[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6793":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6793":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"412","ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F785698 \u002F KG RK 26-520 MK\u002FJT\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nGLENCORE INTERNATIONAL AG,\n\nte Baar (Zwitserland),\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: Glencore,\n\nadvocaten: mr. F.J.L. Kaptein en mr. W.J.E. Nijnens,\n\ntegen\n\nGLOBAL CAPITAL MERCHANTS LIMITED,\n\nte Tortola (Britse Maagdeneilanden), verweerster, hierna te noemen: GCM,\n\nadvocaten: mr. J.R. Gal en mr. S. el Baroudi,\n\nen\n\n1. ACCESS WORLD GROUP HOLDINGS B.V.,\n\nte Rotterdam, hierna te noemen: AWG,\n\nadvocaat: mr. T.M. Munnik, 2. TIRONIMUS AG,\n\nte Baar (Zwitserland), hierna te noemen: Tironimus, 3. [verweerder 3],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 3] , 4. [verweerder 4],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 4] , 5. SILTECH PMR PTY LIMITED,\n\nte Sydney (Australië), hierna te noemen: Siltech, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, 6. PERFECT HEXAGON LIMITED (IN LIQUIDATIE),\n\nte Hong Kong (China), hierna te noemen: PHL, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Glencore heeft op 31 maart 2026 een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met producties ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 13 mei 2026 hebben Siltech en PHL een verweerschrift met producties ingediend. Op 15 mei 2026 heeft GCM een verweerschrift met producties ingediend. Op 18 mei 2026 heeft AWG een productie ingediend en meegedeeld het verzoek van Glencore te ondersteunen. Op 20 mei 2026 heeft Glencore een aanvullende productie ingediend.1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Glencore, GCM en Siltech en PHL mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is deze procedure pro forma aangehouden tot en met 4 juni 2026 voor overleg tussen partijen over een mogelijke regeling.1.4.. Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig: - aan de zijde van Glencore: [naam 1] (legal counsel; via een videoverbinding), [naam 2] (finance manager; via een videoverbinding), [naam 3] (legal counsel), [naam 4] (juridisch adviseur), [naam 5] (juridisch adviseur), H.T. Haanappel (waarderingsdeskundige bij Vantage Valuation), met mr. Kaptein en mr. Nijnens, alsmede J.M. Steur en M.C. Tol (tolken Engels); - aan de zijde van GCM: [naam 7] (bestuurder) en M. van Heugten (waarderingsdeskundige bij Eight Advisory), met mr. Gal; - aan de zijde van AWG: [naam 8] (CFO; via een videoverbinding) en [naam 9] (CLO), met mr. Munnik, alsmede I. Huigens (tolk Engels); - aan de zijde van Siltech en PHL: [naam 10] (bestuurder van Siltech) en [naam 11] (vereffenaar\u002Fliquidator van PHL; via een videoverbinding), met mr. Deckers.\n\n1.5.. Tironimus en [verweerder 3] (belanghebbenden sub 2 en 3) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verweerder 4] (belanghebbende sub 4) was bij de mondelinge behandeling aanwezig in hoedanigheid van bestuurder van GCM, maar heeft zich niet gesteld in hoedanigheid van garantsteller.\n\n1.6.. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de advocaat van Glencore meegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt en verzocht om een datum voor het geven van de beschikking te bepalen.\n\n1.7.. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van GCM [**] verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden [**].\n\n1.8.. Bij e-mails van 5 en 8 juni 2026 hebben de advocaten van respectievelijk AWG en Glencore bezwaar gemaakt tegen de door GCM verzochte aanhouding.\n\n1.9.. Op 9 juni 2026 is aan partijen bericht de beschikking op 2 juli 2026 zal worden gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Glencore is een van de grootste bedrijven ter wereld die handelt in natuurlijke hulpbronnen en is een producent en verkoper van grondstoffen. Tironimus is een dochtervennootschap van Glencore en betreft een houdstermaatschappij.\n\n2.2.. GCM houdt zich voornamelijk bezig met de overname van logistieke bedrijven en opslagbedrijven voor de grondstoffenindustrie.