[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6790":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6790":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"564","ECLI:NL:RBAMS:2026:6790","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-01T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F056191-24\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. T. van Wanrooij) en van wat verdachte en zijn raadsman (mr. D. Fontein) naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de verzoeken tot schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]), beiden bijgestaan door mr. C.A. Bouw, en het verzoek tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3]), bijgestaan door mr. M.M. de Boer. De genoemde benadeelde partijen, de vader van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de moeder van [benadeelde partij 3] hebben daarnaast gebruikgemaakt van het spreekrecht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2014 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2015 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 2 augustus 2018 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen en\u002Fof Zandvoort met [benadeelde partij 3], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nDe verklaringen van de drie aangeefsters zijn betrouwbaar. Van zogeheten storytellingtussen de aangeefsters en andere betrokkenen onderling is geen sprake.\n\nBij feit 1 kan voor wat betreft de leeftijd van [benadeelde partij 1] bij aanvang van de seksuele handelingen uitgegaan worden van haar verklaring dat deze zijn begonnen op haar elfde. [benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over haar leeftijd ten tijde van de start van de seksuele handelingen. Verdachte heeft wisselend verklaard over het startmoment, terwijl zijn verklaring over hoe en onder welke omstandigheden de eerste seksuele handeling (het met de hand in de broek gaan) plaatsvond, wel aansluit bij de verklaring van [benadeelde partij 1]. Het aankoopbewijs van de AirPods waarover [benadeelde partij 1] heeft verklaard, vormt bovendien een bevestiging van haar verklaring. Verdachte heeft alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen bekend waar het [benadeelde partij 1] betreft, waaronder ook het binnendringen. Dit alles maakt dat zowel feit 1 als 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 3 kan steunbewijs worden gevonden voor de verklaring van [benadeelde partij 2] in haar dagboek en de door haar geschreven notitie en in de seksueel getinte berichten die verdachte naar haar heeft gestuurd. Ook de verklaring van [benadeelde partij 1] over hetgeen zij van [benadeelde partij 2] heeft gehoord ondersteunt de verklaring van [benadeelde partij 2]. Dit alles maakt dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 4 kan steunbewijs worden gevonden in de herkenning van verdachte van het moment van de door [benadeelde partij 2] beschreven situaties. Over het aanraken van de billen van [benadeelde partij 2] tijdens het spelen van verstoppertje, hetgeen [benadeelde partij 2] direct tegen haar ouders heeft gezegd, is daarnaast contact geweest met de vader van verdachte. Verdachte heeft bevestigd dat dit contact heeft plaatsgevonden. Ook dit alles dient als steunbewijs. Het voorgaande maakt dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 5 kan steunbewijs worden gevonden in de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] het incident op het toilet direct tegen haar moeder heeft verteld. Over dit incident is vervolgens contact geweest met verdachte. Verdachte heeft de situatie bovendien herkend en heeft zijn aanwezigheid bij [benadeelde partij 3] op het toilet bevestigd. Voor het incident in de zee kan steunbewijs gevonden worden in de foto die in het dossier aanwezig is. Ook de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] zichzelf op latere leeftijd beschadigd heeft (de gedragsverandering) en de door haar moeder en een vriendin van [benadeelde partij 3] bij haar waargenomen emotie bieden ondersteuning voor de verklaring van [benadeelde partij 3]. Dit alles maakt dat ook feit 5 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\n3.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft een aantal vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Hun verklaringen bevatten tegenstrijdigheden, onzekerheden en aanwijzingen van onderlinge beïnvloeding. Ook bij de verklaring van [benadeelde partij 3] heeft de raadsman vraagtekens geplaatst. Haar verklaringen bevatten de nodige inconsistenties waar het gaat om de bewijsvraag.