ECLI:NL:RBAMS:2026:5662
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/307
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).
Samenvatting
1.1.. Deze uitspraak gaat over de verlening van een urgentieverklaring aan eiseres. Eiseres is het op een aantal punten niet eens met de verleende urgentieverklaring. Zij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de urgentieverklaring.
1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.. Eiseres heeft op 26 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2025 toegewezen op grond van maatwerk. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3..
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en de gemachtigde van eiseres waren niet aanwezig. De rechtbank heeft de zaak behandeld en het onderzoek gesloten. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten dat zij niet op de hoogte was van de zitting van 29 april 2026 omdat zij geen zittingsuitnodiging had ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en het beroep op
13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.. Eiseres is een 43-jarige alleenstaande vrouw. Eiseres heeft één minderjarig kind, geboren op [geboortedag] 2014 (11 jaar) en twee meerderjarige kinderen. Eiseres staat sinds 23 oktober 2015 ingeschreven op het adres [adres] . Het betreft een vijfkamerwoning van 125 vierkante meter. De woning heeft twee woonlagen en is gelegen op de begane grond. Op 26 mei 2025 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een veiligheidsurgentie. Bij de aanvraag heeft eiseres aangegeven dat er tussen 15 januari 2025 en 13 mei 2025 vijf explosies hebben plaatsgevonden bij haar woning en dat de burgemeester met het besluit van 16 mei 2025 de woning met onmiddellijke ingang heeft gesloten voor de duur van drie maanden.
3.2.. Op 25 augustus 2025, heeft eiseres een urgentieverklaring aangeboden gekregen voor een passende vierkamerwoning. Eiseres heeft deze geweigerd, omdat zij eerder per e-mail een toezegging had ontvangen voor een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op basis van maatwerk heeft eiseres vervolgens op 1 september 2025 een nieuw besluit ontvangen met een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op 3 september 2025 is eiseres teruggekeerd naar haar eigen woning. Het bezwaar van eiseres richt zich op het feit dat zij medische klachten heeft en geen trappen kan lopen met boodschappen. Eiseres wenst daarom etagebinding waarbij zij enkel in aanmerking komt voor een gelijkvloerse woning of een woning bereikbaar met lift. Daarnaast vindt eiseres de wachttijd voor een nieuwe woning te lang en wenst zij dat de nieuwe woning van een gelijkwaardig afwerkingsniveau is als haar huidige nieuwbouwwoning.
3.3.. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de medische situatie van eiseres niet eerder is meegenomen bij de verlening van de urgentieverklaring omdat dat tijdens de aanvraagprocedure niet is aangevoerd. Eiseres heeft de urgentieverklaring aangevraagd vanwege veiligheidsredenen. In het kader van het bezwaar heeft verweerder de medische situatie van eiseres alsnog meegewogen en beoordeeld. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de aanvullende voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 11 van de Nadere regels van de Huisvestingsverordening 2024 voor het verkrijgen van een eventuele etagebinding of een gelijkvloerse woning. De overgelegde medische informatie beschrijft weliswaar dat eiseres langdurig rugpijn ervaart, met uitstraling naar de benen en een beperkt uithoudingsvermogen, maar de arts kwalificeert deze klachten niet als ernstig of levensontwrichtend. Er ontbreekt een medische duiding van de gevolgen van deze klachten voor de dagelijkse levensvoering van eiseres. Daarnaast stelt verweerder dat een urgentie op basis van veiligheidsredenen eiseres geen snellere toewijzing van een woning oplevert. Na toekenning komt eiseres op dezelfde wachtlijst terecht als andere woningzoekenden met urgentie. Factoren zoals woninggrootte en uitgesloten wijken bepalen de wachttijd. Tot slot benadrukt verweerder in het bestreden besluit dat er op diverse vlakken coulance is getoond naar eiseres, zoals het meenemen van haar meerderjarige kinderen bij de urgentieverklaring en het toestaan van het uitsluiten van stadsdelen, maar dat verweerder niet kan tegemoetkomen aan alle wensen van eiseres. Zo kan er geen rekening worden gehouden met het afwerkingsniveau van de woning, zoals een nieuwbouwwoning.