\n\n2.3.. AWG is de Nederlandse houdstermaatschappij van de Acces World-groep, die wereldwijd logistieke diensten aanbiedt en een uitgebreid netwerk van haven- en opslagfaciliteiten exploiteert.\n\n2.4.. \n\nOp 11 juli 2022 hebben onder meer Finges Investment B.V. (hierna: Finges; een dochteronderneming van Glencore) en GCM een koopovereenkomst (de oorspronkelijke share purchase agreement) ondertekend voor de verkoop door Finges aan GCM van alle aandelen in het kapitaal van AWG (hierna: de aandelen) tegen een koopprijs van USD 176.700.000. Op 29 december 2022 is die transactie afgerond en heeft Finges de\n\naandelen aan GCM geleverd.\n\n2.5.. Glencore heeft in dat kader aan GCM op 11 juli 2022 een verkoperslening (hierna: de vendor loan) verstrekt voor de koop van alle aandelen in AWG door middel van een vendor loan facility agreement(hierna: de VFA). Glencore heeft daarbij USD 100 miljoen aan GCM ter beschikking gesteld om een deel van de koopprijs te voldoen. [verweerder 3] en [verweerder 4] (belanghebbenden sub 3 en 4) hebben een garantie verstrekt voor de nakoming van alle verplichtingen van GCM onder de VFA. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.\n\n2.6.. Op 23 december 2022 is de VFA bij amendement gewijzigd waarbij het uitstaande hoofdbedrag onder de VFA werd verhoogd tot USD 140 miljoen en GCM werd verplicht om op 16 januari 2023 (hierna: aflossingsdatum) een aflossing te doen ter hoogte van het bedrag (indien van toepassing) waarmee de vendor loan op dat moment USD 100 miljoen zou overschrijden, verminderd met eventuele vrijwillige vooruitbetalingen (hierna: het aflossingsbedrag).\n\n2.7.. Overeenkomstig artikel 2.5 van de VFA worden de betalingsverplichtingen van GCM onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op alle aandelen die GCM houdt in AWG (hierna: het pandrecht). Het pandrecht is op 29 december 2022 bij notariële akte gevestigd (hierna: de pandakte) en strekt op grond van artikel 1.1 en artikel 2.1.3 van de pandakte tot zekerheid voor de voldoening van alle huidige en toekomstige betalingsverplichtingen van GCM jegens Glencore uit hoofde van de VFA en de overige financieringsdocumenten (gedefinieerd als de Secured Obligations).\n\n2.8.. \n\nGCM liet na op de aflossingsdatum het aflossingsbedrag aan Glencore te betalen. Op grond van artikel 15.2 (Non-payment) van de VFA was GCM als gevolg daarvan in verzuim. Dit verzuim duurt nog steeds voort. Vanwege dit verzuim en in overeenstemming met artikel 15.21 (Acceleration) van de VFA, heeft Glencore op 2 februari 2023 met een notice of accelerationde vendor loan, de opgelopen rente en alle overige bedragen onder de\n\nfinancieringsdocumentatie opeisbaar gemaakt en onmiddellijke betaling van het totale uitstaande bedrag van USD 140.956.712,33 gevorderd. GCM heeft dit bedrag niet betaald. Dat geldt ook voor de rente over de vendor loan voor twee renteperiodes tot aan 4 augustus 2023. GCM is in verzuim ten aanzien van het doen van deze rentebetalingen. Ook dit verzuim duurt tot op heden.2.9.. Vervolgens heeft Glencore GCM meer tijd gegund om te betalen en hebben partijen nadere afspraken gemaakt, hetgeen niet tot betaling door GCM heeft geleid.\n\n2.10.. Op 28 november 2025 hebben de curatoren van PHL ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 38.189.786,80 op GCM ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. De curatoren van PHL hebben GCM vervolgens gedagvaard in een procedure voor de High Court of the Hong Kong Special Administrative Region.\n\n2.11.. Op 11 december 2025 heeft Siltech ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 4.693.174,40 op GCM eveneens ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. Siltech had voor die vordering reeds op 19 november 2024 een procedure tegen GCM aanhangig gemaakt bij de Supreme Court van Sydney te Australië.\n\n2.12.. Op verzoek van Glencore heeft Vantage Valuation B.V. (hierna: Vantage) een beoordeling van de going concern-waarde van AWG uitgevoerd. In het door Vantage op 11 maart 2026 opgeleverde waarderingsrapport – waarin zij gebruik maakt van eendiscounted cash flow-waarderingsmethode – concludeert zij dat de huidige reële marktwaarde(fair market value)van de aandelen in AWG (per waarderingsdatum 31 december 2025) USD [**] bedraagt.