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde feit. Verdachte heeft de ten laste gelegde seksuele handelingen bekend. Hij stelt echter dat het eerste seksuele contact heeft plaatsgevonden toen [benadeelde partij 1] al twaalf jaar oud was, namelijk in januari 2020. [benadeelde partij 1] zelf heeft op dit punt niet consistent verklaard. Er is bovendien geen objectief of onafhankelijk steunbewijs dat het eerste seksuele contact in het elfde levensjaar van [benadeelde partij 1] plaatst. Het aankoopbewijs van de AirPods plaatst het eerste seksuele contact na de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1] en biedt daarmee ondersteuning voor de verklaring van verdachte op dit punt.\n\nVolgens de raadsman is feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen, maar dient de pleegperiode aan te vangen in januari 2020.\n\nDe raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit voor het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Het dossier bevat namelijk geen bewijs dat de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] daadwerkelijk ondersteunt. Het bewijsminimum is daarmee niet gehaald.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. Feiten 1 en 2 ([benadeelde partij 1]): veroordeling\n\nDe rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.\n\nDe verklaring van aangeefster\n\n [benadeelde partij 1] heeft op 15 februari 2024 aangifte gedaan van jarenlang seksueel misbruik door verdachte, haar achterneef. Het misbruik heeft plaatsgevonden tijdens samenkomsten en gezamenlijke vakanties van verschillende gezinnen die deel uitmaakten van dezelfde familie\u002Fvriendengroep. De vader van verdachte is een neef van de vader van [benadeelde partij 1]. Tussen [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007) en verdachte bestaat een leeftijdsverschil van bijna zes jaar.\n\nIn haar aangifte verklaart [benadeelde partij 1] – samengevat – het volgende. Het misbruik is begonnen toen zij elf jaar oud was. [benadeelde partij 1] zat samen met haar zusje ([benadeelde partij 2]) en verdachte op zijn kamer (de rechtbank begrijpt: op het adres van verdachte in [woonplaats 1]). Dit was tijdens een barbecue in de zomer. Op een gegeven moment ging verdachte met zijn hand in de broek van [benadeelde partij 1] en ging hij met een vinger in haar vagina. [benadeelde partij 1] kan zich herinneren dat verdachte scherpe nagels had en dat het pijn deed. Dit vingeren door verdachte heeft in de periode daarna op meerdere momenten plaatsgevonden.Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] opnieuw verklaard dat verdachte meerdere keren met zijn vinger in haar vagina ging.Toen [benadeelde partij 1] (bijna) twaalf jaar oud was, was ze met haar gezin en het gezin van verdachte op vakantie in Zeeland. Dit was in de winter. [benadeelde partij 1] had op dat moment nieuwe AirPods. Verdachte heeft geholpen met het installeren daarvan. Hij begon haar op dat moment opnieuw te vingeren. Ook pakte hij de hand van [benadeelde partij 1] en deed deze in zijn broek, waarna ze hem met haar hand moest aftrekken. Later die avond\u002Fdie nacht is [benadeelde partij 1] op verzoek van verdachte naar zijn kamer gegaan. Daar heeft [benadeelde partij 1] verdachte moeten pijpen. Vervolgens heeft verdachte [benadeelde partij 1] gebeft. Daarna zei verdachte tegen [benadeelde partij 1] dat ze op hem moest komen zitten. Verdachte is uiteindelijk tot de helft met zijn penis in [benadeelde partij 1] geweest. Dit deed heel veel pijn.In de periode daarna heeft [benadeelde partij 1] verdachte vaker moeten pijpen en heeft verdachte [benadeelde partij 1] verscheidene keren gevingerd en gebeft. Verdachte wreef ook met zijn stijve penis langs de vagina van [benadeelde partij 1]. Vanaf een gegeven moment was er ook vaak sprake van seks, waarbij verdachte met zijn penis in de vagina van [benadeelde partij 1] ging en klaarkwam. Al met al denkt [benadeelde partij 1] dat het ongeveer vijftien keer tot seks is gekomen.Tijdens het pijpen kwam verdachte klaar in de mond van [benadeelde partij 1] en moest ze zijn sperma doorslikken.Het is ook voorgekomen dat verdachte de borsten van [benadeelde partij 1] pakte en zijn penis ertussen deed, waarna hij met zijn penis heen en weer bewoog.De seks heeft voornamelijk plaatsgevonden op de slaapkamer van verdachte, maar ook een keer op de slaapkamer van [benadeelde partij 1](de rechtbank begrijpt: op haar adres in [woonplaats 2])en in Zeeland.De laatste keer dat er daadwerkelijk seksueel contact heeft plaatsgevonden was vóór de zomervakantie van 2023.Verdachte heeft na die tijd nog wel meermalen aan [benadeelde partij 1] gevraagd of ze nog een keer seks met hem wilde hebben.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde partij 1] betrouwbaar is. Ze heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent verklaard.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft al de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde seksuele handelingen met [benadeelde partij 1] bekend: het brengen van zijn vingers tussen haar schaamlippen, het likken van haar vagina, het beffen, het brengen van zijn penis in haar mond, het zich door haar laten pijpen en het haar zijn sperma door laten slikken, het pakken van haar hand en arm en het zich door haar laten aftrekken, het zichzelf en zijn penis door haar laten betasten, het duwen van zijn penis tussen haar schaamlippen, het met zijn penis over haar vagina wrijven, het betasten van haar borsten en het met zijn penis heen en weer bewegen tussen haar borsten.