Overwegingen
4. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat verweerder de inhoud en strekking van de overgelegde medische informatie miskent. Uit de specialistische bevindingen van de afdeling orthopedie van het OLVG volgt immers dat eiseres beperkt is in haar loopafstand, dat opwaartse belasting - waaronder traplopen - leidt tot directe toename van radiculaire pijn en dat sprake is van progressieve neurologische klachten. Traplopen vormt voor eiseres een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom en veroorzaakt verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit. De functionele beperkingen zijn daarmee structureel en rechtstreeks van invloed op haar woonsituatie. Voor zover verweerder meent dat onvoldoende expliciet is benoemd dat sprake is van een medische noodzaak voor een gelijkvloerse woning of liftvoorziening, geldt dat behandelend specialisten hun diagnoses en bevindingen opstellen vanuit medisch inhoudelijk perspectief en niet vanuit het specifieke toetsingskader van de verordening. Het enkele feit dat een specialist niet letterlijk de terminologie van het toetsingskader hanteert, kan niet afdoen aan de objectieve medische bevindingen die de functionele beperkingen van eiseres aantonen. Indien verweerder van oordeel was dat nadere medische duiding noodzakelijk was, had het op zijn weg gelegen om eiseres op te roepen voor een onafhankelijk medisch onderzoek, bijvoorbeeld via de GGD of een andere deskundige instantie. Door dit na te laten en zonder nader onderzoek te concluderen dat geen sprake is van ernstige of structurele beperkingen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
5. Eiseres heeft ter zitting verduidelijkt dat zij, gelet op haar problemen met traplopen, graag een woning op de begane grond of bereikbaar met lift wenst. Een woning met meerdere woonlagen, zoals bij een woning met een benedenverdieping en een bovenverdieping, is geen probleem. Eiseres kan, net als in haar huidige woning, ongeveer 15 traptreden lopen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) volgt dat verweerder niet de eis kan stellen dat uit de verklaring van een medische behandelaar de medische noodzaak blijkt voor een urgentieverklaring. Een verklaring waarin de arts een oordeel geeft over de patiënt en of die patiënt bijvoorbeeld in aanmerking moet komen voor een (andere) woonruimte, is een geneeskundige verklaring. Op grond van de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) mogen behandelend artsen geen geneeskundige verklaring afgeven over hun eigen patiënten. Een dergelijke verklaring kan alleen door een onafhankelijke arts worden afgegeven. Voorgaande neemt niet weg dat verweerder wel de eis kan stellen dat de aanvrager stukken, zoals bijvoorbeeld een diagnose van de behandelend arts of een afschrift van het medisch dossier, moet overleggen waaruit de ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem volgt. Als een dergelijke verklaring voldoende aanknopingspunten bevat dat de medische problematiek samenhangt met het huisvestingsprobleem, ligt het in de rede dat verweerder de GGD om advies vraagt voor een onafhankelijk advies.
7. In bezwaar heeft eiseres medische informatie van de afdeling orthopedie van het OLVG West van 10 september 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiseres bekend is met chronische rugklachten en een lichte scoliose. Eiseres heeft last van uitstralende pijn maar in het onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze medische informatie geen aanleiding hoeven zien om de GGD om advies te vragen. Deze medische informatie bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het vermoeden dat de medische problemen van eiseres van zodanige ernstige en levensontwrichtende aard zijn en bovendien samenhangen met haar huisvestingsprobleem, dat verweerder aan haar een indicatie voor een woning op de begane grond of een woning met lift had moeten toekennen. De stelling van eiseres dat uit de medische informatie zou volgen dat traplopen voor haar een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom veroorzaakt en dat traplopen een verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit veroorzaakt, volgt de rechtbank niet. In de medische informatie die eiseres heeft overgelegd wordt dit namelijk niet vermeld. Er blijkt ook niet uit dat eiseres niet meer in staat is om trap te lopen of andere aanknopingspunten dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is. Kortom, de medische informatie toont aan dat eiseres rugklachten heeft, maar onderbouwt onvoldoende dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is.
8. Daar komt bij dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat sprake is van contra indicaties voor de stelling van eiseres dat zij niet kan traplopen. De huidige woning van eiseres heeft namelijk een trap van de benedenverdieping naar de bovenverdieping die eiseres gebruikt en waar zij geen problemen mee heeft. Daarnaast heeft eiseres in het voortraject voorafgaand aan het toekennen van de urgentieverklaring nooit aangegeven dat sprake was van medische problematiek. Eiseres heeft in een adviesgesprek bij verweerder juist aangegeven geen woning op de begane grond te wensen en dat er desgevraagd geen problemen waren met traplopen.
9. Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiseres (dusdanige) medische problemen heeft met traplopen dat verweerder de GGD daarover om advies had moeten vragen. Verweerder heeft dan ook terecht besloten om aan de urgentieverklaring van eiseres niet de voorwaarde voor een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift toe te voegen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4157 en 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:420.