ECLI:NL:RBAMS:2026:6716
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11971975 \ CV EXPL 25-16096
Vonnis van 25 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 19 maart 2026, - de akte van [eiser], tevens houdende een voorwaardelijke vermeerdering van eis, met een productie,
de rolmededeling van 30 april 2026.
1.2.. De akte die [eiser] naar aanleiding van het tussenvonnis heeft genomen is aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar heeft dat niet gedaan.
1.3..
[eiser] heeft naar aanleiding van de rolmededeling geen akte genomen.
1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.. Bij voornoemd tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de oneerlijkheid en de gevolgen van het buiten toepassing laten van het in het tussenvonnis geciteerde boetebeding dat in de huurovereenkomst is opgenomen en aan de onderhavige vordering ten grondslag ligt.
2.2..
[eiser] heeft laten weten, kort gezegd, dat [gedaagde] bij brief van 23 april 2024 in kennis is gesteld dat de huurovereenkomst tegen 23 juli 2025 zou worden beëindigd en de huurwoning zou moeten worden verlaten. [gedaagde] heeft dan ook ruim de tijd gekregen om een andere huurwoning te zoeken. [gedaagde] weigert de woning te verlaten en betaalt met ingang van 1 december 2025 ook geen gebruiksvergoeding meer voor de woning. Op dit moment bestaat er een huurachterstand van € 10.520,-, die maandelijks moet worden verhoogd met € 2.104,-. Door de houding van [gedaagde] kan [eiser] de woning niet verkopen en ook de overbruggingshypotheek niet aflossen. Ook ondervindt [eiser] bijkomende schade, waaronder een belastingaanslag van € 7.169,- voor het jaar 2024. Naar verwachting zal [eiser] dat bedrag aan belasting ook over het jaar 2025 moeten betalen. [eiser] verzoekt om toewijzing van de gevorderde schadevergoeding van € 50.000,- in verband met het onrechtmatig handelen door [gedaagde], waardoor [eiser] onevenredig financieel wordt getroffen. Mocht het beding toch oneerlijk zijn, dan verzoekt [eiser] om toewijzing van de huurachterstand, tot en met 1 april 2026 begroot op € 10.520,- alsmede ontbinding van de huurovereenkomst en toestemming voor ontruiming van de woning, aldus – steeds – [eiser].
2.3.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
2.4.. Gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader, zijn de door [eiser] genoemde omstandigheden die zijn ontstaan na het sluiten van de huurovereenkomst, hoe vervelend deze ook voor haar zijn, niet van belang bij de oneerlijkheidstoets. Deze toets vindt immers plaats op het moment van sluiting van de overeenkomst. In dat verband heeft de kantonrechter in overweging 2.5 van het tussenvonnis al geoordeeld dat het boetebeding, zeker in combinatie met de verplichting om ook alle aanvullende schade te vergoeden, kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het (onrechtmatig) handelen van [gedaagde] is daarbij niet relevant. Nu partijen niets hebben aangevoerd dat moet leiden tot een ander oordeel dan verwoord in het tussenvonnis, blijft overeind dat het boetebeding oneerlijk is en daarom buiten toepassing moet blijven. De gevorderde boete van € 50.000,- wordt dan ook afgewezen.
2.5.. In haar akte verzoekt [eiser] in dat geval om toewijzing van de inmiddels ontstane huurachterstand. Dit is een wijziging van eis. Ondanks dat [eiser] naar aanleiding van de rolmededeling niet heeft laten weten waarom zij de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zowel in de onderhavige procedure bij voorwaardelijke eisvermeerdering vordert alsook gelijktijdig in een afzonderlijke procedure, heeft de kantonrechter geconstateerd dat [eiser] in de afzonderlijke procedure naar aanleiding van de rolmededeling die in die zaak is uitgegaan een verzoek tot doorhaling van de procedure heeft gedaan. De andere zaak is daarmee afgedaan, zodat de voorwaardelijke eiswijziging in deze procedure zal worden toegelaten, waarbij van belang is dat [gedaagde] in de onderhavige procedure is verschenen en tegen de eiswijziging geen bezwaren kenbaar heeft gemaakt.
2.6.. De (gewijzigde) eis van [eiser] is niet weersproken en kan worden toegewezen zoals hierna vermeld.
2.7.. De ontruimingstermijn wordt naar vast beleid vastgesteld op 14 dagen na betekening van het vonnis.
2.8.. Gelet op wat [eiser] heeft gesteld in haar akte, gaat de kantonrechter er vanuit dat zij de huur tot ontbinding vordert en een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huur tot aan de ontruiming. De gebruiksvergoeding na ontbinding wordt toegewezen tot en met de dag van de ontruiming. Dat wil zeggen naar rato, waarbij niet een gedeelte van de maand voor een gehele maand wordt gerekend.
2.9..
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu een gedeelte van de vordering is afgewezen wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten corresponderend bij het toegewezen gedeelte van de vordering. Het meer verschuldigde blijft voor rekening van [eiser]. Met inachtneming daarvan worden de proceskosten van [eiser] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
881,78
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres],
3.2.. veroordeelt [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,
3.3.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 10.520,00 aan huurachterstand, berekend tot 1 mei 2026,
3.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.104,00 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt,
3.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 881,78, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
3.6.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
991