\n\n2.13.. Op 31 maart 2026 heeft Glencore een enforcement noticeaan GCM gestuurd. Per die datum bedroeg het volledige uitstaande en opgeëiste bedrag onder de VFA een totaal van USD 108.888.875 (inclusief USD 20.342.874 aan rente).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoekschrift strekt ertoe om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:\n\nI. aan Glencore, als pandhouder, op grond van artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aandelen in het kapitaal van AWG over te dragen aan Tironimus onder de voorwaarden zoals beschreven in de Sale and Purchase Agreement van 31 maart 2026 (SPA) (waarin onder meer is beschreven dat de koopsom USD [**] bedraagt, dat de koopsom wordt voldaan op grond van verrekening en dat een opschortende voorwaarde is dat de relevantie merger control authoritiesalle documenten en goedkeuringen hebben afgegeven die partijen noodzakelijk achten voor voltooiing van de verkoop) en Glencore te machtigen om alle daarvoor benodigde of nuttige handelingen te verrichten;\n\nII. indien de voorzieningen dat nodig acht: te bepalen dat de onderhandse verkoop binnen vier maanden dient plaats te vinden;\n\nIII. GCM te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Glencore stelt daartoe – samengevat – het volgende.\n\n3.2.1.. GCM is in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de VFA. Glencore heeft GCM verschillende keren uitstel van betaling verleend en zich uiterst coulant opgesteld, maar GCM voldoet consequent niet aan de gemaakte betalingsafspraken. De vordering van Glencore op GCM wordt onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op 100% van de aandelen die GCM houdt in AWG. Glencore wenst dit pandrecht te executeren. Aangezien een openbare verkoop blijkens een eerder verkoopproces tot onvoldoende opbrengst leidt, wenst Glencore de aandelen via een onderhandse verkoop te verkopen aan haar dochteronderneming Tironimus. Deze onderhandse verkoop leidt tot de hoogste executieopbrengst. De koopsom van UDS [**] weerspiegelt de reële marktwaarde en is aanzienlijk hoger dan de prijs die op korte termijn op een executieverkoop zou kunnen worden verkregen. Er is geen beter alternatief en er zijn geen geïnteresseerde bieders in de markt die bereid zijn het bod van Tironimus te evenaren of te overtreffen. De voorgenomen verkoop is in het belang van alle betrokken partijen. De schuld van GCM aan Glencore verminderd hierdoor maximaal (met USD [**]).\n\n3.2.2.. In oktober 2024 heeft MJM Advisory LTD (hierna: MJM) op verzoek van Glencore 29 afzonderlijk potentieel geïnteresseerde partijen benaderd op basis van hun veronderstelde financiële capaciteit om AWG over te nemen en hun expertise in de sector. Van deze 29 partijen hebben 16 partijen een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, waarna zij biedingsinstructies en een vertrouwelijk informatiememorandum van het managementteam van AWG ontvingen (met daarin gecontroleerde financiële jaarrekeningen over 2022 en 2023 alsmede een vooruitzicht tot 2029). Nadat geïnteresseerde een vrijblijvend bod zouden hebben uitgebracht, zouden zij toegang krijgen tot nadere informatie. Vervolgens hebben van die 16 partijen er drie een vrijblijvende bieding gedaan. Bieder 1 deed een bod van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. Bieder 1 is verzocht dat bod te verhogen, maar dat werd geweigerd, waarna zelf een verlaging van het bod volgde. Bieder 2 deed een bod van USD [**] in contanten, maar heeft dat bod vervolgens niet doorgezet. Bieder 3 deed een bod van USD [**] in contanten en werd geselecteerd om door te gaan naar de volgende fase en werd van aanvullende informatie voorzien. Na verschillende locatiebezoeken voor bieder 3 en een vier uur durende presentatie bracht bieder 3 een herzien bod uit van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. In oktober 2025 heeft bieder 3 zich teruggetrokken. Ondertussen is wederom met bieder 1 gesproken en heeft bieder 1 een herzien bod gedaan met een contante verhouding van USD [**] en een earn out van USD [**] plus een minderheidsbelang in bieder 1. Omdat de totale waarde van dat bod zich niet met zekerheid liet vaststellen is besloten niet met bieder 1 verder te gaan. Het eerdere zorgvuldig doorlopen verkoopproces heeft aldus niet tot realistische biedingen geleid. Er is bij partijen in de markt weinig interesse voor de aandelen in AWG. Een openbare verkoop van de aandelen zou tot een koopprijs leiden die niet in verhouding staat tot de waarde van de aandelen.