\n\nPlaatsing in de tijd\n\nVerdachte heeft alle seksuele handelingen bekend, maar plaatst de eerste keer dat seksueel contact heeft plaatsgevonden (de keer waar ook [benadeelde partij 1] over heeft verklaard, het aanraken van haar vagina op zijn kamer) in januari 2020. Dat zou betekenen dat [benadeelde partij 1] op dat moment al twaalf jaar oud was en dat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 ten laste gelegde, zoals de raadsman heeft bepleit. De rechtbank gaat echter uit van de verklaring van [benadeelde partij 1] dat ze ten tijde van het eerste seksuele contact elf jaar oud was. De rechtbank komt tot deze vaststelling op grond van het navolgende.\n\n [benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over het eerste moment dat verdachte verder ging dan vingeren. Ze heeft steeds verklaard dat dat moment tijdens een vakantie in de winter in Zeeland was en dat ze op dat moment nieuwe AirPods had gekregen.Verdachte had haar geholpen met de installatie daarvan. Dit moment in Zeeland was rond de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1].Het moment van de aanschaf van de AirPods vindt verankering in het dossier. Deze AirPods zijn gekocht in Middelburg op 27 december 2019.Voorafgaand aan dat moment, waarbij verdachte met zijn penis vaginaal is binnengedrongen, is er meerdere keren sprake geweest van vingeren. Volgens [benadeelde partij 1] is dat al begonnen in de zomer voorafgaand aan de vakantie in Zeeland (in december 2019). Ook verdachte heeft verklaard dat sprake is geweest van een opbouw in de seksuele contacten voorafgaand aan die keer in Zeeland, en ook hij heeft verklaard dat het seksuele contact begonnen is met vingeren.Hij heeft echter verklaard dat de verdergaande handelingen (waaronder het met de penis vaginaal binnendringen) hebben plaatsgevonden in de zomer van 2020. Dit was volgens hem tijdens de tweede gezamenlijke vakantie in Zeeland. De rechtbank volgt echter – gelet op het voorgaande – de (betrouwbaar geachte) verklaring van [benadeelde partij 1] en plaatst de seksuele handelingen, waaronder het met de penis vaginaal binnendringen, in december 2019 gelet op de gedetailleerde en onderbouwde verklaring van [benadeelde partij 1] mede over het door verdachte installeren van de AirPods. Ook de verklaring van verdachte is in zoverre ondersteunend dat hij heeft verklaard dat deze handelingen in Zeeland hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat [benadeelde partij 1] in december 2019 twaalf jaar oud is geworden en dat zowel [benadeelde partij 1] als verdachte hebben verklaard dat voorafgaand aan het met de penis vaginaal binnendringen, diverse keren sprake is geweest van ontucht die bestond uit vingeren. Deze handelingen (het vingeren) hebben dus plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het verblijf in Zeeland in december 2019. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [benadeelde partij 1] op dat moment nog geen twaalf jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het onder 1 ten laste gelegde (seksueel binnendringen terwijl [benadeelde partij 1] jonger is dan twaalf jaar), en het onder 2 ten laste gelegde (ontucht terwijl [benadeelde partij 1] tussen de twaalf en zestien jaar oud is) worden bewezen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht de onder 1 en 2 aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.3.2. Feiten 3 en 4 ([benadeelde partij 2]): vrijspraak\n\nDe verklaring van aangeefster\n\nOok de zus van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte en heeft verklaard over een aantal incidenten. [benadeelde partij 2] heeft allereerst verklaard over een incident dat zich zou hebben voorgedaan toen ze op de kamer van verdachte was terwijl hij FIFA aan het spelen was. Hij zou haar billen hebben aangeraakt en zou met zijn vingers in haar vagina zijn gegaan. [benadeelde partij 2] noemt ook nog een keer waarbij verdachte haar aangeraakt zou hebben tijdens het kijken van een film samen met haar zus [benadeelde partij 1]. Van haar ouders heeft [benadeelde partij 2] gehoord dat verdachte ook een keer haar billen aangeraakt zou hebben tijdens het spelen van verstoppertje en dat hij toen gezegd zou hebben dat ze ‘lekkere billen’ had. [benadeelde partij 2] zou ten tijde van dit incident ongeveer vijf jaar oud geweest zijn. [benadeelde partij 2] zelf kan zich dit voorval niet herinneren, maar zou dit destijds aan haar opa en haar ouders hebben verteld. Haar ouders hebben dit later weer aan [benadeelde partij 2] verteld.