[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6440":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6440":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1485","ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F755497 \u002F HA ZA 24-921\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar buitenlands recht X CORP.,\n\ngevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika, 2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY,\n\ngevestigd te Dublin, Ierland, 3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. H.J. Pot te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk SOMI, X Corp, XIUC en Twitter Netherlands worden genoemd. X Corp, XIUC en Twitter Netherlands zullen hierna gezamenlijk X Corp c.s. worden genoemd.\n\n1. De kern van de zaak en de beslissing\n\n1.1.. Deze zaak gaat over een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden. Daarbij gaat het om materiële en immateriële schade.\n\n1.2.. In deze fase van de procedure en dus in dit vonnis gaat het niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI. Eerst moet de rechtbank beoordelen of SOMI de collectieve actie mag instellen (de ontvankelijkheid).\n\n1.3.. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat onduidelijk is of SOMI over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten. Voor het overige voldoet SOMI aan de ontvankelijkheidseisen (onder de WAMCA).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de gelijkluidende dagvaardingen van 15 augustus 2024 van SOMI;\n\n- de akte overlegging producties van SOMI, met producties 1 tot en met 123; - de partiële conclusie van antwoord van X Corp c.s., met producties 1 tot en met 43; - het tussenvonnis van 17 december 2025;\n\n- de akte houdende overlegging aanvullende producties van X Corp c.s., met producties 44 tot en met 67; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 124 tot en met 137;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- het B-formulier van mr. Vaal van 13 mei 2026, waarmee zij zich onttrekt als advocaat van SOMI;\n\n- het B-formulier van mr. Schimmel van 13 mei 2026, waarmee hij zich stelt als de nieuwe advocaat van SOMI.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SOMI\n\nOver SOMI\n\n3.1.. SOMI is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is op 31 mei 2016 opgericht door [bedrijf 1] B.V. (thans [bedrijf 2] B.V., hierna: [bedrijf 2]). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]), waarvan [naam 1] (hierna: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is.\n\n3.2.. Het doel van SOMI op grond van artikel 2.1 sub a van haar statuten, luidt: “het behartigen van belangen van natuurlijke personen, in het bijzonder van consumenten en minderjarigen, die gebruikmaken van onlinediensten, waarbij op enig moment een schending van de rechten van die natuurlijke personen plaatsvindt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot inbreuken op grondrechten, zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op bescherming van privacy en bescherming van persoonsgegevens, alsmede inbreuken op consumentenrechten en wet- en regelgeving ter bescherming van minderjarigen”.\n\n3.3.. Sinds 31 mei 2021 heeft SOMI drie bestuurders. Dat zijn op dit moment [naam 1], [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [naam 3].\n\n3.4.. SOMI heeft een toezichthoudend orgaan in de vorm van de raad van toezicht (zie artikel 3 van de statuten). De raad van toezicht heeft drie leden. De huidige leden zijn [naam 4], [naam 5] en [naam 6].\n\n3.5.. Op 12 december 2022 hebben SOMI, [bedrijf 3] en [bedrijf 2] een schenkingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is de vordering die [bedrijf 3] per 1 december 2022 op SOMI heeft, van in totaal (afgerond) € 1,7 miljoen, kwijtgescholden. Verder is afgesproken dat [bedrijf 3] SOMI met ingang van 1 december 2022 financiert door middel van schenking van alle middelen die SOMI nodig heeft voor de uitvoering van haar activiteiten, dat deze schenking (afgerond) € 4,8 miljoen bedraagt (te weten tot een totaal beloop van de schenking door [bedrijf 3] aan SOMI van (€ 1,7 + € 4,8) € 6,5 miljoen) of zoveel meer als SOMI nodig zal blijken te hebben voor haar activiteiten tot 1 januari 2028, dat [bedrijf 3] de schenkingen op eerste verzoek van SOMI beschikbaar stelt, zonder dat [bedrijf 3] daaraan nadere voorwaarden kan stellen, en dat SOMI niet verplicht is tot terugbetaling van de schenkingen.\n\n3.6.. Op 17 juni 2024 is SOMI geplaatst op de lijst als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen(hierna: de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie).\n\n3.7.. Bij brief van 3 juli 2024 heeft SOMI X Corp c.s. aansprakelijk gesteld voor schendingen van verplichtingen tot gegevensbescherming en consumentenrechten op het X-platform en hen uitgenodigd om met haar in overleg te treden.\n\nOver X Corp c.s.\n\n3.8.. X Corp is het Amerikaanse techbedrijf van [naam 7] en heeft in oktober 2022 alle aandelen in Twitter Inc, een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf dat sinds 2006 haar Twitter-dienst aanbood, overgenomen. Enig aandeelhouder van X Corp is X Holding Corp.\n\n3.9.. XIUC (tot voor kort genaamd Twitter International Unlimited Company) is een dochtermaatschappij van X Corp. Zij exploiteert binnen de Europese Unie het X-platform (voorheen de Twitterdienst). Dat is een internetplatform, bestemd voor het plaatsen van een kort bericht met een maximum van 280 tekens, een zogeheten ‘tweet’ of ‘post’. Het is toegankelijk via de website [internetsite] en via applicaties voor mobiele telefoons en tablets. Elke gebruiker met een account op X kan een tweet plaatsen op het X-platform.\n\n3.10.. Twitter Netherlands is een (Nederlandse) dochtermaatschappij van XIUC en houdt zich bezig met marketing- en marktontwikkelingsactiviteiten.\n\n4. De vordering\n\n4.1.. De volledige vorderingen van SOMI zoals opgenomen in de dagvaarding zijn weergegeven in de bijlage bij dit vonnis. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij haar vorderingen onder de DSA niet langer tegen Twitter Netherlands richt maar alleen tegen X Corp en XIUC en dat zij in zoverre haar eis wijzigt.\n\n4.2.. \n\nSOMI stelt dat X Corp c.s. onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). X Corp c.s. schenden diverse verplichtingen onder de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG), de Digital Services Act (DSA)en de Nederlandse implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken(Afdeling 3A van Boek 6, titel 3 van het BW). Ook beroept SOMI zich op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Samengevat komen de verwijten van SOMI erop neer dat X Corp c.s.:\n\n(i) geen passende beveiligingsmaatregelen hebben genomen ter bescherming van persoonsgegevens van X-gebruikers en hebben verzuimd datalekken te melden c.q. daarover te informeren;\n\n(ii) ongeoorloofd gebruik hebben gemaakt van bijzondere persoonsgegevens van X-gebruikers voor haar advertentiedienst (microtargeting); en\n\n(iii) niet heeft voldaan aan de zorgplicht voor grote online platforms om zogenaamde systeemrisico’s tegen te gaan, waaronder de verplichting om voldoende maatregelen te nemen tegen hate speech op het X-platform en om onderzoek naar de schadelijke effecten van systeemrisico’s voor de maatschappij mogelijk te maken.\n\n4.3.. \n\nSOMI voert ten aanzien van het verwijt onder (i) aan dat in de periode juni 2021 tot\n\n13 januari 2022 een datalek is ontstaan op het X-platform, die tot een reeks verdere datalekken heeft geleid. Volgens SOMI gaat het om vier datalekken, waarvan de laatste plaatsvond op 4 januari 2023 en waarbij accountgegevens (met e-mailadressen en telefoonnummers) van aanvankelijk 5,4 miljoen X-gebruikers en later 400 miljoen X-gebruikers zijn verkregen en te koop aangeboden op het darkweb. De datalekken zijn het gevolg van door X Corp c.s. getroffen gebrekkige beveiligingsmaatregelen en zijn door X Corp c.s. niet tijdig en volledig gemeld aan de toezichthouder en de getroffen X-gebruikers. Daarmee hebben X Corp c.s. in strijd gehandeld met (artikelen 5 lid 1 sub f, 32, 33 en 34 van) de AVG.\n\n4.4.. \n\nWat betreft het verwijt onder (ii) stelt SOMI dat X Corp c.s. gedetailleerde profielen\n\nvan X-gebruikers samenstellen door gebruikersgedrag te monitoren en deze profielen\n\nvervolgens gebruiken om gericht advertenties aan te bieden aan X-gebruikers op basis van\n\nspecifieke criteria (microtargeting). X Corp c.s. gebruiken daarbij ook bijzondere categorieën\n\nvan persoonsgegevens waaruit bijvoorbeeld de etnische afkomst, politieke opvattingen en\u002Fof\n\nreligie van X-gebruikers kunnen worden afgeleid. Dit alles vindt plaats zonder dat de X-\n\ngebruikers hiervan op de hoogte zijn en is in strijd met (artikelen 9 lid 1, 5 lid 1 onder a, 12,\n\n13 en 14 van) de AVG en (artikel 26 lid 3 van) de DSA. Ook het openbare advertentieregister\n\nis gebrekkig en onbetrouwbaar (artikel 39 DSA). Het in advertentievoorwaarden doen\n\nvoorkomen alsof microtargeting door adverteerders op het X-platform niet mag maar dit toch\n\nlaten gebeuren, is een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. Het\n\nachterwege laten van de op grond van artikel 13 en 14 AVG vereiste informatie moet worden aangemerkt als een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW.\n\n4.5.. \n\nAan het verwijt onder (iii) legt SOMI ten grondslag dat X Corp c.s. (althans X Corp\n\nen XIUC) verplicht zijn om systeemrisico’s die voortvloeien uit (het ontwerp of de werking\n\nvan) het X-platform, waaronder het verspreiden van illegale inhoud zoals hate speech, te\n\nbeoordelen en de in kaart gebrachte systeemrisico’s te beperken door het treffen van\n\nmaatregelen. Sinds de overname van het X-platform door [naam 7] is sprake van een\n\ntoename van hate speech. X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) doen te weinig om de\n\nsysteemrisico’s aan te pakken op het X-platform en belemmeren onderzoek daarnaar. Zij\n\nschenden daarmee (artikelen 34, 35 en 40 van) de DSA.\n\n4.6.. \n\nSOMI stelt dat de X-gebruikers voor wie zij in deze procedure opkomt door de\n\nhandelwijze van X Corp c.s. materiële en immateriële schade hebben geleden. SOMI houdt X\n\nCorp c.s. voor de schade hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 82 lid 4 AVG en\n\nartikel 6:166 BW.\n\n5. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid\n\n5.1.. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat twee van de drie gedaagde partijen (X Corp en XIUC) hun woonplaats in het buitenland hebben. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI op deze partijen. Ter zitting hebben X Corp en XIUC verklaard dat zij zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank.\n\n5.2.. Voor XIUC moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis, omdat het geschil ten aanzien van haar zowel materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.Voor X Corp geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n5.3.. X Corp en XIUC hebben geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen die SOMI tegen hen heeft ingesteld. Daarmee hebben zij blijkens hun proceshouding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard.Zij zijn immers in het geding verschenen zonder zich, zoals 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis en artikel 11 Rv vereisen, tijdig op het ontbreken van die bevoegdheid beroepen. Verder staat de rechtsbetrekking tussen partijen ter vrije bepaling (artikel 9 Rv). Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen (artikel 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis ten aanzien van XIUC en artikel 9 lid 1 Rv ten aanzien van X Corp) bevoegd is.\n\n5.4.. Voor de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter is artikel 99 lid 1 Rv van belang. Hierin is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is. Hieruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van de vorderingen tegen Twitter Netherlands, die immers in Amsterdam is gevestigd. Niet in geschil is dat tussen de vorderingen tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kan Twitter Netherlands de rol van ankergedaagde vervullen en is deze rechtbank tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen XIUC op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis en ten aanzien van de vorderingen tegen X Corp op grond van artikel 107 Rv.\n\n5.5.. Uit het voorgaande volgt dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI. Welk recht van toepassing is op deze vorderingen, kan worden bepaald bij de inhoudelijke behandeling van de vorderingen.