\n\n3.2.3.. \n\nVantage heeft de operating enterprise valueop basis van dediscounted cash flow-methode vastgesteld op USD [**] per devaluation dateop 31 december 2025. Op dat bedrag is vervolgens eencross checkuitgevoerd op basis van de drie biedingen die zijn\n\nontvangen tijdens het eerdere verkoopproces. Daaruit volgt dat de door Vantage vastgestelde operating enterprise value van USD [**] zelfs boven de range is van\n\nUSD [**] die kan worden afgeleid uit de drie biedingen die eerder zijn gedaan. Daarbij geldt dat die biedingen tot stand zijn gekomen op basis van een vooruitzicht van het management van AWG op de financiële jaren lopend van 2024 tot 2029. De vooruitzichten voor 2024 en 2025 zijn te optimistisch gebleken, nu de EBITDA aanzienlijk lager is uitgevallen dan voorspeld. Als de bieders dit hadden geweten, is het aannemelijk dat hun biedingen lager zouden zijn geweest. Ook is de vastgestelde operating enterprise value gecontroleerd op basis van tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Daaruit blijkt dat de vastgestelde operating enterprise value van AWG van USD [**] binnen de range is van USD [**] die volgt uit de multiples van de tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Vervolgens is de operating enterprise valueomgerekend naar de marktwaarde van de aandelen (fair market value) door (i) de waarde van deelnemingen in en leningen aan joint ventures op te tellen, (ii) schulden aan banken en langlopendeemployee benefitsaf te trekken, (iii)non-controlling interestaf te trekken, en (iv) de aandeelhouderslening van GCM af te trekken. Vantage komt uit op een waarde van de aandelen van USD [**]. Gelet op onder meer het eerdere verkoopproces en de\n\ntijd die het kostte om AWG in 2022 aan GCM te verkopen, verwacht Vantage dat de prijs voor de aandelen die bij een executieverkoop op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd, ongeveer 25-35% onder de waarde van USD [**] zou liggen, aldus steeds Glencore.\n\n3.3.. AWG heeft het volgende aangevoerd. Zij ondersteunt het verzoek van Glencore. Haar senior managementteam is van mening dat Glencore in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder (mocht de verkoop aan Tironimus worden goedgekeurd) voor de nodige stabiliteit en rust zal kunnen zorgen en meent dat snelheid geboden is. Zij wenst zich verder niet te mengen in de discussie over de waardering van de aandelen, aldus AWG.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. GCM voert – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.1.1.. Glencore heeft het eerdere verkoopproces in 2025 volledig naar zich toe getrokken en GCM daar geheel buiten gehouden. Het verloop daarvan en dat er drie vrijblijvende biedingen zouden zijn gedaan heeft GCM voor het eerst vernomen vanuit het verzoekschrift in deze procedure. GCM heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, verder geen inzage gekregen in de identiteit van de benaderde partijen, de inhoud van hun biedingen, de daaraan verbonden voor waarden, de redenen waarom partijen zijn afgevallen of de wijze waarop Glencore en MJM het proces hebben ingericht. Aldus was het GCM volstrekt onduidelijk of het verkoopproces gestructureerd was verlopen, of er reële biedingen waren ontvangen en of het verkoopproces daadwerkelijk gericht was op het realiseren van de hoogst mogelijke opbrengst.\n\n4.1.2.. Ook nu is voor GCM nog altijd veel onduidelijk over dat proces. Zo vermeldt Glencore in haar verzoekschrift niet: (a) welke partijen zij in het verkoopproces heeft benaderd, (b) met welke concrete propositie zij die partijen heeft benaderd, (c) welke inschrijfvoorwaarden zij daarbij heeft gehanteerd, of (d) welke verkoopinformatie zij ten aanzien van AWG heeft verstrekt. Daardoor is voor GCM niet te reconstrueren waarom slechts 16 van de benaderde partijen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend, en waarom slechts drie daarvan een bieding hebben gedaan. Evenmin is duidelijk wat die biedingen uiteindelijk inhielden. Onduidelijk is hoe groot het gat is tussen de uiteindelijk door Glencore ontvangen biedingen en de prijs waarvoor zij de aandelen thans aan Tironimus wenst te verkopen. Glencore biedt geen bewijs dat de biedingen commercieel gevoelige informatie bevatten en evenmin dat de biedingen zijn onderworpen aan geheimhoudingsverplichtingen op basis waarvan de biedingen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. Bovendien kan MJM niet als onafhankelijk adviseur worden beschouwd nu haar werknemer die zich met het verkoopproces heeft beziggehouden eerder in dienst was bij ING Corporate Finance die Glencore had geadviseerd bij de oorspronkelijke verkoop van AWG aan GCM.