ECLI:NL:RBAMS:2026:6794
Résumé de l'Affaire
Strafrecht; Strafprocesrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
zaaknummer: C/13/790018
rekestnummer HA/RK 26/242
Uitspraak: 1 juli 2026
Beslissing op het op 22 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[verzoeker],verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.M. Loots, politierechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).
1. De procedure
1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek opgenomen in het proces-verbaal van 19 juni 2026.
1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.
2. De feiten en het verzoek
2.1.. Verzoeker is verdachte in de strafzaken met parketnummers 13/234304-25 en 13/001490-25. Op 19 juni 2026 heeft de rechter beide zaken op zitting behandeld.
2.2.. Uit het proces-verbaal blijkt onder meer het volgende. Verzoeker heeft op een eerdere zitting verzocht om meerdere personen als getuige te horen. De rechter heeft dat verzoek gedeeltelijk toegewezen en beslist dat een drietal van deze personen zal worden gehoord als getuige en dat de zaak daarvoor wordt verwezen naar de rechter-commissaris. Verzoeker wil echter dat de getuigen op een openbare zitting worden gehoord. De rechter legt uit dat het gebruikelijk is om getuigenverhoren bij de rechter-commissaris te laten plaatsvinden vanwege de efficiëntie van het strafproces en de beschikbare tijd voor een politierechterzitting. Verder heeft de rechter medegedeeld dat het verzoek om de overige door verzoeker verzochte getuigen te horen wordt afgewezen omdat deze verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. Daarop heeft verzoeker het onderhavige wrakingsverzoek gedaan en het volgende aangevoerd:
“U ontneemt mij mijn rechten. U motiveert uw uitspraak niet. U zegt ten onrechte 60
minuten, terwijl in uw eigen reglementen staat dat een zaak ook 210 minuten kan zijn. Het is geen eerlijk proces. Misschien ga ik de raadkamer en de rechters daarna ook wraken. De openbaarheid is mijn belang.”
3. De beoordeling
3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.3.2.. Het verwijt van verzoeker betreft een rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.3. Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
BESLISSING:
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de zaken met parketnummers 13/234304-25 en 13/001490-25 worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.