\n\n [benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat verdachte gedurende een langere periode (vanaf ongeveer haar zevende tot haar dertiende) seksueel getint chatverkeer met haar onderhield. In de in het dossier aanwezige screenshots van deze chats is onder andere te zien dat verdachte aan [benadeelde partij 2] vraagt of ze zichzelf al eens aangeraakt heeft.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nZonder afbreuk te willen doen aan de ervaringen van [benadeelde partij 2], overweegt de rechtbank dat zij de betrouwbaarheid van hetgeen [benadeelde partij 2] heeft verklaard niet voldoende kan beoordelen. De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij 2] onvoldoende gedetailleerd en niet geheel consistent heeft verklaard over welke seksuele handelingen verdachte bij haar zou hebben verricht en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Er kan niet worden uitgesloten dat haar herinneringen in enige mate beïnvloed zijn door de gesprekken met [benadeelde partij 1] over haar ervaringen met verdachte, en dat zij ook is beïnvloed door de aangifte van [benadeelde partij 3]. Voor het incident tijdens het spelen van verstoppertje geldt meer in het bijzonder dat [benadeelde partij 2] zich dat incident zelf niet meer kan herinneren.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 2] heeft verklaard al dan niet gebeurd is. In zijn ogen hebben de incidenten niet plaatsgevonden.\n\nSteunbewijs\n\nDaarnaast bevat het dossier ook onvoldoende steunbewijs om te komen tot een bewezenverklaring. Hoewel naar vaste rechtspraak het steunbewijs niet specifiek betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, dient de verklaring van de aangever steun te vinden in (een) ander(e) bewijsmiddel(en), afkomstig uit een andere bron, terwijl tussen dat steunbewijs en de inhoud van de verklaring niet een te ver verwijderd verband mag bestaan, zodat die verklaring niet op zichzelf staat. Onvoldoende is in ieder geval als het steunbewijs ‘slechts’ ondersteuning biedt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever.\n\nVoor het incident waaraan [benadeelde partij 2] geen eigen herinnering meer heeft, geldt dat er enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen over dat incident zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 2]. Daar komt bij dat [benadeelde partij 2] haar opa hierover als eerst heeft geïnformeerd, maar dat haar opa zich van dit incident niets meer kan herinneren. Ook de seksueel getinte berichten tussen verdachte en [benadeelde partij 2] die zich in het dossier bevinden vormen geen concreet steunbewijs voor de incidenten waarover [benadeelde partij 2] verklaard heeft. Uit de berichten valt namelijk niet af te leiden dat er daadwerkelijk seksueel contact is geweest tussen [benadeelde partij 2] en verdachte. Voor de handgeschreven tekst in het dagboek van [benadeelde partij 2] geldt dat deze niet is gedateerd en voor een deel niet of slecht leesbaar is. Om deze reden kan dit dagboek geen voldoende steunbewijs vormen. De dagboeknotitie in de telefoon van [benadeelde partij 2] is van 25 december 2023, met andere woorden: jaren na het vermeende incident. Ook deze notitie kan daarom niet als steunbewijs dienen. Hetzelfde geldt voor de emotie die [benadeelde partij 2] getoond heeft bij het vertellen van haar verhaal, want dit vond pas jaren na het vermeende misbruik plaats, terwijl zij op dat moment al bekend was met de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3].\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 en 4 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nVast staat wel dat verdachte zeer ongepaste en seksueel getinte berichten naar [benadeelde partij 2] heeft gestuurd, terwijl zij zeer jong was en er sprake was van een leeftijdsverschil van meer dan acht jaar met verdachte. Deze berichten zouden aangemerkt kunnen worden als grooming, maar dat is niet aan verdachte tenlastegelegd.\n\n3.3.3. Feit 5 ([benadeelde partij 3]): vrijspraak\n\nDe verklaring van aangeefster\n\n [benadeelde partij 3], een nichtje van verdachte, heeft ook aangifte tegen hem gedaan van seksueel misbruik. Toen [benadeelde partij 3] vijf jaar oud was zou verdachte met haar naar het toilet gegaan zijn en zou hij zijn penis tegen haar billen hebben aangehouden. [benadeelde partij 3] kan zich dit incident niet herinneren, maar zou het destijds tegen haar moeder verteld hebben. Haar moeder heeft het later weer aan [benadeelde partij 3] verteld. [benadeelde partij 3] kan zelf wel een incident op het strand herinneren dat plaatsgevonden zou hebben in augustus 2018. Ze was op dat moment acht jaar oud en zou tijdens een bezoek aan het strand met verdachte in zee zijn geweest. Op een gegeven moment was het te diep voor [benadeelde partij 3] om te staan en zou verdachte haar opgetild hebben. Tijdens het optillen zou hij met zijn hand aan haar vagina gezeten hebben.