[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-4129":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-4129":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1773","ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","",61,"Rotterdam","rotterdam","2025-03-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.9964\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft beroepsgronden ingediend op 26 april 2023 en 26 februari 2024.\n\nVerweerder heeft op 17 april 2024 nadere stukken overgelegd en een begeleidende brief aan de rechtbank verstuurd.\n\nMet het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd en aangevuld.\n\nEiser heeft op 13 december 2024 beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit 2.\n\nVerweerder heeft op 6 januari 2025 een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 10 januari 2025 nadere stukken overgelegd. Op 14 januari 2025 heeft hij aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\nMet het besluit van 17 januari 2025 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nVerweerder heeft twee verklaringen van derden overgelegd en krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) meegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Met de beslissing van 21 januari 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat gewichtige redenen deze beperking van de kennisneming rechtvaardigen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL23.9965) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Alkhalidi als tolk en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder is ook [persoon A] verschenen, werkzaam op de zogenoemde 1F-unit van de IND.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\nDe asielaanvraag\n\n1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 19 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de algemene (oorlogs)situatie in Jemen en voor gedwongen rekrutering door één van de gewapende groeperingen aldaar.\n\nHet bestreden besluit 12.1.. \n\nVerweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Volgens verweerder vormt eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er bestaan namelijk ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser persoonlijk verantwoordelijk is voor het plegen van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, en ernstige niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, en onder b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag).\n\nEiser zou in de periode van 29 december 2017 tot 23 september 2021 aangesloten zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade of een daaraan gelieerde militie in Jemen en in die hoedanigheid ernstige misdrijven hebben gepleegd, te weten moord\u002Fdoodslag.\n\nEiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nHet besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Omdat eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, maakt verweerder geen gebruik van zijn bevoegdheid tot uitzetting. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 22.2.. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd, in die zin dat hij voor eiser bij terugkeer naar Jemen niet meer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aanneemt. Verweerder heeft daarnaast een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 32.3.. Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en eiser gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS) voor de duur van tien jaar. Ten aanzien van de signalering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOver artikel 6:19 van de Awb2.4.. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het bestreden besluit 2 wijzigt en vervangt (gedeeltelijk) het bestreden besluit1 en is daarmee een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dat geldt ook voor het bestreden besluit 3 waarmee het bestreden besluit 1 is gewijzigd en het bestreden besluit 2 is ingetrokken.\n\nOver artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb\n\n3. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 21 januari 2025, de ochtend van de zitting, beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor het verzoek door verweerder is gedaan, gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting aan eiser de vraag voorgelegd of hij de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleent om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.\n\n3.1.. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2024 in de zaak NL23.9962 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6862), heeft gelezen, en dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het om een soortgelijk geval gaat als in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak is op 29 november 2023 een beslissing genomen op grond van artikel 8:29 van de Awb, onder meer door één van de rechters die onderdeel uitmaakt van de meervoudige kamer in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak ging het om een verklaring van een derde. Eiser vermoedt dat het om exact dezelfde informatie gaat, die één van de rechters in de onderhavige zaak dan dus al zou hebben ingezien. Eiser vraagt zich af of een weigering van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb wel feitelijke betekenis heeft als één van de rechters van de meervoudige kamer al kennis heeft genomen van de geheime stukken. Hij benadrukt daarbij dat het niet zijn bedoeling is om een wrakingsverzoek in te dienen, omdat hij niet twijfelt aan de integriteit van de betreffende rechter.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst om zich te kunnen beraden. Na hervatting van de zitting heeft de rechtbank aan eiser meegedeeld dat zij van oordeel is dat de behandeling in de bestaande samenstelling doorgang kan vinden. Daarbij is van belang dat de meervoudige kamer van deze rechtbank de zogenoemde 8:29-stukken in de onderhavige zaak niet heeft ingezien, en dat de betreffende rechter dus ook niet kan weten of het inderdaad om dezelfde stukken gaat als in de zaak NL23.9962. Die betreffende rechter kan eventueel verkregen kennis uit de procedure NL23.9962 dus ook niet betrekken bij de beoordeling van de onderhavige zaak, waar hij de 8:29-stukken niet heeft ingezien. Het weigeren van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb heeft om die reden voor eiser wel degelijk feitelijke betekenis. De mogelijke gevolgen van het weigeren van toestemming komen op grond van vaste rechtspraak in beginsel wel voor rekening van de weigerende partij.\n\n3.3.. Eiser heeft de rechtbank vervolgens géén toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op basis van de hiervoor genoemde stukken uitspraak te doen. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de stukken daarom niet ingezien en kan en zal deze dus ook niet betrekken bij deze uitspraak.\n\nZorgvuldigheidsgebreken\n\n4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder op meerdere punten onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\n4.1.. De rechtbank verwerpt het betoog van eiser dat bij het nader gehoor ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk, terwijl niet is gebleken van de vereiste spoed. Verweerder heeft namelijk in het verweerschrift toegelicht dat er wél gebruik is gemaakt van een registertolk. In het verslag van het nader gehoor is per abuis opgenomen dat dit niet zo is. De tolk van het nader gehoor, mevrouw A. Gebregiorgis, is sinds 13 januari 2022 beëdigd als registertolk met niveau C1, Nederlands – Arabisch (Jemenitisch), met Wbtv-nummer 40141.\n\n4.2.. Eiser betoogt verder dat het proces-verbaal van gehoor van de AVIM van 19 oktober 2021 ten onrechte niet vóór het nemen van het bestreden besluit 1 naar hem is verzonden. Verweerder erkent dat dit niet is gebeurd. Hoewel verweerder dit wel had moeten doen, is de rechtbank van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het gaat immers om verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd, zodat hij het proces-verbaal niet nodig heeft om te weten wat daarin staat. Bovendien heeft verweerder al tijdens het aanvullend gehoor 1F van 13 oktober 2022 verschillende verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser voorgehouden en tegengeworpen, zodat eiser zich daartegen kon verweren. Verweerder heeft ook in het voornemen verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser tegengeworpen, zodat eiser zich daar ook nog in de zienswijze tegen kon verweren.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op voornoemde punten niet onzorgvuldig gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBevoegdheidsgebrek\n\n5. Eiser heeft betoogd dat niet inzichtelijk is wie namens verweerder het bestreden besluit 2 heeft genomen en dat dus niet kan worden nagegaan of dat besluit bevoegdelijk is genomen. Omdat verweerder het bestreden besluit 2 heeft ingetrokken, komt de rechtbank er niet aan toe om deze beroepsgrond te behandelen.\n\nReformatio in peius\n\n6. Eiser betoogt dat verweerder het bestreden besluit 2 in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft genomen, omdat eiser daarmee in een nadeliger positie verkeert dan voordat hij beroep indiende. Omdat het bestreden besluit 2 is ingetrokken, zal de rechtbank dit betoog beoordelen alsof het gericht is tegen het bestreden besluit 3.\n\n6.2.. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat men niet slechter mag worden van het gebruikmaken van het recht van bezwaar en beroep. Er is echter geen strijd met dit verbod als het bestuursorgaan ook los van het aanhangig gemaakte bezwaar of beroep bevoegd is het bestreden besluit (ambtshalve) ten nadele van betrokkene te wijzigen en de indiener van het rechtsmiddel hierdoor niet in zijn verweermogelijkheden wordt geschaad. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:133, onder 7.2. Het bestreden besluit 1 is in dit geval niet ten nadele van eiser gewijzigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 namelijk al een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd en dit is vergelijkbaar met de signalering voor de duur van tien jaar die in het bestreden besluit 3 aan eiser is opgelegd. Bovendien heeft verweerder zich zowel bij het inreisverbod als de signalering op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, als bedoeld in het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377. Eiser kon in zijn beroep tegen het bestreden besluit 1 daartegen al beroepsgronden indienen en is ook daarom niet in zijn verweermogelijkheden geschaad.\n\n6.3.. Het bestreden besluit 3 is dus niet in strijd met het verbod op reformatio in peius genomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nArtikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag: het juridisch kader\n\n7. Bij de bepaling of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, moet verweerder onderzoeken of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). De bewijslast ligt bij verweerder. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684, r.o. 2.1.\n\nMisdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag\n\n8. Eiser betoogt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nHet standpunt van verweerder8.1.. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar openbare landeninformatie, websites en (internet)artikelen op het standpunt gesteld dat de Al Islah-partij, de Jemenitische tak van de Moslimbroederschap, zich in de regio Taiz in Jemen van maart 2015 tot aan het vertrek van eiser uit Jemen in augustus\u002Fseptember 2021 schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, waaronder moord\u002Fdoodslag, gedwongen verdwijning van personen, marteling\u002Ffoltering en\u002Fof (zware) mishandeling en plundering jegens burgers. Dat geldt volgens verweerder ook voor de milities die onder de Al Islah-partij vallen of daaruit zijn voortgevloeid, waaronder de Populair Resistance\u002FPopular Mobilization Forces van Hammoud Al-Mikhlafi, de 22nd Micca Brigade van brigade-generaal Sadiq Sarhan, en de milities van Bakr Sarhan en Ghazwan al-Mikhalfi. Eiser zou bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie) aangesloten zijn geweest. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, namelijk moord\u002Fdoodslag, kwalificeren volgens verweerder in dit geval als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder moeten deze misdrijven in dit geval ook als ernstige niet-politieke misdrijven worden gezien als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag8.2.. Niet in geschil is dat in Jemen sinds 2014 sprake is van een intern gewapend conflict tussen de Jemenitische regering (en daaraan gelieerde partijen) en de Houthi-rebellen. Uit het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de Geneefse Conventies (met name het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd) volgt dat onder meer sprake is van een oorlogsmisdrijf als burgers opzettelijk worden gedood. Niet in geschil is dat de onder 8.1 genoemde partijen, waaronder de 22nd Micca Brigade waarmee eiser in verband wordt gebracht, zich schuldig maken aan onder meer het opzettelijk doden van burgers. Alleen al daarom heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag8.3.. Verweerder heeft zich bovendien terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Moord\u002Fdoodslag kwalificeren altijd als ernstig niet-politiek misdrijf. De rechtbank wijst hierbij op de UNHCR Guidelines on International Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees (HCR\u002FGIP\u002F03\u002F05) van 4 september 2003, punt 14. Anders dan eiser stelt, vergt het kwalificeren als zogenoemd 1F-misdrijf geen individuele beoordeling en een toespitsing op specifieke misdrijven. Dat moet verweerder doen in het kader van de vraag of er sprake is van knowing en personal participation.\n\nTussenconclusie8.4.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vallen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Knowing participation’\n\n9. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’.