\n\n4.1.3.. Het door Glencore overgelegde (uittrekstel van het) waarderingsrapport van Vantage kan niet serieus genomen worden. Onduidelijk is hoe Vantage precies tot de door haar bepaalde waarde is gekomen. Niet in geschil is dat de aandelen in AWG op 11 juli 2022 een waarde van USD 176,7 miljoen vertegenwoordigden. AWG is nog altijd een goed lopende onderneming met waardevaste activa. Een taxateur in Mauritius taxeerde de waarde van de aandelen in 2024 op een bedrag van USD [**]. Ook indien daaraan voorbij wordt gegaan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aandelen nu nog maar [**] van de waarde hebben die zij in 2022 hadden toen GCM AWG kocht van Glencore.\n\n4.1.4.. Glencore heeft niet onderbouwd dat de beoogde onderhandse verkoop een meer geschiktere wijze van executie is dan een openbare verkoop en evenmin dat met de beoogde onderhandse verkoop een maximale opbrengst zal worden behaald. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Subsidiair verzoekt GCM om aanhouding van de procedure en volledige inzage in het eerdere verkoopproces en in het waarderingsrapport van Vantage en de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken. Meer subsidiair verzoekt GCM om het verlof niet eerder dan na zes maanden in werking te laten treden en te bepalen dat het verlof zal vervallen indien GCM de aandelen in AWG weet te verkopen voor een koopprijs hoger van USD [**], aldus steeds GCM.\n\n4.2.. Siltech en PHL voeren – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.2.1.. Hoe hoger de opbrengst van de verkoop van de aandelen, hoe groter de kans dat na voldoening van Glencore een surplus resteert waarop Siltech en PHL zich kunnen verhalen. Bij de door Glencore thans voorgestelde verkoopprijs van USD [**] staat vast dat er voor Siltech en PHL niets overblijft waarop zij zich kunnen verhalen. Siltech en PHL hebben er belang bij dat bij de verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Het verzoek van Glencore voldoet niet aan de vereisten om te kunnen worden toegewezen.\n\n4.2.2.. Uit het eerdere verkoopproces blijkt niet dat openbare verkoop van de aandelen niet tot realistische biedingen leidt. Dat Glencore ervoor heeft gekozen om de kring van gegadigden in de praktijk te beperken strookt niet met het uitgangspunt van maximale opbrengstrealisatie dat bij een openbare verkoop dient te gelden. Uit het door MJM opgezette verkoopproces blijkt dat er wel degelijk serieuze marktinteresse bestond en bestaat voor de aandelen. Waarom bieder 3 zich heeft teruggetrokken blijft onduidelijk evenmin is duidelijk waarom bieder 1 heeft geboden zoals zij heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit de door Siltech en PHL ingediende producties dat er wel degelijk andere geïnteresseerde partijen waren, waaronder Capevest Equity Partners (hierna: Capevest) dat ondanks getoonde interesse niet bij het verkoopproces werd betrokken. Glencore heeft het verkoopproces zelf gestuurd. Zij heeft bijvoorbeeld niet verklaard waarom het eerste bod van bieder 1 onvoldoende was om (zonder verhoging van dat bod) door te mogen naar de volgende fase. Kennelijk zocht Glencore niet serieus naar een potentiële koper.4.2.3.. De voorgenomen verkoop aan Tironimus leidt niet tot de hoogste executieopbrengst. De waardering van de aandelen in AWG door Vantage is ondeugdelijk voor het bepalen van de prijs van de aandelen. De waardering door Vantage sluit niet aan bij de realiteit, hetgeen blijkt uit de door Siltech en PHL ingebrachte stukken. Zeven vergelijkbare transacties in de periode 2022-2025 hanteren multiplesdie variëren van [**] x tot [**] x EBIDTA. De meest vergelijkbare transactie is Glencore’s eigen verkoop van AWG in 2022 voor een koopprijs van USD 180 miljoen. Dit komt neer op een multiple van [**] x EBIDTA op het resultaat over boekjaar 2021. De door Glencore voorgestelde prijs van USD [**] komt neer op een multiple van ongeveer [**] x EBIDTA en ligt daarmee ruim onder elk gepubliceerd sectorgemiddelde en ver onder haar eigen verkoopprijs voor dezelfde aandelen in 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat USD [**] de maximaal mogelijke executieopbrengst zou zijn.