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nZonder op de ervaringen van [benadeelde partij 3] af te dingen, geldt voor wat betreft de betrouwbaarheid van haar verklaring deels hetzelfde als voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij 2]. Aan het incident dat zich op het toilet zou hebben afgespeeld, toen zij vijf jaar oud was, heeft [benadeelde partij 3] zelf geen herinnering. Evenmin kan getoetst worden wat [benadeelde partij 3] precies heeft verteld over wat er gebeurd zou zijn en hoe het gesprek tussen [benadeelde partij 3] en haar moeder verlopen is. De verklaring van [benadeelde partij 3] over het incident in zee daarentegen acht de rechtbank wel betrouwbaar. [benadeelde partij 3] heeft op dit punt consistent en voldoende gedetailleerd verklaard.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nOok over dit feit heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 3] heeft verklaard al dan niet is gebeurd. Volgens hem hebben de incidenten niet plaatsgevonden. Verdachte kan zich de bewuste dag op het strand wel herinneren. Hij zou toen met meerdere kinderen, waaronder [benadeelde partij 3], in zee hebben gespeeld. Zij waren daar samen met een aantal volwassenen en zij zouden de kinderen in zee hebben gegooid, waarbij hij ook [benadeelde partij 3] heeft vastgehouden.\n\nSteunbewijs\n\nHet dossier bevat ook voor het onder 5 tenlastegelegde onvoldoende steunbewijs om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. Voor het incident waaraan [benadeelde partij 3] geen eigen herinnering heeft, geldt dat er op dat punt enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 3]. De chatberichten die zich in het dossier bevinden en die zouden gaan over het bespreken van het incident op het toilet met de vader van verdachte zijn onvoldoende concreet om hier als steunbewijs te dienen. De foto van de stranddag en de verklaring van verdachte dat hij zich die dag kan herinneren, bevestigen dat er een gezamenlijke stranddag was, maar bieden geen steun aan de verklaring van [benadeelde partij 3] voor zover die ziet op de aan verdachte tenlastegelegde handeling. De door anderen, waaronder een vriendin van [benadeelde partij 3] ([vriendin benadeelde partij 3]), bij [benadeelde partij 3] waargenomen emoties kunnen evenmin als steunbewijs dienen, omdat deze emoties pas vele jaren na het vermeende incident (toen [benadeelde partij 3] hierover naar buiten trad) zijn waargenomen. Ook de veranderingen in het gedrag, waarbij [benadeelde partij 3] zichzelf ook heeft beschadigd, zijn ernstig en naar, maar niet zonder meer (alleen) aan de verweten gedragingen te koppelen, en daarmee onvoldoende om op zichzelf als steunbewijs te dienen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat onder 5 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 te Amstelveen met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het meermalen brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1];\n\nt.a.v. feit 2:\n\nin de periode gelegen tussen 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Nederland, met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het een of meermalen,\n\n- brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- likken van de vagina van die [benadeelde partij 1] en\n\n- beffen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde partij 1] en\n\n- zich laten pijpen door die [benadeelde partij 1] en\n\n- laten doorslikken van zijn sperma door die [benadeelde partij 1] en\n\n- pakken van de hand en arm van die [benadeelde partij 1] en\n\n- zich laten aftrekken en\n\n- zich laten betasten door die [benadeelde partij 1] en\n\n- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij 1] en\n\n- brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- wrijven met zijn, verdachtes, penis over de vagina van die [benadeelde partij 1] en\n\n- betasten van de borsten van die [benadeelde partij 1] en het heen en weer bewegen met zijn, verdachtes, penis tussen de borsten van die [benadeelde partij 1].\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n7.1. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat in zijn geheel uit van het volwassenenstrafrecht en het daarbij horende sanctiestelsel. Hij verzoekt de gevorderde gevangenisstraf op te leggen voor het deel van de feiten dat vanaf het 16e levensjaar van verdachte is gepleegd. De rechtbank begrijpt zijn eis met het oog op de wet daarom zo, dat er voor de door de officier van justitie bewezen geachte feiten vóór het 16e levensjaar van verdachte geen straf geëist is.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak wordt opgeheven.\n\nOok heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij 3] gevorderd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Voor elke overtreding daarvan verzoekt de officier van justitie zeven dagen hechtenis te verbinden, met een maximum van zes maanden.\n\n7.