\n\n6. De beoordeling van de ontvankelijkheid van SOMI\n\nInleidende opmerkingen en verzoeken om aanhouding\n\n6.1.. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands collectief actierecht van toepassing, ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de vorderingen van SOMI. Niet in geschil is dat de vorderingen van SOMI vallen onder het collectief actieregime van Titel 14A van Boek 3 Rv (artikel 1018b e.v. Rv), zoals dat per 1 januari 2020 is ingevoerd met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: de WAMCA) en per 25 juni 2023 is gewijzigd na implementatie van de Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten.\n\n6.2.. Uit artikel 1018c lid 5 Rv volgt dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering van SOMI slechts kan plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist:\n\na. dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW;\n\nb. dat SOMI voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;\n\nc. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.\n\n6.3.. SOMI heeft haar vorderingen (deels) gebaseerd op schendingen van de AVG. Ook de AVG stelt ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties. Een belangenorganisatie moet (i) een orgaan, organisatie of vereniging zijn dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, (ii) zij mag geen winstoogmerk hebben, (iii) haar statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen en (iv) zij moet actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens (artikel 80 lid 1 AVG). Deze eisen gelden ook voor belangenorganisaties die onafhankelijk van een opdracht voor de betrokkenen optreden (artikel 80 lid 2 AVG).\n\n6.4.. Zowel de WAMCA als de AVG stellen dus ontvankelijkheidseisen aan organisaties die een collectieve actie willen starten. Deze vereisten lopen voor een groot deel parallel aan elkaar, maar komen niet volledig overeen. Zo moet de belangenorganisatie op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Evenmin vereist artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de collectieve actie te kunnen bekostigen. Dit betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere en strengere eisen gelden. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG.\n\n6.5.. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen de WAMCA en de AVG en over de uitleg van het in artikel 80 AVG opgenomen actiefvereiste en opdrachtbegrip.Een van de vragen is of de AVG toestaat dat een collectieve organisatie schadevergoeding vordert zonder een individuele opdracht van de betrokkene. X Corp c.s. menen van niet en hebben de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarvoor in deze fase van de procedure geen aanleiding. Het gaat in deze collectieve actie om drie deelonderwerpen. SOMI beroept zich niet voor ieder deelonderwerp op de AVG en, daar waar zij dat wel doet, legt zij ook de DSA en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan haar vorderingen ten grondslag. Dit betekent dat de rechtbank hoe dan ook de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moet beoordelen. Overigens is het niet uitgesloten dat de rechtbank in het vervolg van deze procedure alsnog besluit tot aanhouding, afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA.\n\n6.6.. X Corp c.s. hebben verder verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA, omdat over de schending van artikelen 34 en 35 DSA door (onder meer) XIUC nog een onderzoek van de Europese Commissie loopt en hoger beroep is ingesteld door (onder meer) XIUC tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 op basis van artikelen 25, 39 en 40 DSA (zie ook hierna onder 6.83). Het beginsel van Unietrouw brengt volgens X Corp c.s. met zich dat de nationale rechter de procedure in beginsel moet schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak van de EU-rechter. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat het in deze fase van de procedure alleen nog maar gaat over de ontvankelijkheid van SOMI en niet om een inhoudelijke beoordeling van de door SOMI gestelde schending van de artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA.\n\nOntvankelijkheidseisen onder de WAMCA (artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW)\n\nWettelijk kader en uitgangspunten\n\n6.7.. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en lid 3 van artikel 3:305a BW.\n\n6.8.. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het representativiteitsvereiste). Daarnaast is in lid 2 van artikel 3:305a BW, onder a tot en met f, een aantal specifieke eisen op het gebied van governanceen transparantie opgesomd waaraan de belangenorganisatie moet voldoen.\n\n6.9.. Verder mogen de bestuurders betrokken bij de oprichting van de belangenorganisatie, en hun opvolgers, geen winstoogmerk hebben (artikel 3:305a lid 3 onder a BW), moet de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben (artikel 3:305a lid 3 onder b BW) en moet de belangenorganisatie voldoende hebben getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (het overlegvereiste; artikel 3:305a lid 3 onder c BW).\n\n6.10.. De rechtbank moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW is voldaan.\n\n6.11.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet, is van belang dat zij op 17 juni 2024 is geplaatst op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie (zie 3.6). Ten behoeve van de aanwijzing is door de Minister voor Rechtsbescherming vastgesteld dat SOMI voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a, b en d, lid 3, onderdeel a en lid 5 BW (zie artikel 3:305e lid 2 BW). Dit betekent dat, wanneer SOMI in de Europese Unie een collectieve actie start, de rechter van die lidstaat de inrichting van SOMI (op deze onderdelen) niet mag beoordelen.Uit onderdeel 12 van de considerans van de Richtlijn representatieve vorderingen volgt dat de eisen voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen niet mogen afwijken van de eisen voor binnenlandse representatieve vorderingen. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat bij de aanwijzing de inrichting van de belangenorganisatie is gecontroleerd, maar dat tussen het moment van de aanwijzing en het instellen van de collectieve actie de situatie kan zijn veranderd.De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat SOMI voldoet aan de hiervoor genoemde eisen met betrekking tot de inrichting van haar organisatie, tenzij zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die niet in aanmerking genomen konden worden bij de aanwijzing omdat zij zich pas daarna hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat dit niet langer het geval is.Dit uitgangspunt is, anders dan X Corp c.s. stellen, niet in strijd met de Richtlijn representatieve vorderingen en evenmin met het leerstuk van de formele rechtskracht. Artikel 5 lid 4 van deze richtlijn biedt X Corp c.s. de ruimte om in een civiele procedure gerechtvaardigde twijfels te uiten over denalevingdoor SOMI van voormelde artikelen. Dit impliceert niet alleen dat X Corp c.s. nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen, maar ook dat zij het besluit van de Minister wel degelijk bij de rechtbank ter discussie kunnen stellen en in zoverre dus niet in hun recht op verdediging worden geschaad.\n\nStatutenvereiste\n\n6.12.. SOMI is een stichting naar Nederlands recht. Uit haar statuten blijkt dat zij tot doel heeft de behartiging van belangen van consumenten die gebruik maken van onlinediensten en wiens rechten worden geschonden (zie 3.2). In deze procedure komt SOMI op voor deze belangen. Dat is ook niet door X Corp c.s. betwist. Dit betekent dat is voldaan aan het statutenvereiste (van artikel 3:305a lid 1 BW).\n\nRepresentativiteitsvereiste\n\nMoment van toetsing\n\n6.13.. Het is vaste rechtspraak dat de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moeten worden getoetst op het moment dat de rechter hierover een beslissing neemt (ex nunc-toets). X Corp c.s. betwisten dit op zichzelf niet, maar stellen dat een uitzondering geldt voor het representativiteitsvereiste. Dit vereiste moet volgens X Corp beoordeeld worden op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding (ex tunc-toets). Anders kan, zo stellen X Corp c.s., een stichting of vereniging op elk moment een rechtsvordering instellen, waardoor de aangesproken partij wordt gedwongen tot het maken van het kosten, ook wanneer achteraf blijkt dat er geen steun voor de actie bestaat. Eenex nunc-toetsing leidt er ook toe dat de andere ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA, zoals het overlegvereiste, zinledig zijn en dat de aangesproken partij zich niet behoorlijk kan verdedigen wanneer pas op zitting concrete stellingen over representativiteit worden ingenomen. X Corp c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op een passage in de wetsgeschiedenis, waarin is overwogen dat “op voorhand” duidelijk moet zijn dat de eisende partij representatief is.\n\n6.14.. De rechtbank volgt X Corp c.s. hierin niet. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij (in dit geval SOMI) te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist op de ontvankelijkheid van de eisende partij op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de toets van de representativiteit dient plaats te vinden aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van de dagvaarding. De door X Corp c.s. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis biedt hiervoor onvoldoende steun, mede in het licht van de overweging van de wetgever dat de rechter “een doorlopende toets moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd”.Dit pleit voor een toetsingex nuncvan alle ontvankelijkheidseisen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat de rechter ook in de spiegelbeeldige situatie dat de eisende partij aanvankelijk wél maar later niet voldoende representatief is, niet mag ingrijpen en dan de procedure moet laten voortduren. Uit artikel 1018f lid 1 Rv kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Dit artikel biedt de rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de collectieve vordering niet wordt voortgezet indien het aantal personen dat verklaart niet te willen meedoen aan de collectieve actie te groot is om voortzetting te rechtvaardigen.\n\n6.15.. Het argument van X Corp c.s. dat toetsing ex nuncorganisaties aanmoedigt om een collectieve vordering in te stellen zonder zich ervan te vergewissen of daarvoor voldoende steun bestaat en de aangesproken partij daardoor het risico loopt onnodig hoge kosten te maken, overtuigt niet. De eisen van een goede procesorde gelden onverkort. Bovendien kan het instellen van een kansloze vordering misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren. Verder neemt toetsingex nuncniet weg dat ook feiten en\u002Fof omstandigheden uit het verleden kunnen meewegen. Toetsingex nuncmaakt het echter mogelijk om ook rekening te houden met de actuele stand van zaken en daarmee met de materiële werkelijkheid op het moment van het nemen van de rechterlijke beslissing op de vorderingen. De stelling van X Corp c.s. dat een toetsingex nuncde aangesproken partij kan schaden in diens mogelijkheden om zich goed te verdedigen, stuit af op de eisen van de goede procesorde. Ook valt niet goed in te zien waarom de andere ontvankelijkheidseisen, zoals het overlegvereiste (van artikel 3:305a lid 3 onder c BW), bij eenex nunctoetsing zinledig zouden zijn. Het overlegvereiste is in de wet opgenomen om zelfregulering door marktpartijen te bevorderen en om te voorkomen dat een belangenorganisatie onverhoeds een vordering instelt waarmee de wederpartij – die de belangenorganisatie soms nog niet kende – wordt overvallen.Daarvoor is niet nodig en ook niet vereist dat de belangenorganisatie precies weet wie achter haar actie staan. Hetzelfde geldt voor de andere ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA.\n\n6.16.. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ex nuncbeoordeelt of SOMI voldoet aan het representativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 3:305a lid 2 BW.\n\nBeoordeling representativiteitsvereiste\n\n6.17.. Het representativiteitsvereiste geeft invulling aan de in artikel 3:305a lid 1 BW neergelegde voorwaarde dat de belangen die een stichting of vereniging behartigt voldoende zijn gewaarborgd. Bij representativiteit gaat het om de mate waarin een belangenorganisatie, gelet op haar achterban, als representatief voor de groep gedupeerden kan worden gezien.Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Een belangenorganisatie zal duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt. Het representativiteitsvereiste voorkomt dat een belangenbehartiger kan procederen zonder de ondersteuning van een achterban en strekt vooral ter bescherming van de belangen van de belanghebbenden. Daarom moet duidelijk zijn dat een belangenbehartiger kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld. De representativiteit van een belangenorganisatie kan ook worden afgeleid uit de overige werkzaamheden die de organisatie verricht heeft om zich voor de belangen van de gedupeerden in te zetten.\n\n6.18.. De collectieve kernvraag die SOMI in deze procedure aan de orde stelt, is of X Corp c.s. gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, (ads)profileringen content moderatie in strijd hebben gehandeld met de AVG en de DSA. SOMI heeft deze kernvraag uitgesplitst in drie subonderdelen – datalekken, verboden microtargeting en hate speech (of breder: systeemrisico’s) – met elk een nauw omschreven subgroep. SOMI onderscheidt de volgende subgroepen:\n\n- voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging: alle in Nederland\n\n woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 1 juni 2021 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (door SOMI aangeduid als Achterban A);\n\n- voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X Corp c.s., waaronder een vijftal in de dagvaarding genoemde advertenties (door SOMI aangeduid als Achterban B);\n\n- voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico’s voor grote online platforms, waaronder het tegengaan van hate speech: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform (door SOMI aangeduid als Achterban C).\n\n6.19.. SOMI heeft een rapport, gedateerd op 20 maart 2026, van DigiJuris in het geding gebracht. DigiJuris heeft in opdracht van SOMI onderzoek gedaan naar de inrichting van het aanmeldproces op de (twee) websites van SOMI en de door SOMI ontwikkelde app en de vaststelling van het aantal in Nederland woonachtige personen dat zich heeft aangemeld voor de collectieve actie tegen X Corp c.s. DigiJuris heeft in aanwezigheid van een deurwaarder, die een proces-verbaal van constateringen heeft opgemaakt, verschillende testaanmeldingen gedaan en de door SOMI overgedragen gegevens in de databases met aanmeldingsgegevens onderzocht. DigiJuris is tot de conclusie gekomen dat zich in totaal 51.546 unieke deelnemers hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI tegen X Corp c.s.\n\n6.20.. X Corp c.s. betwisten dat het door DigiJuris genoemde aantal deelnemers kan bijdragen aan de representativiteit van SOMI. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de aanmelders geen juist en eerlijk beeld van de zaak hebben gehad, zodat niet kan worden aangenomen dat zij SOMI en haar vorderingen daadwerkelijk ondersteunen. Dit argument slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat op de websites van SOMI en in de SOMI-app meerdere stappen en schermen moeten worden doorlopen voordat iemand zich kan aanmelden voor de collectieve actie en (als sluitstuk) het registratieformulier kan invullen. Weliswaar wordt op het eerste scherm een mogelijkecompensatie van € 2.500,- in het vooruitzicht gesteld, maar daarna volgen schermen met een toelichting op de collectieve actie van SOMI, zoals ‘wat SOMI eist’, ‘hoe werkt het’, ‘waar gaat de claim over?’ en ‘waarom deelnemen aan deze claim?’. Hierbij worden de drie deelonderwerpen van de collectieve actie – datalekken, microtargeting en haatzaaiende uitlatingen – besproken. In de daarop volgende schermen wordt kort toegelicht wat SOMI is en wat zij doet, waarbij links zijn opgenomen naar (onder meer) de dagvaarding, de statuten en de meest recente jaarverslagen van SOMI. Op geen enkel scherm staat vermeld dat SOMI al ontvankelijk is en dat deelnemers een vergoeding ontvangen voor het aandragen van nieuwe deelnemers. Onderdeel van het aanmeldproces is dat de deelnemer zich akkoord verklaart met de deelnemersovereenkomst. In artikel 2.3 van deze overeenkomst is vastgelegd dat SOMI maximaal 15 procent zal inhouden op de schadevergoeding in verband met haar kosten. SOMI heeft gemotiveerd betwist dat dit ooit 2 procent was en dat het inmiddels 17 procent is, zoals X Corp c.s. stellen. Gelet op al deze informatie kan niet worden aangenomen dat SOMI op haar websites en in haar app geen duidelijk en eerlijk beeld geeft van de collectieve actie en dat de deelnemers geen geïnformeerde en weloverwogen keuze hebben gemaakt.\n\n6.21.. In de tweede plaats stellen X Corp c.s. dat het door DigiJuris vastgestelde aantal aanmeldingen onvoldoende betrouwbaar is, omdat DigiJuris de aanmeldingen alleen heeft gecontroleerd op dubbele e-mailadressen en niet is uitgesloten dat één persoon zich met meerdere e-mailadressen heeft aangemeld. Ook deze stelling slaagt niet. Nergens uit blijkt dat dit is gebeurd. Bovendien, zo volgt uit het proces-verbaal van de deurwaarder en de daarin opgenomen schermafbeeldingen van het aanmeldproces, moet bij aanmelding niet alleen het e-mailadres worden opgegeven maar ook unieke persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam en, bij aanmelding via de websites van SOMI, ook nog de geboortedatum (zie schermafbeeldingen 21, 47 en 64). Iedere aanwijzing dat een of meerdere personen zich moedwillig meerdere keren hebben aangemeld, ontbreekt.\n\n6.22.. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat 51.456 personen zich hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI en dat zij SOMI en haar vorderingen ondersteunen.\n\n6.23.. X Corp c.s. hebben verder nog aangevoerd dat SOMI representatief dient te zijn voor elke afzonderlijke nauw omschreven groep en dat, nu SOMI in het aanmeldproces geen onderscheid maakt tussen de groepen A, B en C (door SOMI genoemd Achterban A, B en C, zie hiervoor onder 6.18) en de deelnemer ook niet vraagt om te bevestigen of hij of zij onder één of meerdere van deze groepen valt, SOMI niet heeft aangetoond dat dit het geval is. De rechtbank volgt X Corp c.s. ook hierin niet. SOMI stelt in deze collectieve actie drie typen onrechtmatige handelingen van X Corp c.s. – datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech – aan de orde die volgens haar allemaal manifestaties zijn van één en dezelfde wijze waarop het X-platform wordt ingericht, geëxploiteerd en beveiligd. Volgens SOMI bevinden de gegevens van ongeveer 3,1 miljoen Nederlandse X-gebruikers zich in de gelekte datasets. X Corp c.s. betwisten dat dit aantal juist is, maar onderbouwen dit niet, althans onvoldoende. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat zij bij uitstek degenen zijn die dit kunnen nagaan. Ook als X Corp c.s. gevolgd zouden worden in hun stelling dat SOMI van de verkeerde gelekte dataset uitgaat (de dataset van 200 miljoen X-gebruikers wereldwijd in de plaats van de dataset van 5,4 miljoen X-gebruikers), dan staat vast dat het nog altijd gaat om een grote groep Nederlandse X-gebruikers van wie de gegevens zouden zijn gelekt. Volgens SOMI worden alle actieve Nederlands X-gebruikers geraakt door (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. Dat zijn er volgens SOMI ongeveer 7,8 miljoen. X Corp c.s. hebben ook dat aantal niet betwist, althans niet gemotiveerd. Dit betekent dat elk van de groepen van belanghebbenden voor wie SOMI in deze collectieve actie opkomt, groot of zeer groot is. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de door X Corp c.s. aangehaalde zaken van Stichting Sinti, Roma en Reizers\u002Fde gemeente Den HaagenStichting Initiatieven Collectieve Acties Massaschade\u002Fde Staat der Nederlanden, waarin het ging om (zeer) kleine groepen van belanghebbenden. Om die reden is het niet bezwaarlijk dat SOMI bij de aanmelding niet heeft gevraagd of de betrokkene tot groep A, B en\u002Fof C behoort. Voldoende is dat er een ruime en plausibel omschreven groep is die waarschijnlijk wordt geraakt door het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. én dat een substantieel deel daarvan de collectieve actie van SOMI ondersteunt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier voor elk van de subgroepen het geval, zowel in absolute als in relatieve aantallen, ook gezien de aard van de claim (in belangrijke mate een privacyclaim gericht op minder- en meerderjarigen met betrekking tot een digitaal product dat zonder betaling kan worden gebruikt) en de omstandigheid dat het initiatief tot het werven van een achterban van SOMI moet uitgaan (die daarvoor beperkte middelen heeft).\n\n6.24.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI voldoende representatief is, betrekt de rechtbank verder dat acht verschillende Nederlandse en buitenlandse maatschappelijke organisaties (met een track record, zoals Stichting Privacy First) op het gebied van (digitale) grondrechten en privacywetgeving hun steun hebben uitgesproken voor de collectieve actie van SOMI. De rechtbank volgt X Corp c.s. niet in hun stelling dat de steunverklaringen te beperkt en te algemeen zijn. De organisaties hebben uiteengezet dat en waarom het van belang is dat het X-platform in lijn wordt gebracht met de wettelijke en ethische normen die in Europa gelden en de rol die de collectieve actie van SOMI hierbij speelt. Hieruit blijkt dat in het bijzonder hate speech op het X-platform als problematisch wordt ervaren in Nederland.\n\n6.25.. Ook spelen de feitelijke werkzaamheden van SOMI in het kader van de representativiteit een rol. Uit de door SOMI overgelegde stukken blijkt dat zij actief is op het gebied van privacy- en consumentenrecht. Zij neemt deel aan bredere (Europese) initiatieven en evenementen waar zij haar ervaringen deelt, doet onderzoek (naar bijvoorbeeld de gevaren van online media), voert meerdere procedures tegen Big Tech bedrijven en informeert geïnteresseerden in haar activiteiten via haar website, social media, nieuwsbrieven en app. Hieruit blijkt dat zij zich inzet voor de belangen van haar achterban.\n\nConclusie\n\n6.26.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI representatief is te achten.\n\n6.27.. Dat SOMI drie verschillende nauw omschreven groepen onderscheidt, is voor het (eventuele) vervolg van de procedure, met name de opt-out fase, niet bezwaarlijk. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat praktisch kan worden ingeregeld dat iemand zich per soort van onrechtmatig handelen van X Corp c.s. (datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech) kan bevrijden. In de op de voet van artikel 1018f lid 3 Rv vereiste aankondiging van de collectieve vordering in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen kan vervolgens melding worden gemaakt van de wijze waarop dat moet gebeuren.\n\nGelijksoortigheidsvereiste\n\n6.28.. De door artikel 3:305a lid 1 BW vereiste gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden.Het gaat er bij toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten precies gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenisin voldoende mate vergelijkbaarzijn.Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van artikel 1018c lid 5 onder b Rv (het meerwaardevereiste). Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (het meerwaardevereiste) en dus is nodig dat (i) de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, (ii) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en (iii) indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat de belanghebbenden alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.\n\n6.29.. Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de beoordeling van de ontvankelijkheid (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling), volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. In de fase van de schadevaststelling kan nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschattingte maken van de gelijksoortigheid van de belangen.\n\n6.30.. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de collectieve actie gekenmerkt wordt door drie typen van onrechtmatig handelen niet reeds maakt dat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste wordt voldaan, zoals X Corp c.s. stellen. Zij hebben alle drie betrekking op de door SOMI geformuleerde kernvraag of X Corp c.s., gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, adsprofilering en content-moderatie, in strijd hebben gehandeld met de wet (in het bijzonder de AVG en de DSA). Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt dat in één collectieve actie niet verschillende massagebeurtenissen aan de orde kunnen worden gesteld die steeds andere groepen personen raken. Wel moet het efficiënt en effectief zijn om dit alles in één collectieve actie voor te leggen aan de rechter.\n\n6.31.. De vorderingen van SOMI vallen uiteen in vier categorieën: ten eerste formele kwesties die samenhangen met de inrichting van de WAMCA-procedure (i, ii, iii, iv, v), ten tweede verklaringen voor recht (dat, kort gezegd, X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld of ongerechtvaardigd zijn verrijkt) en verwijzing naar de schadestaat en\u002Fof veroordeling tot betaling van een vergoeding voor geleden immateriële schade (door Achterban C als gevolg van hate speech) (vi), ten derde geboden (vii en viii) en ten vierde het verstrekken van informatie (ix). Bij de eerste en vierde categorie behoeft de gelijksoortigheid van de belangen geen bijzondere beschouwing, gelet op de aard daarvan.\n\nVerklaringen voor recht en geboden\n\n6.32.. Bij het oordeel dat bepaald handelen onrechtmatig is (vanwege schending van de AVG, de DSA of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken), dat de aangesproken partij daarvoor aansprakelijk is en dat dergelijk gedrag voor de toekomst verboden wordt, hebben alle personen die geconfronteerd worden met een dergelijk gedrag hetzelfde of tenminste een gelijksoortig belang, dat in beginsel los staat van hun individuele positie. Die vorderingen vragen immers slechts dat de rechter zich een oordeel velt over de onrechtmatigheid van het gedrag. Een dergelijk oordeel strekt tot duidelijkheid over en erkenning van het geschonden rechtsbelang en het is efficiënt en effectief om dat in één procedure voor alle potentieel belanghebbenden te verkrijgen, in plaats van telkens een individuele procedure te entameren. De te beantwoorden vragen in die individuele procedures zullen immers, waar het gaat om deze aspecten steeds dezelfde zijn. Relevante feitelijke vragen zijn bijvoorbeeld of de (door SOMI aangehaalde) op het darkweb aangeboden datasets van X-gebruikers zijn te herleiden tot een kwetsbaarheid op het X-platform, en of X Corp c.s. adverteerders de mogelijkheid heeft geboden om advertenties te richten op Nederlandse X-gebruikers op basis van specifieke voorkeuren die bijzondere categorieën van persoonsgegevens kunnen omvatten en of dit ook is gebeurd met de in de dagvaarding genoemde vijf advertenties. Als het gaat om het verweten onrechtmatig handelen met betrekking tot hate speech is van belang of X Corp c.s. een beroep kunnen doen op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 6 DSA. Die juridische vraag is voor alle betrokkenen hetzelfde. Dit geldt ook voor de vraag of X Corp c.s. voldoende maatregelen nemen om te voorkomen dat er advertenties op het X-platform worden getoond op basis van microtargeting met gebruik van bijzondere persoonsgegevens.\n\n6.33.. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking hebben X Corp c.s. aangevoerd dat een dergelijke vordering een beoordeling op individueel niveau vergt. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in beginsel individuele omstandigheden in ogenschouw worden genomen. SOMI heeft in deze zaak echter gemotiveerd gesteld dat de mate van verrijking en de mate van verarming ten aanzien van alle belanghebbende hetzelfde is, omdat de verarming eruit heeft bestaan dat de benadeelden (onder meer) de controle over hun persoonsgegevens hebben verloren, terwijl X Corp c.s. (ongerechtvaardigd) zijn verrijkt doordat zij die persoonsgegevens hebben kunnen aanwenden voor het genereren van inkomsten uit advertentieverkoop. Ook de omstandigheid dat X Corp c.s. de X-gebruikers niet op passende wijze hebben geïnformeerd over de datalekken, waardoor zij op het X-platform bleven, en dat zij hate speech ruim baan laten, leidt volgens SOMI tot een stijging van de advertentie-inkomsten. De juistheid van deze stellingen laat zich naar het oordeel van de rechtbank beantwoorden zonder toetsing van individuele omstandigheden.\n\n6.34.. \n\nDe rechtbank is daarom van oordeel dat elk van de nauw te beschrijven groep personen bij de gevorderde verklaringen voor recht en geboden gelijksoortige belangen hebben.\n\nMateriële en immateriële schade\n\n6.35.. De collectieve actie van SOMI strekt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die Nederlandse X-gebruikers lijden en hebben geleden als gevolg van de door SOMI gestelde datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. SOMI vordert een symbolisch bedrag van € 1,- per lid van achterban C aan immateriële schadevergoeding als gevolg van hate speech. X Corp c.s. betwisten dat de schade steeds gelijk is. Volgens X Corp c.s. zal de gestelde materiële en immateriële schade van ieder persoon uit de nauw omschreven groepen concreet moeten worden aangetoond en is de verscheidenheid in individuele posities groot. Zo zal een X-gebruiker die er zelf voor heeft gekozen om aan de hand van zijn of haar e-mailadres of telefoonnummer vindbaar te zijn op het X-platform, geen schade ondervinden als gevolg van de gestelde datalekken. Ook heeft niet iedere X-gebruiker volgens X Corp c.s. te maken met microtargeting. Dit hangt ervan af of de gebruiker is in- of uitgelogd, een X-account heeft en of hij of zij betaalt om geen advertenties te zien. X-gebruikers die kiezen voor het tabblad ‘Following’ lopen volgens X Corp c.s. aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met hate speech.\n\n6.36.. SOMI legt aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag dat X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. Uit de aard van het Nederlandse schadevergoedingsrecht, mede gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, volgt dat voor het toekennen van schadevergoeding noodzakelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. De enkele omstandigheid dat onrechtmatig is gehandeld is niet voldoende om een recht op materiële of immateriële schadevergoeding te doen ontstaan; de constatering dat onrechtmatig is gehandeld houdt een erkenning in dat een norm is geschonden, maar die schending is iets anders dan schade en schade vloeit daaruit niet noodzakelijkerwijs voort. Weliswaar kunnen in voorkomend geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar dat is niet de regel. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW, is voorts niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\n6.37.. SOMI baseert haar vorderingen ook op artikel 82 AVG dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op de AVG het recht geeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Voor het ontstaan van dit Unierechtelijke recht op materiële of immateriële schadevergoeding is eveneens vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan; een enkele inbreuk op de AVG volstaat niet.Het gaat om compensatie van schade en niet ompunitive damages. Ook de (gegronde) vrees voor misbruik van de gegevens door een derde kan immateriële schade opleveren, maar de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn of haar persoonsgegevens heeft, betekent niet dat deze persoon schade lijdt.SOMI doet verder een beroep op artikel 54 DSA. Hierin is bepaald dat afnemers van tussenhandeldiensten, zoals een online platform, op grond van het Unierecht en het nationale recht het recht hebben om aanbieders van tussenhandeldiensten te verzoeken om schadevergoeding voor alle schade of verliezen geleden als gevolg van een schending van de DSA door die aanbieders. Die schadevergoeding moet stroken met de in het nationale recht uiteengezette regels en procedures en mag geen afbreuk doen aan andere op grond van de consumentenbeschermingsregels beschikbare verhaalsmogelijkheden (overweging 121 van de considerans bij de DSA). Dit betekent dat ook voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van de DSA vereist is dat daadwerkelijk schade is geleden.\n\n6.38.. De rechtbank stelt voorop dat er zeer grote verschillen kunnen zijn tussen de personen die deel uitmaken van de achterban van SOMI; niet alleen tussen de door SOMI aangemerkte drie nauw omschreven groepen maar ook daarbinnen. Op dit moment valt in het kader van onrechtmatige daad, artikel 82 AVG of artikel 54 DSA nog niet vast te stellen dat personen die behoren tot de achterban schade hebben geleden. In het bijzonder immateriële schade is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden, zodat het zeer wel mogelijk is dat sommige leden van de achterban in het geheel geen immateriële schade hebben geleden. Zo kan meewegen dat zij geen bezwaar hebben tegen het aan X Corp c.s. verweten gedrag en wellicht per saldo de resulterende geïndividualiseerde advertenties juist op prijs stellen of hate speech niet aanstootgevend achten. Ook de door X Corp c.s. genoemde verschillen tussen de leden van de achterban (zie 6.35) kunnen met zich brengen dat niet iedereen schade lijdt.\n\n6.39.. Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt dat de wetgever heeft voorzien dat niet elk lid van de achterban gelijke schade heeft geleden. In dat kader is, met gebruikmaking van de ervaringen die zijn opgedaan met de WCAM (artikel 7:907 BW), de mogelijkheid van het werken met diverse categorieën opgenomen (zie artikel 1018i lid 2 Rv). Daaruit volgt dat niet noodzakelijk is dat de schade voor iedereen gelijk is. SOMI heeft voor de materiële schade en immateriële schade die niet het gevolg is van hate speech ook verwijzing naar de schadestaat gevorderd en subsidiair voor de hate speech gevorderd de als gevolg daarvan geleden schade nader op te maken bij staat.\n\n6.40.. Ook de schadevorderingen (uit hoofde van onrechtmatige daad) voldoen daarmee aan het gelijksoortigheidsvereiste. De gestelde schade vloeit voort uit gelijke normschendingen en kan – voor zover toewijsbaar – in hoogte verschillen, waarbij een indeling in categorieën binnen iedere nauw verbonden subgroep voor de hand ligt.\n\n6.41.. Dat is voor de door SOMI op grond van ongerechtvaardigde verrijking gevorderde schade niet anders. De gestelde verrijking – (gestegen) advertentie-inkomsten – en de gestelde verarming (schade) – vermindering van de economische waarde van de persoonsgegevens vanwege het verlies van controle daarover – stoelen op dezelfde normschendingen en hetzelfde feitencomplex en daarmee is de (mogelijke) schade voldoende gelijksoortig.\n\n6.42.. Naar het oordeel van de rechtbank is een collectieve actie waarin ook wordt beslist op een eventuele schadevergoeding efficiënt, omdat het in het voordeel van alle partijen is dat kan worden volstaan met één procedure (zie 6.32). Het niet reeds in de ontvankelijkheidsfase laten stranden van het schadevergoedingsonderdeel past bij de ratio van de huidige WAMCA.\n\n6.43.. Dit betekent dat de onduidelijkheid over de gestelde schade op dit moment niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van SOMI. Het debat daarover dient nader te worden uitgediept in de inhoudelijke fase van het geschil, voor zover komt vast te staan dat en in hoeverre van de gestelde normschendingen sprake is geweest. Dit oordeel loopt dus op geen enkele wijze vooruit op de toewijsbaarheid van de vordering van SOMI.\n\nWaarborgvereiste\n\n6.44.. Een belangenorganisatie moet op de voet van artikel 3:305a BW aan verschillende vereisten voldoen op het gebied van transparantie en governance. Deze vereisten zijn opgenomen in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a tot en met f BW. De belangenhartiger dient te beschikken over:\n\na. een toezichthoudend orgaan;\n\nb. passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt;\n\nc. voldoende financiële middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt;\n\nd. een algemeen toegankelijke internetpagina;\n\ne. voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering; en\n\nf. een financiering van de rechtsvordering die niet afkomstig is van een financier die een concurrent is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt of van een financier die afhankelijk is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, indien het gaat om een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen.\n\n6.45.. In artikel 3:305a lid 3 onder a BW wordt nog als eis gesteld dat de bestuurders die betrokken zijn bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd.\n\n6.46.. Deze vereisten vormen, samen met het representativiteitsvereiste, een uitwerking van het vereiste in artikel 3:305a lid 1 BW, dat de belangen van de gedupeerden voldoende moeten zijn gewaarborgd.\n\n6.47.. De WAMCA biedt uitdrukkelijk ruimte voor ad hoc organisaties en commerciële organisaties, die veelal als stichting zijn georganiseerd. Doel van het waarborgvereiste is om te voorkomen dat belangenorganisaties het collectief actierecht gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven en de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan.\n\n6.48.. X Corp c.s. betwisten dat SOMI aan het waarborgvereiste voldoet. Zij stellen dat (i) SOMI niet over voldoende middelen beschikt om de procedure te bekostigen, (ii) de voorzitter van SOMI een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert en (iii) de belangen van de achterban van SOMI ook op andere wijzen niet voldoende zijn gewaarborgd.\n\nAd i: Financiële middelen\n\n6.49.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen voor het instellen van de collectieve actie. Voldoende is dat SOMI kan aangeven dat zij, op het moment van de toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren.\n\n6.50.. SOMI vraagt geen eigen bijdrage van de X-gebruikers die zich bij haar hebben aangesloten en is daarom voor haar financiering volledig afhankelijk van derden. SOMI wordt allereerst gefinancierd door [bedrijf 3]. [bedrijf 3] heeft op 12 december 2022 een schenking van € 6,5 miljoen toegezegd aan SOMI (zie 3.5), waarvan de aflossing van de bestaande vordering van [bedrijf 3] op SOMI van € 1,7 deel uitmaakte. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij onder de schenking tot op heden € 3,9 miljoen heeft ontvangen, zodat nog circa € 2,6 miljoen beschikbaar is. Ter zitting is gebleken dat SOMI met deze schenking niet alleen deze collectieve actie moet bekostigen, maar ook al haar andere collectieve acties. SOMI heeft op dit moment meerdere (14 volgens X Corp c.s.) collectieve acties, in Nederland en in Europa, lopen tegen Big Tech bedrijven. Uit onderzoek is gebleken dat de kosten voor het voeren van een collectieve schadevergoedingsactie al snel enkele miljoenen euro’s bedragen.Ook de kosten van marketing en IT (het ontwikkelen en beheren van de websites van SOMI en de SOMI-app) en de vergoedingen voor de leden van het bestuur en de raad van toezicht moeten worden betaald uit het schenkingsbedrag. X Corp c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat SOMI volgens haar jaarverslagen tussen 2021en 2024 bijna € 1,7 miljoen heeft geïnvesteerd in marketing en IT. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij een maximale jaarlijkse vergoeding van € 20.000,- per bestuurder en € 5.000,- per commissaris aanhoudt en dat deze vergoedingen in de jaarrekening zijn verwerkt in de post ‘Remuneration Board of Advice’ (in de jaarrekening 2024 vastgesteld op € 15.126,-). Volgens SOMI heeft het in de jaarrekening van 2024 genoemde bedrag van meer dan € 168.480,- aan “management fees” betrekking op andere kosten. Ook indien dit juist is, dan is SOMI nog altijd ieder jaar duizenden euro’s kwijt aan haar bestuurders en commissarissen. Kortom, de activiteiten van SOMI en deze collectieve actie zijn kostbaar.\n\n6.51.. Volgens X Corp c.s. is onzeker of [bedrijf 3] zelfstandig in staat is om de toegezegde (restant) schenking (van circa € 2,6 miljoen) te dragen. [bedrijf 3] staat aan het hoofd van een groep van acht ondernemingen, waaronder DotSwan B.V. (DotSwan) en Leadmind B.V. (Leadmind). Uit de jaarverslagen leiden X Corp c.s. af dat [bedrijf 3] een negatief eigen vermogen van € 2,7 miljoen heeft en de [bedrijf 3]-groep als geheel een negatief eigen vermogen van circa € 24 miljoen. Ook blijkt volgens X Corp c.s. uit de jaarverslagen dat de liquiditeitspositie zeer beperkt is: in 2024 beschikte [bedrijf 3] over € 38.422,- aan liquide middelen en de [bedrijf 3]-groep over € 628.894,- aan liquide middelen, waarvan het overgrote deel zich ook nog eens bevindt in de vastgoedtak die met circa € 16 miljoen aan schulden is belast. Verder gaat de schenkingsovereenkomst uit van een (aan [bedrijf 3] overgedragen) vordering van [bedrijf 2] op SOMI van € 768.087,98, maar zien X Corp c.s. die vordering niet terug in de jaarrekeningen van [bedrijf 2]. Tegelijkertijd, zo stellen X Corp c.s., blijft [bedrijf 2] na de gestelde overdracht van die vordering op [bedrijf 3] zitten met een structureel negatief eigen vermogen van bijna € 1 miljoen. Dit wijst er volgens X Corp c.s. op dat er geen tegenprestatie is geweest voor de overdracht van de vordering. Vervolgens is [bedrijf 2] geturboliquideerd waardoor de schuldeisers met niets achterbleven. SOMI heeft tegen deze stellingen van X Corp c.s. aangevoerd dat zij voldoet aan al haar verplichtingen, keurig haar schuldeisers betaalt en de kosten voor het vervolg van de procedure kan betalen. [bedrijf 3] is een gezonde onderneming die al 25 jaar bestaat en al een substantieel van de schenking heeft voldaan en het overige deel ook kan voldoen. De jaarcijfers zijn slechts een momentopname. Zo nodig kan SOMI haar claim op X Corp c.s. ook laten herfinancieren, aldus steeds SOMI.\n\n6.52.. SOMI heeft naast de schenking nieuwe, aanvullende vormen van financiering onderzocht. Zij biedt certificaten aan en wel in twee vormen. Uit de stukken, waaronder een presentatie van SOMI aan potentiële investeerders en brochures van SOMI, blijkt dat tegen een minimale deelname van € 1.000,- een procescertificaat kan worden verkregen. De looptijd hiervan bedraagt 1 tot 10 jaar en bij een positief vonnis of een schikking heeft de certificaathouder recht op een rendementsvergoeding van 500 procent. Daarnaast kan een warranty- of kapitaalcertificaat worden verkregen. Hiervoor geldt een minimale deelname van € 100.000,-, een looptijd van 1 jaar tot 10 jaar en een rendementsvergoeding van 600 procent. Verder wordt, anders dan bij procescertificaten, de hoofdsom beschermd. Dit houdt in dat SOMI het ingelegde bedrag moet terugbetalen, ongeacht de uitkomst van de procedure. Volgens SOMI heeft zij in de periode december 2023-maart 2025 de eerste ronde aan certificaten (bekend als de ‘serie 2024’) uitgegeven en vanaf april 2025 tot en met maart 2026 de tweede ronde (bekend als de ‘serie 2025’).\n\n6.53.. In het jaarverslag 2024 van SOMI staat dat zij € 247.362,- heeft ontvangen aan procescertificaten (serie 2024) en € 800.000,- aan kapitaalcertificaten (serie 2024) en ter zake hiervan een langlopende schuld van € 1.047.362,- aan [bedrijf 3] heeft. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat de uitgegeven certificaten overwegend door [bedrijf 3] zijn gekocht. Naar zijn zeggen zijn alle kapitaalcertificaten door [bedrijf 3] gekocht en is daarbuiten slechts voor € 37.000,- aan procescertificaten gekocht door particulieren. Ook heeft hij verklaard dat hij met het bestuur van SOMI heeft afgesproken dat de hoofdsombescherming voor [bedrijf 3] niet geldt en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op een rendementsvergoeding. Iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan uitgaan van de juistheid daarvan. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat SOMI € 800.000,- moet terugbetalen aan [bedrijf 3] en daar bovenop € 4,8 miljoen (600% x € 800.000,-) aan rendement. Daar komt dan wellicht nog ruim € 1 miljoen (500% x € 247.362,-) aan rendementsvergoeding voor de uitgegeven procescertificaten bij. De uitgifte van de certificaten brengt in potentie daarom grote financiële risico’s voor SOMI met zich mee.\n\n6.54.. Uit het voorgaande volgt dat de financiering van SOMI de nodige vragen oproept. Niet alleen is onzeker of de (restant) schenking toereikend is om de kosten van deze collectieve actie te bekostigen, maar ook of [bedrijf 3] in staat is dit restant bedrag op te brengen. [bedrijf 3] heeft SOMI ook geen zekerheid, in de vorm van een bankgarantie of andere zekerheidstelling, gegeven dat zij haar verplichtingen uit de schenkingsovereenkomst zal nakomen. Weliswaar heeft SOMI door de uitgifte van certificaten extra financiële middelen verkregen voor deze collectieve actie (en haar andere collectieve acties en andere activiteiten), maar daar staan mogelijk zware financiële verplichtingen van SOMI tegenover. Voor zover SOMI (een deel van) die opbrengst wil gebruiken om deze collectieve actie te bekostigen, is het maar zeer de vraag of dat voldoende is, ook rekening houdend met haar andere (doorlopende) hoge kosten (voor management, marketing en IT). Dat anderen dan [bedrijf 3] bereid zijn om substantiële financiering aan SOMI te verstrekken is verder niet gebleken. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij, althans [bedrijf 3], bereid is om nog meer kapitaalcertificaten (zonder rendementsvergoeding en hoofdsombescherming) te kopen als dat nodig is om de collectieve actie tegen X Corp c.s. te kunnen bekostigen. Echter, uit niets blijkt dat hij en\u002Fof [bedrijf 3] daartoe in staat is. De rechtbank kan daarom op dit moment niet vaststellen dat SOMI beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen.\n\n6.55.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist verder dat de zeggenschap over de vordering (in voldoende mate) bij SOMI ligt. [naam 1] is zowel voorzitter van SOMI als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] die SOMI financiert via de schenkingen en de certificaten. Vanwege die dubbele rol zou [naam 1] op zichzelf een sterke mate van invloed kunnen hebben op de beslissingen in het kader van de collectieve actie van SOMI. De rechtbank ziet in de schenkingsovereenkomst en de statuten echter voldoende waarborgen om eventuele beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen te voorkomen. [naam 1] maakt deel uit van een driehoofdig bestuur van SOMI dat wordt benoemd en ontslagen door de raad van toezicht (artikelen 4.1 en 4.2 van de statuten). In de schenkingsovereenkomst is vastgelegd dat (i) [naam 1] zich onthoudt van iedere bemoeienis indien bij de besluitvorming een conflicterend belang zou kunnen ontstaan ten opzichte van [bedrijf 3] en dat de overige bestuursleden, met goedkeuring van de raad van toezicht, besluiten kunnen nemen (artikel 3.1), (ii) SOMI de volledige zeggenschap heeft over de collectieve actie die zij voert (artikel 4.1) en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op terugbetaling van de schenkingen, ook niet als na uitkering aan de belanghebbenden blijkt van een restant (artikel 1.5). Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij SOMI ligt en niet bij [bedrijf 3] in haar hoedanigheid van schenker of bij [naam 1]. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke invloed [bedrijf 3] als kapitaalcertificaathouder en de procescertificaathouders hebben op de collectieve actie. SOMI heeft namelijk van de algemene voorwaarden die volgens haar op de procescertificaten (serie 2025) van toepassing zijn, alleen de bepaling over de uitkering van de rendementsvergoeding in het geding gebracht. Stukken waarin de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, zoals overeenkomsten tussen SOMI en de certificaathouders, ontbreken eveneens. Daarom kan rechtbank er bij deze stand van zaken niet beoordelen in hoeverre [bedrijf 3] en de andere certificaathouders zeggenschap hebben in het kader van de collectieve actie van SOMI. Vanwege hun (mogelijke) terugbetalingsbelang en hun rendementsvergoeding kan ook niet worden uitgesloten dat zij invloed willen uitoefenen op de collectieve actie.\n\n6.56.. \n\nDe rechtbank heeft behoefte aan een nadere toelichting van SOMI om te kunnen beoordelen of SOMI beschikt over voldoende middelen om de kosten van de collectieve actie te dragen, en of zij – in relatie tot de (kapitaal- en proces)certificaathouders – voldoende zeggenschap heeft over de collectieve actie. Zij beveelt SOMI daarom op grond van artikel 22 lid 1 Rv om bij akte haar stellingen op dit onderdeel nader toe te lichten en voor zoveel mogelijk al te onderbouwen met stukken. SOMI heeft ter zitting ook aangeboden om (nader) aan de rechtbank aan te tonen dat zij over voldoende middelen beschikt; zij is echter terughoudend in het delen van meer informatie hierover met X Corp c.s., omdat X Corp c.s. volgens haar daarmee een procesvoordeel kunnen behalen. Voor zover SOMI meent dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 lid 2 Rv die volgens haar rechtvaardigen dat alleen de rechtbank van (onderdelen van) de toelichting en\u002Fof (bepaalde) stukken mag kennisnemen, dan moet zij dat in haar akte nader onderbouwen en aangeven voor welk stuk of welke stukken dit geldt en waarom. X Corp c.s. zullen hierop bij antwoordakte kunnen reageren. De rechtbank zal vervolgens, voor zover nodig, een beslissing nemen over het verzoek van SOMI om beperkte kennisname. Zonder vooruit te lopen op die beslissing verzoekt de rechtbank X Corp c.s. om in hun antwoordakte aan te geven of zij ermee kunnen instemmen dat de rechtbank, voor zover aan de orde, uitspraak zal doen op basis van stukken die SOMI niet met hen wil delen.