\n\n4.2.4.. Anders dan Glencore meent is een executie op korte termijn niet noodzakelijk. AWG staat niet op omvallen en een faillissement is niet onvermijdelijk als de voorgestelde onderhandse verkoop niet doorgaat. Het argument van een verdisconteerde executiekorting van 25-35% gaat dus niet op. Bij de voorgestelde onderhandse verkoop blijft er voor Siltech en PHL niets over, maar anders dan Glencore meent staat niet vast dat een openbare verkoop voor Siltech en PHL niets zou kunnen opleveren. Voor zover het verzoek toch wordt toegewezen verzoeken Siltech en PHL dat aan het verlof de voorwaarde wordt verbonden dat het Tironimus wordt verboden om gedurende drie jaren de aandelen in AWG aan een derde te verkopen voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze aan haar zijn verkocht, aldus steeds Siltech en PHL.5. De beoordeling\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.1.. Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk nationaal recht van toepassing is. Alleen AWG is in Nederland gevestigd en het geschil heeft een internationaal karakter.\n\n5.2.. GCM, Glencore en AWG zijn in de pandakte een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Brussel I-bis-Verordening overeengekomen. Artikel 10.2 van de pandakte bepaalt dat deze rechtbank exclusief bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de pandakte. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom internationaal en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Bovendien vindt de executie van de aandelen plaats in het arrondissement Amsterdam.\n\n5.3.. Het pandrecht op de aandelen in AWG en de executie daarvan worden beheerst door Nederlands recht. Het betreft aandelen in een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap die in Nederland is gevestigd. Daarnaast geldt dat Nederlands recht ook als toepasselijk recht is aangewezen in artikel 10.1 van de pandakte.\n\njuridisch kader5.4.. Uitgangspunt is dat een recht van pand wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 3:251 lid 1 BW echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze zal worden verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere dan openbare verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.\n\n5.5.. Verder geldt als uitgangspunt dat de pandhouder bepaalt of, en zo ja wanneer, hij gaat executeren nadat hij de bevoegdheid heeft gekregen zijn recht van parate executie uit te oefenen. Daarbij wordt opgemerkt dat een procedure als de onderhavige er niet voor is bedoeld om de hoogte van een vordering van de pandhouder en de rang van een pandrecht vast te stellen. Deze procedure is dus beperkt tot de wijze van executie.\n\ninhoudelijke beoordeling\n\n5.6.. Het pandrecht van Glencore op de AWG-aandelen en haar recht om een verzoek als het onderhavige in te dienen is tussen partijen niet in geschil. GCM betwist verder niet de omvang van de vordering van Glencore op GCM en ook niet dat zij in verzuim is met de nakoming van haar (betalings)verplichtingen. Uitgangspunt is dus dat de executiebevoegdheid van Glencore ten aanzien van de AWG-aandelen bestaat en dat deze via een verzoek als hier aan de orde kan worden uitgeoefend.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek van Glencore niet kan worden toegewezen en licht dit oordeel hierna toe.\n\n5.8.. Door GCM en Siltech en PHL is niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat er een concrete koper is die de aandelen in AWG wenst over te nemen voor een bedrag dat hoger is dan USD [**]. Die omstandigheid vormt op zichzelf een argument voor toewijzing van het verzoek van Glencore. Daartegenover staan echter de volgende zwaarder wegende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.