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft allereerst gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn en heeft verzocht om deze overschrijding te verdisconteren in de strafmaat. De raadsman heeft daarnaast gewezen op een aantal strafmatigende omstandigheden. Hij ziet geen reden voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.\n\nVoor het deel van de feiten dat gepleegd is vóór de achttiende verjaardag van verdachte heeft de raadsman verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Voor het deel van de feiten dat gepleegd is ná de achttiende verjaardag van verdachte heeft hij verzocht het adolescenten-strafrecht toe te passen.\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen. Verdachte heeft gedurende vijf jaar zijn jongere achternichtje, [benadeelde partij 1], vele keren vergaand seksueel misbruikt. Hij heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van haar jonge leeftijd en het grote vertrouwen dat [benadeelde partij 1] in hem had. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] daarnaast ook emotioneel belast door haar voor te houden dat de familie uit elkaar zou vallen als het misbruik uit zou komen. Door de vergaande seksuele handelingen aan [benadeelde partij 1] op te leggen heeft verdachte haar lichamelijke en seksuele integriteit geschonden. Dit heeft bij [benadeelde partij 1] aanzienlijk psychisch letsel tot gevolg. Ze heeft jarenlang met een geheim moeten rondlopen. Haar seksuele ontwikkeling is door verdachte bovendien verstoord en doorkruist. De rechtbank heeft van verdachte het beeld gekregen dat hij vooral en alleen bezig is geweest met zijn eigen seksuele behoeften. In het opzoeken van zijn eigen seksuele grenzen is hij de grens van [benadeelde partij 1] ver overgegaan. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte zich niet heeft kunnen verplaatsen in de jonge leeftijd en daarbij behorende kwetsbaarheid van zijn jongere achternichtje. Op zitting heeft de rechtbank evenmin de indruk gekregen dat hij daar inmiddels wel volledig toe in staat is. Bij dit alles komt ook dat verdachte met zijn handelen veel kapot heeft gemaakt in de onderlinge verhoudingen in zijn familie. Dit raakt alle betrokkenen. De vergaande gevolgen blijken ook uit de slachtofferverklaring van [benadeelde partij 1] op de terechtzitting. Ook in de maatschappij wordt met afkeer en verontwaardiging hierop gereageerd.\n\nDe ernst van de feiten zoals hierboven omschreven weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte zijn problematiek en fouten in enige mate erkent. Hij is op dit punt tot op zekere hoogte open en is in behandeling geweest bij De Waag. Verder heeft hij veel in zijn leven op orde: hij heeft werk, woont samen met zijn vriendin en ervaart steun van zijn ouders en vrienden. Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat verdachte gedurende een deel van de bewezenverklaarde periode minderjarig was.\n\nVerdachte heeft in het kader van de onderhavige zaak gesproken met een psycholoog, hetgeen geresulteerd heeft in het Pro Justitia-rapport van 16 januari 2025. Bij De Waag is verdachte gediagnosticeerd met een ‘andere gespecificeerde parafiele stoornis’ met ‘niet-exclusieve hebefiele interesse’. Dit betekent volgens De Waag dat verdachte zich aangetrokken voelt tot vrouwen van zijn leeftijd en ouder, maar dat hij ook meisjes in de puberteit seksueel aantrekkelijk vindt waarbij reeds de secundaire geslachtskenmerken rijpen. De Pro Justitia-psycholoog die over verdachte heeft gerapporteerd sluit zich niet aan bij deze diagnose. Volgens deze psycholoog vormt een hebefiele voorkeur in formele zin geen parafiele stoornis. Verdachte is jong en de hebefiele voorkeur is niet erg uitgesproken en lijkt te vallen onder de nog weinig gedifferentieerde waaier van een nog beperkt gerijpte seksuele voorkeur. Volgens de psycholoog is er bij verdachte dan ook geen sprake van een psychische stoornis. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake kan zijn van een vermindering van de mate waarin het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend. Het herhalingsgevaar wordt door de psycholoog ingeschat als matig tot laag.\n\nDe reclassering heeft op 1 juni 2026 een rapport aangaande verdachte uitgebracht. Ook de reclassering spreekt van een matig tot laag recidiverisico. De behandeling die verdachte bij De Waag ondergaan heeft is inmiddels positief afgerond. De reclassering geeft aan geen meerwaarde te zien in het voortzetten van reclasseringsinterventies. Over de eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht heeft de reclassering als volgt gerapporteerd:\n\n“Ten tijde van het ten laste gelegde woonde betrokken thuis en leek hij ontvankelijk voor sociale en emotionele ondersteuning van ouders en anderen. Echter is geen sprake van een licht verstandelijke beperking. Betrokkene komt conform kalenderleeftijd over. Er is sprake van voldoende handelingsvaardigheden. Wij