grootte van € 33.674, alsmede het niet (tot het juiste bedrag) vermelden van de contante gelden zich ten tijde van het doen van de aangifte ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit is in relatieve en absolute zin aanzienlijk, aldus de inspecteur.\n\n4.29.. Het staat vast dat het werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na bezwaar, lager is dan door belanghebbende vermeld in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. In zoverre kan de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds hierom niet daarop worden gebaseerd. Ook de stelling van de inspecteur dat de omkering en verzwaring moet worden gebaseerd op het niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2017 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.30.. Gelet op het bovenstaande zal het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor 2017 nader vaststellen op nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 25.209, zijnde de reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde belastbare winst uit onderneming (€ 11.835), ontvangen AOW (€ 14.754) en saldo inkomsten eigen woning (-\u002F- € 1.380). Het hof zal de aanslag Zvw 2017 verminderen naar een bijdrage-inkomen van € 11.835.\n\nBoeten\n\n4.31.. De correctie ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2014 - dat tevens de grondslag voor de boete vormt - zal door het hof worden vernietigd (zie 4.11 en 4.12). Als gevolg daarvan zal het hof de vergrijpboete voor het jaar 2014 eveneens vernietigen.4.32.. Voor zover de boete ziet op het niet door belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV 2016 vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen - € 681 (zijnde 50% van € 1.363) - wordt deze door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. Voor het overige ziet de boete op het door belanghebbende niet vermelde resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boete verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.800. Het hof ziet aanleiding om de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verder te verminderen naar een bedrag van € 4.500 wegens de vermindering van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof zal de boete verminderen met 20% tot het bedrag van € 3.600 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.34.. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.35.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.\n\n4.36.. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de proceskosten en griffierechten;\n\nverklaart de beroepen bij de rechtbank gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslagen Zvw 2015 en Zvw 2016;\n\nvernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2015 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 92.114 en wijzigt de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2016 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 83.079 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 3.600;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 25.209 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 11.835;\n\nvernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2017;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen ondertekend door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3258.\n\n € 235.715 gedeeld door 42 (drie-en-een-half jaar) maal twaalf.\n\n Artikel 27h, lid 2, AWR.\n\n Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001, r.o. 4.4.4.\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 30.701, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 19.866, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","ecli-nl-ghshe-2026-1458",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]