\n\n5.8.1.. De beoogd koper van de verpande aandelen in AWG, Tironimus, is een dochtervennootschap van Glencore. AWG was eerder onderdeel van Glencore en is in 2022 verkocht aan GCM omdat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, destijds de combinatie van handel in en opslag van metalen gevoelig lag. Desgevraagd heeft Glencore ter zitting bevestigd dat deze gevoeligheid niet langer bestaat. Deze voorgeschiedenis en het feit dat de koper dochteronderneming van de schuldeiser is wiens pandrecht wordt geëxecuteerd maakt de kans op belangenverstrengeling reëel. Zo ligt het voor de hand dat er voor Glencore bij de voorgestelde onderhandse verkoop meer belangen spelen dan enkel opbrengstmaximalisatie.\n\n5.8.2.. Met GCM en Siltech en PHL is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerdere verkoopproces dat Glencore vanaf oktober 2024 door MJM heeft laten uitvoeren niet voldoende is voor de conclusie dat er geen belangstelling in de markt is voor de aandelen in AWG om een hogere waarde dan USD [**] te betalen. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn indien Glencore volledig openheid van zaken zou hebben geboden over dat eerdere verkoopproces, maar dat heeft zij niet gedaan. De hoogte van de door Glencore genoemde vrijblijvende biedingen laten zien dat er wel degelijk serieuze belangstelling was. Tot slot speelt de omstandigheid dat de kring van gegadigden kennelijk door MJM beperkt is gehouden en dat er kennelijk ook een geïnteresseerde partij als Capevest niet bij het verkoopproces is betrokken. Dit alles maakt dat het eerdere verkoopproces niet richtinggevend is voor de vraag of er bij openbare verkoop een hogere opbrengst te verwachten valt.\n\n5.8.3.. Gelet op hetgeen GCM en Siltech en PHL (zie 4.1.3 en 4.2.3) hebben aangevoerd (waaronder taxatie van de waarde van de aandelen in 2024 voor USD [**] en de mate waarin de voorgestelde prijs van USD [**] zich verhoudt tot vergelijkbare transacties) is het heel wel mogelijk dat het waarderingsrapport van Vantage uitgaat van een te lage marktwaarde van de aandelen in AWG.\n\n5.8.4.. Niet aannemelijk is tot slot dat Glencore nadeel ondervindt indien de aandelen worden aangeboden op een openbare veiling, waarbij de aandelen eventueel tegen een minimumprijs van USD [**] kunnen worden aangeboden en waarbij ook Tironimus kan meebieden. De door Glencore tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting waarom een openbare veiling nadelig zou zijn overtuigt niet. Een openbare veiling van aandelen kan, zoals Glencore terecht stelt, tijdrovend en kostbaar zijn, maar dat de executie op een korte termijn moet plaats te vinden is door Glencore niet aannemelijk gemaakt en daarnaast geldt dat de kosten van een openbare veiling in dit geval vermoedelijk beperkt zijn in verhouding tot de waarde van de aandelen. Ten slotte heeft Glencore nog gesteld dat aandelen zich in het algemeen niet gemakkelijk laten veilen en in het algemeen tot een lagere opbrengst zullen leiden dan bij een onderhandse verkoop, maar dat is als algemene stelling onvoldoende. Mogelijk dat juist met een openbare veiling geïnteresseerde bieders zichtbaar worden die daarvoor niet bekend waren. Mocht uiteindelijk geen hogere waarde dan van USD [**] gerealiseerd worden dan heeft een openbare veiling voor transparantie gezorgd en binnen dat kader ook voor opbrengstmaximalisatie.\n\nslotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen. Aan de door GCM en Siltech en PHL gedane tegenverzoeken wordt niet toegekomen.\n\nproceskosten\n\n5.10.. Glencore is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van GCM, Siltech en PHL betalen. AWG dient de eigen kosten te dragen nu zij het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij heeft ondersteund. De proceskosten van GCM enerzijds en Siltech en PHL anderzijds worden ieder afzonderlijk begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert het verzoek,\n\n6.2.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van GCM, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van Siltech en PHL, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.4.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ntype: JT","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","ecli-nl-rbams-2026-6793",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]