hebben de indruk dat de [verdachte] de risico's van zijn handelen goed in\n\nkan schatten, ook ten tijdens het ten laste gelegde; zo geeft hij in gesprek met ondergetekende te kennen dat hij wist dat wat hij deed, niet goed was. Daarnaast is er geen interventie en\u002Fof maatregel nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De [verdachte] staat onder toezicht van de volwassenenreclassering. Alles samenvattend adviseren wij het volwassenenstrafrecht toe te passen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aan het begin van de bewezenverklaarde periode (de periode die hoort bij feit 1) de leeftijd van zestien jaar al had bereikt. Het is om die reden mogelijk om verdachte in zijn geheel volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De rechtbank ziet, mede gelet op het hierboven aangehaalde advies van de reclassering, geen reden om dit niet te doen. Toepassing van het volwassenenstrafrecht is bij feiten die zich zowel tijdens minderjarigheid (vanaf het zestiende levensjaar) als tijdens de volwassenheid hebben afgespeeld het uitgangspunt. Gedurende een aanzienlijk deel van de bewezenverklaarde periode was verdachte meerderjarig. Ook in de manier en de wijze waarop verdachte blijkens de rapportages nu in het leven staat ziet de rechtbank geen reden om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte is dusdanig ontwikkeld dat plaatsing in een jeugdinrichting niet passend is. Verdachte heeft zelf hulp gezocht en heeft zijn behandeling afgerond. Dit alles ondersteunt de vaststelling dat hij als volwassene functioneert. Concluderend kiest de rechtbank voor toepassing van het volwassenenstrafrecht met het bijbehorende sanctiestelsel en houdt daarbij als hiervoor overwogen in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte deels minderjarig was.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt over de strafmodaliteit en de hoogte daarvan. Het doel van de aan verdachte op te leggen straf dient, gelet op het lage tot matige recidiverisico, vooral ter vergelding en in het kader van algemene preventie. Bij feiten als de onderhavige is enkel een gevangenisstraf mogelijk. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de oriëntatiepunten die gelden voor zedenzaken en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De feiten in deze zaak zijn te ernstig om een taakstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank – gelet op het advies van de reclassering – geen reden. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden. De rechtbank zou zonder overschrijding van deze termijn een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden hebben opgelegd.\n\nAlles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden op, met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de reeds hiervoor genoemde (persoonlijke) omstandigheden van verdachte.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank ziet geen reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de omstandigheden sinds de schorsing niet zijn veranderd.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:\n\neen computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);\n\neen telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).\n\nDe bovengenoemde voorwerpen zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring en worden om die reden aan verdachte teruggegeven.\n\n9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel\n\n9.1. Benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\n9.1.1. De vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 40.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet materiële deel van de vordering bestaat uit mogelijk toekomstige medische kosten. Deze mogelijke kosten zijn op dit moment nog niet te overzien. De benadeelde partij heeft verzocht om haar in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het bedrag is enkel gevorderd omdat de vordering in een eventuele procedure in hoger beroep niet meer verhoogd kan worden.\n\n9.1.2. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.1.3. Standpunt van de raadsman\n\nVoor zover de vordering betrekking heeft op de schade die is voortgevloeid uit het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de raadsman, gelet op zijn verweer strekkende tot vrijspraak voor dat feit, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.\n\nDe raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde materiële schade, dan wel om dit deel van de vordering af te wijzen.\n\nOver de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Het bestaan van klachten en de PTSS-diagnose wordt niet betwist. De raadsman heeft verzocht het eventueel toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag dat past bij de omvang en de ernst van de bewezenverklaarde handelingen. Daarbij moet onder andere betrokken worden dat verdachte tijdens een aanzienlijk deel van de pleegperiode zelf minderjarig was.