\n\nAd ii: Winstoogmerk bestuurder SOMI\n\n6.57.. X Corp c.s. stellen dat [naam 1], die zowel bestuurder van SOMI is als via [bedrijf 3] eigenaar en bestuurder van de [bedrijf 3]-groep, een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert. Volgens X Corp c.s. is SOMI in de kern een geldmachine voor de ondernemingen van [naam 1] en is de schenking van hem, althans [bedrijf 3], aan SOMI, in werkelijkheid een investering in zijn eigen omzet. SOMI haalt door middel van certificaten en aankopen in de SOMI-app geld op bij beleggers en bestuurders. Met dit geld neemt SOMI diensten af bij ondernemingen uit de [bedrijf 3]-groep (Leadmind en DotSwan). Daarmee stroomt het door SOMI opgehaalde geld terug naar [naam 1], aldus steeds X Corp c.s.\n\n6.58.. De rechtbank overweegt dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder a BW, en dus dat haar bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via SOMI wordt gerealiseerd. De rechtbank neemt dit daarom tot uitgangspunt, tenzij er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is (zie hiervoor onder 6.11). Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Volgens SOMI biedt zij sinds december 2023 certificaten aan, terwijl uit de eigen stellingen van X Corp c.s. volgt dat SOMI al sinds 2022 diensten van DotSwan en Leadmind afneemt. Ook de positie van [naam 1] als bestuurder en eigenaar van de [bedrijf 3]-groep is sinds 2021 ongewijzigd. De rechtbank gaat er dus vanuit dat deze omstandigheden bij de aanwijzing van SOMI in 2024 zijn meegewogen. De rechtbank concludeert daarom dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onderdeel a BW.\n\nAd iii: Belangen achterban anderszins niet voldoende gewaarborgd\n\n6.59.. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305 lid 2 onder b (deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming) en onder d (internetpagina) BW en dat op basis van de stellingen van SOMI niet kan worden beoordeeld of SOMI voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305a lid 2 onder f BW (onafhankelijke financier).\n\n6.60.. Voorop wordt gesteld dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder b en d BW. Ook hier geldt dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat aan deze vereisten is voldaan, tenzij blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is.\n\n6.61.. Artikel 3:305a lid 2 onder b BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt. In de wetsgeschiedenis is overwogen dat het aan de belangenorganisatie zelf is om te bepalen op welke wijze zij invulling wenst te geven aan deze bepaling en dat zij dit kan doen door aangeslotenen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten.Wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode kan worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder BW.6.62.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat er sinds de aanwijzing iets is gewijzigd in de manier waarop SOMI heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming. Zij voeren slechts aan dat onduidelijk is hoe de mogelijkheid voor de deelnemers om zich via de SOMI-app of beveiligde My SOMI-omgeving uit te laten over bepaalde besluiten, werkt. Dat is iets anders en is, in het licht van het aanwijzingsbesluit, niet relevant. Dat geldt ook voor de stelling van X Corp c.s. dat SOMI niet voldoet aan de Claimcode, in het bijzonder Principe IV onder 3 (‘onafhankelijkheid en vermijding belangentegenstelling’), omdat SOMI diensten afneemt van ondernemingen van [naam 1] (Leadmind en DotSwan). X Corp c.s. hebben niet gesteld dat SOMI dat nog niet deed ten tijde van het aanwijzingsbesluit. Voor zover hierin wel iets zou zijn gewijzigd, dan kan dit met name van betekenis zijn voor de vraag in hoeverre de leden van het bestuur van SOMI onafhankelijk kunnen opereren en meerdere belangen dienen die elkaar kunnen beïnvloeden (en dus of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd) en niet zo zeer welke mechanismen voor inspraak van de achterban er zijn. SOMI heeft toegelicht dat zij in nauw contact staat met de deelnemers. Zij beschikt over de contactgegevens van de deelnemers en houdt de deelnemers via haar website, de nieuwsbrieven en Q&A-sessies op de hoogte. Ook kan zij deelnemers via de SOMI-app notificatieberichten sturen. Volgens SOMI kunnen deelnemers via de SOMI-app en de beveiligde My SOMI-omgeving worden benaderd om zich uit te laten over bepaalde besluiten. Hoewel SOMI niet concreet heeft toegelicht hoe dit precies werkt, heeft de rechtbank geen grond om aan te nemen dat dit technisch en praktisch niet haalbaar is. SOMI heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aangetoond dat zij heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming en dat zij voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder b BW.\n\n6.63.. Artikel 3:305a lid 2 onder d BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop de in deze bepaling vermelde informatie beschikbaar is. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen (punt 5 onder d) en de eigen bijdrage van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (punt 8 onder d). Ook hiervoor geldt dat reeds bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder d BW en dat daarom van belang is of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.\n\n6.64.. Ter onderbouwing van hun stelling dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging beroepen X Corp c.s. zich op het (na het aanwijzingsbesluit gepubliceerde) jaarverslag van SOMI van 2024. Volgens X Corp c.s. volgt hieruit dat SOMI in 2024 aan de bestuurders en commissarissen een hogere vergoeding heeft betaald dan staat vermeld op haar website. SOMI heeft dat echter gemotiveerd weersproken (zie 6.50), zodat het standpunt van X Corp c.s. niet kan worden gevolgd. Volgens SOMI houdt zij zich aan de op haar website genoemde maximale vergoeding (van in totaal € 75.000,-). De rechtbank houdt het er dan ook voor dat aan de eis van artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 5, BW is voldaan.\n\n6.65.. Wat betreft de eigen bijdrage is van belang dat een deelnemer zich in het aanmeldproces akkoord moet verklaren met de deelnemersovereenkomst (zie 6.20). Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat de deelnemer hierbij kan doorklikken naar de tekst van de deelnemersovereenkomst (zie schermafbeeldingen 25, 50 en 75 tot en met 82). Artikel 2.3 van de deelnemersovereenkomst bepaalt dat SOMI maximaal 15 procent in rekening zal brengen van de ontvangen schadevergoeding indien aan de gedupeerde enige schadevergoeding wordt toegekend maar de rechter X Corp c.s. niet veroordeelt om de kosten van SOMI voor de rechtszaak volledig te vergoeden. Ook staat vermeld dat het percentage afhankelijk is van de hoogte van de toegewezen geldvordering, de duur van de rechtszaak en in de rechtszaak gemaakte kosten. Dit percentage wordt, onder vermelding naar de deelnemersovereenkomst, ook genoemd op de website van SOMI bij FAQ (‘wat zijn de kosten van deelname?’) (zie producties 41 en 64 van X Corp c.s.). Dat daar nog 2 procent bovenop komt, zoals volgens X Corp c.s. het geval lijkt te zijn, volgt niet uit de website en is door SOMI ook weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat SOMI met de informatie op haar website voldoende inzicht heeft gegeven in de berekening van de bijdrage van de personen voor wie zij opkomt (en dat is voldaan aan de eis bedoeld in artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 8, BW).\n\n6.66.. De rechtbank voegt hieraan toe dat SOMI op grond van artikel 3:305a lid 2 BW niet gehouden is om op haar website te vermelden waaruit haar kosten precies bestaan en of zij deze betrekking hebben op werkzaamheden van derden, en dus ook niet dat zij gebruik maakt van de diensten van DotSwan en Leadmind. Overigens betwist SOMI dat zij aan deze bedrijven excessieve kosten betaalt. Zij stelt dat de vergoeding minimaal 10 procent onder de marktprijs ligt en dat deze bovendien door [bedrijf 3] rechtstreeks aan Leadmind en DotSwan wordt voldaan, als onderdeel van de schenking. Als gezegd, bieden de statuten van SOMI en de schenkingsovereenkomst voldoende waarborgen om eventuele ongewenste beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen tussen SOMI en [bedrijf 3] te voorkomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat SOMI alleen het commerciële belang van haar voorzitter en zijn bedrijven dient en niet meer dan een geldmachine is.\n\n6.67.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat de website van SOMI op de andere in artikel 3:305a lid 2 onder d BW genoemde punten niet voldoet en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken.\n\n6.68.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder d BW.\n\n6.69.. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat [naam 1] houder is van de kapitaalcertificaten en dat de procescertificaten zijn gekocht door particulieren. Iedere aanwijzing dat die stelling niet juist is, ontbreekt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook aan artikel 3:305a lid 2 onder f BW is voldaan.\n\n6.70.. De rechtbank stelt verder vast dat SOMI beschikt over een voltallig bestuur (zie 3.3) en een voltallige raad van toezicht (zie 3.4), van wie de kundigheid en geschiktheid niet ter discussie staan of zijn gesteld. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan die kundigheid en geschiktheid. Daarmee voldoet SOMI aan artikel 3:305a lid 2 onder a en onder e BW.\n\n6.71.. Voor zover van belang overweegt de rechtbank nog dat de WAMCA er op zichzelf niet aan in de weg staat dat SOMI commerciële activiteiten verricht, zoals het tegen betaling (in HT-tokens) uitvoeren van een ‘datalek scan’. Volgens SOMI levert die activiteit echter geen commercieel voordeel op, omdat de vergoeding beperkt is en slechts dient ter dekking van een deel van de kosten van de ontwikkeling, exploitatie en uitvoering van de diensten via de SOMI-app. X Corp c.s. betwisten dat onvoldoende. Evenmin betwisten zij dat de deelnemers aan de collectieve actie tegen X Corp c.s. niet hoeven te betalen om na te gaan of hun gegevens zich in de gelekte datasets bevinden. Voor zover SOMI verder nog abonnementen aanbiedt om onbeperkt gebruik te kunnen maken van haar diensten, geldt dat nergens uit blijkt dat zij hiermee (enorme) winsten behaalt. X Corp c.s. stellen dat ook niet. Uit de omstandigheid dat SOMI activiteiten tegen betaling uitvoert kan daarom niet worden afgeleid dat zij slechts een eigen financieel voordeel nastreeft en de belangen van de achterban niet voorop heeft staan.\n\nConclusie waarborgvereiste\n\n6.72.. De rechtbank heeft meer informatie nodig om te kunnen beoordelen of SOMI voldoet aan het vereiste dat zij beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt te nader toe te lichten en te onderbouwen aan de hand van schriftelijke stukken. Indien SOMI kan aantonen dat zij over voldoende middelen beschikt en voldoende zeggenschap heeft, dan voldoet zij daarmee aan het waarborgvereiste.\n\nDe (overige) vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW\n\n6.73.. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van SOMI een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, zoals vereist in artikel 3:305a lid 3 onder b BW. SOMI komt op voor de belangen van voormalige en huidige gebruikers van het X-platform in Nederland, die voornamelijk in Nederland gebruik hebben gemaakt van de diensten van X Corp c.s. De schade van het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. wordt daarmee ondervonden in Nederland. Dit is door X Corp c.s. niet betwist. Eén van de drie gedaagde partijen is bovendien in Nederland gevestigd.\n\n6.74.. SOMI heeft ook onweersproken aangevoerd dat aan het overlegvereiste uit artikel 3:305a lid 3 onder c BW is voldaan (zie ook onder 3.7). Weliswaar is het niet tot daadwerkelijk overleg gekomen, maar dat komt doordat X Corp c.s. geen reden zag om op de uitnodiging van SOMI in te gaan. Een redelijke uitleg van dit vereiste brengt mee dat een gedaagde de actie niet kan tegenhouden door overleg te weigeren.