ECLI:NL:RBAMS:2026:6680
Résumé de l'Affaire
Strafrecht; Europees strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-284652-25
Datum beslissing: 3 juni 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op onbekende datum, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Landgericht Wuppertal, Duitsland, op 1 april 2026 en betreft:
[de overgeleverde persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Duitsland),
nu gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Beoordeling
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om – met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon – een beslissing te nemen.
De rechtbank stelt vast dat de overgeleverde persoon in de gelegenheid is gesteld om opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om toestemming tot uitbreiding van de vervolging kenbaar te maken.Uit de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie van 11 mei 2026 blijkt immers dat de overgeleverde persoon en zijn Duitse advocaat van het verzoek om toestemming op de hoogte zijn gesteld. De Duitse advocaat heeft vervolgens namens de overgeleverde persoon een schriftelijk standpunt ingenomen ten aanzien van het verzoek om toestemming.
Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.
2. Beslissing
De rechtbank:
verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor uitbreiding van de vervolging van [de overgeleverde persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 3 juni 2026 door,
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers.
HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.