ECLI:NL:RBAMS:2026:6771
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 27 mei 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/788480 HA RK 26-195 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster]
verzoekster,
gemachtigde mr. J. Du Bois,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1. Verloop van de procedure
1.1..
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
het wrakingsverzoek ingekomen op 27 mei 2026, alsmede het eerder in deze zaak tegen mr. Blankevoort ingediende wrakingsverzoek.
1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.
2. De feiten en het verzoek
2.1.. Verzoekster is verwerende partij in een procedure die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer 788174 KG ZA 26-420). De mondelinge behandeling van deze zaak was aanvankelijk gepland bij mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, op 27 mei 2026 om 13.30 uur. Na ontvangst van een tegen hem gericht wrakingsverzoek heeft mr. Blankevoort berust in dat verzoek. Korte tijd nadat het bericht van berusting aan de gemachtigde was verzonden, is de zaak toegewezen aan de rechter en is namens de rechter bericht dat de zaak behandeld zou worden op 27 mei 2026 om 14.30 uur. Verzoekster heeft om uitstel verzocht, maar de rechter heeft beslist dat de behandeling om 14.30 uur zou doorgaan. Dit is om 13.51 uur namens de rechter aan de gemachtigde meegedeeld. Na afloop van deze mondelinge behandeling heeft verzoekster het wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. In dit verzoek wordt tevens verwezen naar het verzoek dat tegen mr. Blankevoort was ingediend.
2.2.. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat, nadat het bericht van berusting van mr. Blankevoort was ontvangen, nog geen melding werd gemaakt van een nieuwe datum of tijd waarop het kort geding zou plaatsvinden. Luttele minuten later volgde het telefonische bericht dat de rechter voornemens was het kort geding om 14.30 uur te behandelen. Verzoekster acht deze gang van zaken in strijd met de goede procesorde en verzoekster wordt daardoor ernstig in haar belangen en of verdediging geschaad. Zowel verzoekster als de gemachtigde hadden hier geen rekening mee gehouden. Bovendien blijkt uit het (aanvankelijk tegen mr. Blankevoort ingediende) verzoek onomstotelijk dat de gemachtigde een zitting had elders in het land. Verzoekster heeft vervolgens verwezen naar de wrakingsgronden zoals verwoord in het tegen mr. Blankevoort ingediende verzoek tot wraking. Het is onduidelijk wanneer de rechter is benaderd, maar wrakingsgrond (uit het verzoek gericht tegen mr. Blankevoort) dat over de spoedeisendheid al een standpunt was ingenomen, geldt nog steeds. De griffiemedewerker heeft namens de rechter om 13.51 uur meegedeeld dat de behandeling door de rechter zou doorgaan en dat verzoekster dan maar zelf naar de zitting moest komen, ondanks de verhindering van de gemachtigde. Dit is in strijd met de goede procesorde en tevens is het volstrekt onduidelijk welke informatie mr. Blankevoort aan de rechter heeft verstrekt, op grond waarvan kennelijk binnen 40 minuten na de berusting door de rechter is beslist dat de mondelinge behandeling noodzakelijk werd geacht. De rechter heeft zonder hoor en wederhoor daartoe de beslissing genomen.
3. De beoordeling
3.1.. Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2..
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn
aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.. In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.. Het bezwaar van verzoekster betreft de beslissing van de rechter om de behandeling van de zaak niet aan te houden. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest.
3.5.. Voor het overige bevat het verzoek geen enkele grond waaruit de vooringenomenheid of de schijn daarvan van de rechter valt af te leiden. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.6.. Omdat verzoekster het middel tot wraking, lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet en kennelijk alleen met het oog op uitstel van de zitting, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, K.A. Brunner en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.