\n\nConclusie ontvankelijkheidseisen WAMCA (artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW)\n\n6.75.. De rechtbank concludeert dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW, behoudens vooralsnog het waarborgvereiste. De rechtbank heeft met betrekking tot dit vereiste behoefte aan meer informatie van SOMI.\n\nOverige ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA (artikel 1018c lid 5 onder b en c Rv)\n\nCollectieve procedure is efficiënter en effectiever?\n\n6.76.. Zoals onder 6.2 is overwogen moet SOMI ook voldoende aannemelijk maken dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering. Daarbij is van belang dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is, en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.6.77.. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, heeft SOMI voldoende aannemelijk gemaakt dat het voeren van de door haar ingestelde collectieve vorderingen efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen door ieder van de gebruikers van het X-platform in de relevante periodes. Met betrekking tot de door artikel 1018c lid 5 onder b Rv als relevant aangemerkte omstandigheden is hiervoor steeds in bevestigende zin geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat er niettemin aanleiding is voor een ander oordeel bij het toepassen van artikel 1018c lid 5 onder b Rv zelf.\n\nVorderingen summierlijk ondeugdelijk?\n\n6.78.. Tot slot staat nog ter beoordeling (zie 6.2) of de vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk waren op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt.\n\n6.79.. Doel van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling van tafel te halen omdat deze niet deugt.Dit moet dan zonder meer blijken – dus zonder nader inhoudelijk onderzoek – uit de vorderingen van de eisende partij en de stellingen van partijen daarover in deze fase van de procedure. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie oordeel). In de wetsgeschiedenis wordt als voorbeeld genoemd dat het geschil van de collectieve actie niet aan civiele rechter, maar aan de bestuursrechter dient te worden voorgelegd, of dat de vordering kennelijk ongegrond is, bijvoorbeeld omdat de gestelde feiten over de achterban niet aansluiten bij de vordering.\n\n6.80.. X Corp c.s. hebben aangevoerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van SOMI omdat:\n\n- de verplichtingen uit de DSA alleen op XIUC als aanbieder van het X-platform in de EU rusten en niet op X Corp en Twitter Netherlands;\n\n- artikelen 34 en 35 DSA geen individuele rechten scheppen;\n\n- de vordering tot schadevergoeding als gevolg van hate speech op het X-platform evident in strijd is met de hostingsexceptie van artikel 6 DSA;\n\n- de vorderingen betreffende de 200M-dataset alleen zijn onderbouwd met speculaties.\n\nToepasselijkheid DSA op X Corp en Twitter Netherlands\n\n6.81.. SOMI heeft haar vorderingen op grond van de DSA in de inleidende dagvaarding gericht tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij zich tegenover Twitter Netherlands niet langer beroept op de DSA. Tussen partijen staat vast dat XIUC onder de DSA kan worden aangesproken. In geschil is echter of dit ook geldt voor X Corp. SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dit. Zij baseren zich op het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 en de uitspraak van deze rechtbank van 2 oktober 2025 in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak.\n\n6.82.. De Europese Commissie heeft op 5 december 2025 een boete van € 120 miljoen opgelegd aan XIUC, X Holdings Corp., X.AI Holdings Corp. en [naam 7] wegens schending van (artikelen 25 lid 1, 39 en 40 lid 12 van) de DSA. De Europese Commissie heeft in het besluit onder meer overwogen dat uit de omstandigheid dat XIUC de geadresseerde is van het eerdere besluit waarin het X-platform is aangewezen als een Very Large Online Platform(VLOP) in de zin van artikel 33 DSA, niet kan worden afgeleid dat alleen XIUC kan worden aangesproken onder de DSA. Het begrip aanbieder (‘provider’) in de zin van de DSA verwijst volgens de Europese Commissie naar “any economic unit engaged in the provision of intermediary services, irrespective of its legal status or structure, which may consist of several legal entities constituting a single economic unit or even a controlling shareholder and those entities” (overweging 49). Volgens de Europese Commissie is X Holdings Corp. “the ultimate legal entity controlling TIUC” en [naam 7] “the natural person ultimately controlling the group of companies to which TIUC and X Holding Corp. belong” (overweging 12 van het besluit). De Europese Commissie heeft daarom X Holdings Corp. (en haar aandeelhouder X.AI Holdings Corp.) en [naam 7] samen met XIUC aangemerkt als “the provider of X in the Union”. Dit oordeel betekent echter niet zonder meer dat op X Corp geen verplichtingen uit de DSA rusten en dat zij niet ook als aanbieder van het X-platform kan worden beschouwd. X Corp is immers de dochtermaatschappij van X Holdings Corp. en de moedermaatschappij van XIUC, zodat zij (in elk geval op papier) invloed op XIUC lijkt te kunnen uitoefenen, en behoort tot dezelfde economische eenheid als XIUC. De discussie bij de Europese Commissie ging met name over de positie van [naam 7] onder de DSA en niet over die van X Corp (zie overwegingen 54 tot en met 63 van het besluit). SOMI wijst er terecht op dat de DSA relatief nieuw is en dat er daarom nog beperkte duiding is over de vraag welke entiteiten binnen een concern kunnen worden aangesproken onder de DSA. Het besluit van de Europese Commissie is bovendien nog niet onherroepelijk, omdat hiertegen beroep is ingesteld bij het Hof van Justitie EU. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de op de DSA gebaseerde vorderingen van SOMI tegen X Corp summierlijk ondeugdelijk zijn, laat staan op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt (wat ruim vóór het besluit van de Europese Commissie was).\n\n6.83.. De door X Corp c.s. aangehaalde uitspraak van deze rechtbank maakt dat niet anders. In deze (kort geding) zaak oordeelde de rechtbank dat twee entiteiten behorend tot het Meta-concern niet als aanbieder van een platform in de zin van de DSA konden worden aangemerkt vanwege hun rol en werkzaamheden binnen het Meta-concern. Dit oordeel van de voorzieningenrechter kan niet één op één worden toegepast op de situatie bij X Corp c.s. en vergt een feitelijke beoordeling waarvoor nader onderzoek nodig is en waarbij ook factoren als zeggenschap en economische gebondenheid een rol kunnen spelen. Die factoren zijn in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak niet beoordeeld.\n\nDirecte werking artikelen 34 en 35 DSA\n\n6.84.. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikelen 34 en 35 van de DSA directe werking hebben (SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dat). Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat deze vraag nog niet eerder is beantwoord in de jurisprudentie. Reeds hierom kan de rechtbank in deze fase van de procedure er niet zonder meer van uitgaan dat X Corp c.s. gelijk hebben en dat de vordering van SOMI op dit punt niet deugt.\n\nArtikel 6 DSA\n\n6.85.. Op grond van artikel 6 DSA is een aanbieder van een tussenhandeldienst die content van gebruikers opslaat en verspreidt (een hostingdienst), niet aansprakelijk voor de opgeslagen informatie als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voorwaarden zijn dat de aanbieder zich beperkt tot het neutraal aanbieden van de hostingdienst, geen kennis heeft van de illegale inhoud en prompt optreedt tegen illegale inhoud zodra hij daarvan op de hoogte is. De vrijstelling van aansprakelijkheid is niet bedoeld om eigen verplichtingen niet na te hoeven komen, maar alleen om te zorgen dat partijen niet verantwoordelijk worden gehouden voor content die ondanks dat zij hun verplichtingen nakomen via hun platform wordt verspreid. In dit geval verwijt SOMI X Corp c.s. juist dat zij hun eigen verplichtingen nietnakomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de vordering van SOMI tot schadevergoeding als gevolg van hate speech gelet op artikel 6 DSA summierlijk ondeugdelijk is. Daarbij komt dat het verwijt van SOMI aan X Corp c.s. groter is dan hate speech. Hate speech is volgens SOMI slechts één van de systeemrisico’s die X Corp c.s. op grond van artikelen 34 en 35 DSA dienen te beoordelen en te beperken. SOMI stelt zich op het standpunt dat X Corp c.s. met betrekking tot alle systeemrisico’s niet aan hun verplichtingen voldoen.\n\n200M-dataset\n\n6.86.. SOMI komt in deze procedure op voor de personen van wie de persoonsgegevens voorkomen in de gelekte datasets. Zij onderscheidt vier datalekken op het X-platform. Zij stelt dat het vierde datalek bestaat uit de gegevens van meer dan 200 miljoen X-gebruikers (de 200M-dataset) en een subset is van de dataset van meer dan 400 miljoen X-gebruikers uit het derde datalek (de 400M-dataset). X Corp c.s. stellen dat op voorhand duidelijk is dat de vorderingen die betrekking hebben op de 200M-dataset geen kans van slagen hebben. Volgens X Corp c.s. heeft deze dataset namelijk geen verband met het eerste datalek (de API-bug) of een andere kwetsbaarheid in de systemen, maar is het waarschijnlijk een verzameling van informatie die reeds online beschikbaar was via diverse andere online bronnen en die van het internet is ‘gescrapet’ en samengevoegd tot de 200M-dataset. SOMI betwist dit en voert daartoe aan dat uit nader onderzoek is gebleken dat de 200M-dataset en de 400M-dataset gegevens bevatten die niet publiekelijk beschikbaar waren. Om te kunnen beoordelen wie gelijk heeft, is nader debat tussen partijen vereist en wellicht zelfs bewijslevering. Daartoe dient de inhoudelijke fase van deze procedure. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de op de 200M-dataset gebaseerde vordering van SOMI op het eerste gezicht al geen enkele kans van slagen heeft.\n\nConclusie\n\n6.87.. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van X Corp c.s. dat verschillende vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk zijn, niet slaagt. Ook uit de overige standpunten van partijen kan dit niet worden afgeleid.\n\nConclusie ontvankelijkheid SOMI en verdere verloop van de procedure\n\n6.88.. De rechtbank concludeert dat nog niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI, omdat nog onduidelijk is of SOMI voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, in het bijzonder het waarborgvereiste van lid 2. De rechtbank beveelt SOMI om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten en te onderbouwen. Daartoe mag SOMI eerst een akte nemen, waarop X Corp c.s. bij antwoordakte mag reageren.\n\n6.89.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n7. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n7.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026 voor het nemen van een akte door SOMI als bedoeld in 6.56;\n\n7.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. L. Voetelink en mr. A.N. Kikkert en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\nBijlage\n\nSOMI vordert dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar,\n\nExclusieve belangenbehartiger\n\ni. SOMI aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e lid 1 Rv;\n\nNauw omschreven groep\n\nTe bepalen dat SOMI in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende nauw omschreven groepen personen (gezamenlijk aangeduid als de \"Achterban\"):\n\na. Voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 1 juni 2021 tot en met heden (de \"Relevante Periode 2\"), en\n\nv. van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (\"Achterban A\");\n\nb. Voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\"), en\n\nv. die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X, waaronder de Advertenties (\"Achterban B\");\n\nc. Voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico's voor grote online platforms waaronder het tegengaan van hate speech:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\") (\"Achterban C\").