\n\n9.1.4. Oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij, conform haar eigen verzoek, niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot schadevergoeding voor zover dat ziet op de gevorderde materiële schade van € 1.000,-.\n\nVast staat daarnaast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit en de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat er bij de benadeelde partij sprake is van PTSS blijkt genoegzaam uit de aangeleverde stukken van de psycholoog en is bovendien niet betwist.\n\nDe rechtbank zoekt, net als de benadeelde partij, aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank gaat echter uit van andere categorieën. Bij hoofdstuk 14, paragraaf 2 (PTSS) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie c) (middelzwaar). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. Bij hoofdstuk 15, paragraaf 2 (ontucht met binnendringen) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie a) (meest ernstig). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 12.500,- tot € 32.000,-. Bij de verschillende bandbreedtes is het niet zo dat bedragen bij elkaar opgeteld worden. De verschillende categorieën moeten in samenhang bekeken worden. In het kader van de opgelopen PTSS (door de ontuchtige handelingen) bepaalt de rechtbank de immateriële schade op € 15.000,-. In het kader van de bedragen die bij ontucht horen bepaalt de rechtbank de (aanvullende) immateriële schade op € 5.000,-. De benadeelde partij heeft verzocht om het toe te kennen bedrag twee keer met 25% te verhogen, enerzijds omdat het gaat om een slachtoffer tot en met 14 jaar en anderzijds omdat het een uiterst verwijtbare gedraging betreft. De rechtbank merkt echter op dat deze omstandigheden al zijn verdisconteerd in de in de Rotterdamse Schaal genoemde categorieën. Zo ziet hoofdstuk 14, paragraaf 2 al op PTSS als gevolg van onder andere seksueel misbruik (per definitie een opzetdelict). Hoofdstuk 15, paragraaf 2 ziet daarnaast reeds op ontucht met binnendringen bij benadeelden tot 16 jaar oud.\n\nHet bovenstaande maakt dat de rechtbank de totale immateriële schade waardeert op € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij de bepaling van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van de datum die zich in het midden van de bewezenverklaarde periode bevindt.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\n9.2. Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 22.650,- aan vergoeding van materiële schade en € 33.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nOmdat verdachte zal worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], zal de rechtbank deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nfeit 2:\n\nmet iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nHeft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nGelast de teruggave aan verdachte, [verdachte], van:\n\neen computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);\n\neen telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 20.000 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat\n\n€ 20.000 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]:\n\nVerklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]:\n\nVerklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. A.M. Grüschke, voorzitter,\n\nmrs. Ch.A. van Dijk en A.Ş. Doğan, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en M. Khalil, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.\n\n […]\n\n Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 060 onder ‘Aangever’.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, vierde antwoord.\n\n Proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 2 onderaan en blad 3 bovenaan.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord en pagina 062, eerste helft.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina’s 063 t\u002Fm 065.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, vierde en vijfde antwoord.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, laatste antwoord.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 067, bovenaan.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 064, laatste antwoord.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.\n\n Zie naast de reeds besproken aangifte op dit punt ook het proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 3 (eerste helft), blad 6 (eerste helft), blad 7 (eerste helft) en blad 10 (eerste helft).\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord.\n\n Proces-verbaal van bevindingen met nummer 24 en documentcode 19284807, doorgenummerde pagina’s 277 en 278.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.\n\n Gerechtshof Amsterdam, 8 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1576.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6790","ecli-nl-rbams-2026-6790",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]