\n\nOpt-in\u002Fopt-out\n\nX Corp c.s. te gebieden om binnen vier weken na het in deze procedure ingevolge artikel 1018e lid 1 en 2 Rv te wijzen vonnis:\n\na. het vonnis, vergezeld van een eenvoudige samenvatting, te plaatsen op een speciaal daarvoor in het leven te roepen webpagina van de website waarop het X-Platform toegankelijk is;\n\nb. ieder lid van de Achterban per e-mail en via de X berichtendienst mededeling te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt;\n\nc. aankondiging te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, in alle landelijke en regionale nieuwsbladen van Nederland met een inhoud en op een wijze zoals door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nd. met de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. aan enig onderdeel van de veroordelingen iii. a., b., en\u002Fof c. niet of niet tijdig wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag), met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\n Te bepalen dat, overeenkomstig artikel 1018f lid 1 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban met woonplaats of verblijf in Nederland, binnen een maand na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis met de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden (Opt-out);\n\n Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 5 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban zonder woonplaats of verblijf in Nederland, binnen drie maanden na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis van uw Rechtbank tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten in te stemmen met de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie en dat zijn belang niet wordt behartigd in een collectieve of individuele vordering, gebaseerd op soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen tegen gedaagden in een andere lidstaat van de EU of de EER (Opt-in).\n\nVerklaringen voor recht\n\nTe verklaren voor recht en op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding jegens ieder lid van de (relevante) Achterban dat;\n\na. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd te handelen met de AVG;\n\nb. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, althans XIUC toerekenbaar onrechtmatig heeft\u002Fhebben gehandeld door in strijd te handelen met de DSA;\n\nc. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door zich schuldig te maken aan oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 6:193b lid 3 onder a BW in samenhang gelezen met 6:193d BW;\n\nd. X Corp c.s. gezamenlijk of ieder voor zich, zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt.\n\nVerwijzing schadestaat \u002F symbolische schadevergoeding \u002F wijze van afwikkeling collectieve schade\n\n PRIMAIR\n\na. te verklaren voor recht dat X Corp c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding, jegens ieder (relevant) lid van de Achterban voor de door ieder van die leden als gevolg van de schendingen in vorderingen vi (a-d) geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en\n\nb. voor wat betreft de als gevolg van hate speech door de Achterban C geleden immateriële schade in de Relevante Periode 1, X Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een symbolische schadevergoeding te begroten op EUR 1 (één euro) per lid van de Achterban, althans te bepalen dat ook deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;\n\nSUBSIDIAIRde collectieve schadeafwikkeling vorm te geven op een wijze die uw Rechtbank in goede justitie geraden acht op basis van door SOMI en X Corp c.s. op bevel van uw Rechtbank ex artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor een collectieve afwikkeling; en\n\nzowel primair als subsidiair per lid van de Achterban te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de Relevante Periode 1 aanvangt, danwel de Relevante Periode 2, althans de datum van dagvaarding, althans de datum van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nGeboden op straffe van dwangsom en controle\n\nX Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich te gebieden om aan hun in deze dagvaarding omschreven wettelijke verplichtingen te voldoen door:\n\na. te voldoen aan de meldplicht datalekken aan betrokkenen op grond van artikel 34 AVG jegens Achterban A, op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nb. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B door het staken en gestaakt te houden van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nc. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B en Achterban C door schendingen van de DSA te staken en gestaakt te houden door:\n\ni. jegens Achterban B het targeten van X-Gebruikers op basis van bijzondere persoonsgegevens voor advertentiedoeleinden te staken en gestaakt te houden; en\n\nii. jegens Achterban C aantoonbaar te voldoen aan de (zorg- en informatie)plichten op grond van de DSA,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat XIUC geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum;\n\nTe bevelen X Corp c.s. een maand na het verzoek daartoe van SOMI aan\n\nX Corp c.s., aan een onafhankelijke auditor, te weten een aan de 'Big Four' (KPMG, Ernst & Young, PWC en Deloitte) verbonden onafhankelijke auditor, toegang te geven tot de IT-faciliteiten van X Corp c.s. (waaronder, maar niet beperkt tot, externe servers bij aan gedaagden dienstverlenende derden) en X Corp c.s. te gebieden alle benodigde medewerking te verlenen om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de naleving van de geboden als bedoeld vii van dit petitum, met dien verstande dat SOMI dit verzoek vijf keer kan doen, althans zoveel keer als uw Rechtbank in justitie geraden acht, en dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan het verzoek van SOMI wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nVerstrekken van informatie\n\nX Corp c.s. te veroordelen om binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis in de vorm van een Excel lijst of vergelijkbaar algemeen gangbaar bestand opgave te doen van:\n\na. alle adverteerders die in de relevante Periode 1 direct of indirect gebruik hebben gemaakt van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op het X-Platform voor advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten;\n\nb. de advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten, die in de Relevante Periode 1 (mede) met gebruikmaking van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op X zijn geplaatst;\n\nc. de advertentie-inkomsten die X Corp c.s. (althans aan X Corp c.s. gelieerde entiteiten) direct of indirect via de in onderdeel ix.a. en ix.b. van dit petitum bedoelde advertenties hebben ontvangen;\n\nOnder de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling tot informatieverstrekking wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nKostenvergoedingen\n\nPRIMAIRX Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SOMI van:\n\na. de volledige door SOMI gemaakte buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nb. de redelijke en evenredige proceskosten van deze procedure en verdere kosten die SOMI heeft gemaakt, overeenkomstig artikel 10181 lid 2 Rv, en\u002Fof 237 Rv en\u002Fof 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nc. de volledige door SOMI gemaakte kosten, nakosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, overeenkomstig artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en\n\nd. de volledige door SOMI aan eventuele externe procesfinanciers te betalen overeengekomen vergoeding, overeenkomstig artikel 6:96 BW en\u002Fof artikel 10181 lid 2 Rv, zoals nader te begroten op grond van door SOMI nader over te leggen informatie, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, een en ander zoals nader te begroten op basis van door SOMI over te leggen informatie en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat; en\n\nde volledige kosten van SOMI in verband met de uitvoering van het in deze procedure te wijzen vonnis en de van de afwikkeling van de schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag de afhandeling, waaronder maar niet beperkt tot kosten in verband met de afhandeling van de vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding en de begeleiding van en controle op dat proces, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, steeds halfjaarlijks vooraf te voldoen op basis van door SOMI vast te stellen redelijke voorschotbedragen en na afronding af te rekenen op basis van nacalculatie.\n\nSUBSIDIAIRte bepalen dat SOMI de kosten zoals bedoeld in de primaire vordering in mindering mag brengen op de door of namens haar aan de Gedupeerden uit te betalen schadevergoedingen nader op te maken bij staat.\n\n Richtlijn (EU) 2020\u002F1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende\n\nrepresentatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot\n\nintrekking van Richtlijn 2009\u002F22\u002FEG, PbEU2020, L 409.\n\n Verordening (EU) 2016\u002F679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de\n\nbescherming van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking\n\nvan Richtlijn 95\u002F46\u002FEG (algemene verordening persoonsgegeven), PbEU2016, L 119\u002F1.\n\n Verordening (EU) 2022\u002F2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022\n\nbetreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F31\u002FEG\n\n(digitaledienstenverordening), PbEU2022, L 277.\n\n Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke\n\nhandelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van\n\nRichtlijn 84\u002F450\u002FEEG van de Raad, Richtlijnen 97\u002F7\u002FEG, 98\u002F27\u002FEG en 2002\u002F65\u002FEG van het Europees\n\nParlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad\n\n(„Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), PbEU2005, L 149\u002F22.\n\n Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012\n\nbetreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in\n\nburgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU2012, L 351.\n\n Zie artikelen 1, 6 en 66 Verordening Brussel I-bis.\n\nHR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732.\n\n Rb Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088 (SDBN-Amazon).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39;Kamerstukken II2017-2018, 34 608, nr. 9\n\n(NnavNV), p. 9-10; Handelingen II23 januari 2019, nr. 44, item 6, p. 14.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 3.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 13.\n\n Vergelijk hof Amsterdam 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2666 (TikTok), r.o. 4.28.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 45.\n\nKamerstukken II1991-1992, 22 486, nr. 3.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 7, 8, 18 en 19. Zie verderKamerstukken II\n\n2017-2018, 34 608, nr. 6 (NnavV), p. 3 en 5.\n\nKamerstukken II2003-2004, 29 414, nr. 3. (MvT WCAM), p. 15 en 16.\n\n In artikel 4 sub 7 AVG wordt profilering omschreven als elke vorm van geautomatiseerde\n\nverwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke\n\naspecten van een natuurlijk persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn\n\nberoepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses,\n\nbetrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen.\n\n Rechtbank Den Haag 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320.\n\n Rechtbank Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4264.\n\n HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Stichting Baas in Eigen Huis\u002FPlazacasa).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 40 en 41.\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post).\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post), HvJEU 21\n\ndecember 2023, C-667\u002F21, ECLI:EU:C:2023:1022 (Krankensicherung Nordrhein), HvJEU 25 januari\n\n2024, C-687-2, ECLI:EU:C:2024:72 (MediaMarktSaturn).\n\n Artikel 3:305a lid 2 sub d BW geeft vervolgens een opsomming van de informatie die beschikbaar\n\nmoet zijn op de website.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 18 en 21.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 20.\n\n WOCD-rapport ‘Nut, noodzaak, vormgeving en kosten van een (revolverend) processenfonds voor\n\ncollectieve acties’, zie p. 14 en 15, op 18 september 2023 door de Minister voor Rechtsbescherming\n\naangeboden aan de Tweede Kamer.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 19.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2023-2024, 36 169, nr. 40, p. 3.\n\nRb Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745, r.o. 5.104.\n\n Rb Amsterdam 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7253 (Bits of Freedom-Meta).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","ecli-nl-rbams-2026-6440",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]