\n\nStandpunt van verweerder9.1.. Verweerder heeft onder meer ‘knowing participation’ aangenomen, omdat eiser aangesloten zou zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie), en die militie zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd zijn in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nMaakt de militie zich op systematische en op grote schaal schuldig aan 1F-misdrijven?9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Daartoe heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de algemene landeninformatie over Jemen naar voren komt dat alle partijen in het gewapende conflict zich schuldig maken aan dergelijke misdrijven. Uit die informatie volgt ook specifieke informatie over de aan de regering gelieerde partijen, zoals de 22nd Micca Brigade en de milities zoals die van Al-Mikhlafi. De stad Taiz, waar eiser woonde, was één van de zwaarst belegerde steden en vormde de langstlopende frontlinie in het conflict in Jemen. De Al Islah-partij, waar de 22nd Micca Brigade uit is voortgevloeid, was dominant aanwezig in Taiz. Deze en andere partijen maakten zich schuldig aan 1F-misdrijven. Kopstukken van de Al Islah-partij in Taiz worden in verband gebracht met verkrachtingen, onder meer van kinderen. De leider van de 22nd Micca Brigade, brigade-generaal Sadiq Sarhan, wordt in verband gebracht met misdrijven als gedwongen verdwijningen. De milities die onder hem vallen houden zich bezig met onder meer moord. Ghazwan al-Mikhlafi, het neefje van brigade-generaal Sadiq Sarhan, staat aan het hoofd van een eigen militie en wordt in verband gebracht met meerdere moorden. Gelet op het voorgaande, en gelet op de overige landeninformatie, heeft verweerder terecht aangenomen dat voornoemde misdrijven door alle partijen in het gewapende conflict in Jemen, en specifiek ook door de 22nd Micca Brigade of daaraan gelieerde milities, op grote schaal worden gepleegd.\n\nHad eiser daar weet van of behoren te hebben?9.3.. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijven. Gelet op de algemeen bekende informatie daarover mocht verweerder aannemen dat dit ook bij eiser bekend is geraakt. Bovendien heeft eiser bijna zijn hele leven in de wijk al-Rawda in Taiz gewoond, die volgens zijn eigen verklaringen de front- dan wel vuurlinie vormde tussen de Houthi’s en de Resistance. Ook heeft eiser verklaard dat hij meerdere kopstukken van de gewapende groepen persoonlijk kent, waaronder Ghazwan al-Mikhlafi, Bakr Sarhan, en de brigade-generaal Sadiq Sarhan van de 22nd Micca Brigade. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij die personen niet persoonlijk kent. Hij heeft echter ook ter zitting verklaard dat hij in Egypte met Sadiq Sarhan heeft geluncht en dat [persoon B] , een neef van Sadiq, in Nederland verblijft en een vriend van eiser is. In het aanvullend gehoor, p. 10, heeft eiser verder verklaard dat hij de kinderen van Sadiq Sarhan in Nederland heeft ontmoet. Ook dit heeft eiser ter zitting ontkend. Volgens hem is deze verklaring door een vertalingsfout in het verslag van het aanvullende gehoor terecht gekomen. Niet valt echter in te zien dat door een vertalingsfout een geheel tegenovergesteld antwoord in het verslag van het gehoor terecht komt, nog los van het feit dat eiser dit niet bij de correcties en aanvullingen heeft opgemerkt. Gelet op het voorgaande had eiser in ieder geval weet behoren te hebben van de grote schaal waarop alle strijdende partijen, waaronder de Al Islah-partij en de milities van de hiervoor genoemde personen, zoals de 22nd Micca Brigade, zich op grote schaal schuldig maken aan het plegen van 1(F)-misdrijven.\n\n9.4.. Verweerder heeft verder terecht aangenomen dat eiser sympathie heeft voor de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie). Verweerder heeft er in het bestreden besluit 1 op gewezen dat uit de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd volgt dat een derde heeft verklaard dat eiser Ghazwan al-Mikhlafi en Bakr Sarhan persoonlijk kent. De rechtbank moet ervan uitgaan dat die derde dat inderdaad heeft verklaard, omdat zij geen toestemming heeft gekregen om die verklaring van de derde in te zien. Verder volgt uit hetgeen hiervoor in 9.3 is overwogen dat eiser persoonlijk contact heeft (gehad) met kopstukken van de Al Islah-partij of aan daaronder vallende of daaruit voortgevloeide milities. Verder is van belang dat verweerder een Facebookaccount van eiser heeft aangetroffen, waarvan eiser het bestaan heeft verzwegen. Bij het gehoor met de AVIM op 19 oktober 2021 heeft eiser op de vraag of hij sociale media gebruikt, geantwoord dat hij Facebook onder de naam [schuilnaam] gebruikt en dat hij verder geen sociale media heeft. Vervolgens heeft verweerder onderzoek verricht, waarop nog een ander Facebook-account van eiser is gevonden. Eiser heeft pas ter zitting verklaard dat hij hier niet over heeft verklaard omdat hij dit account niet meer gebruikte. Tegelijkertijd heeft hij echter ter zitting verklaard dat hij genoodzaakt was om niet te veel te vertellen. Daarmee erkent eiser ook dat hij bewust informatie heeft achtergehouden, zodat de rechtbank hem al daarom niet in zijn verklaring volgt. Op het aangetroffen Facebookaccount zijn posts gevonden waarop eiser de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan prijst. Dit terwijl eiser heeft verklaard dat hij de Al Islah-partij haat en dat hij geen sympathie heeft voor de strijdende partijen in Taiz (nader gehoor, p. 10 en aanvullend gehoor 1F, p. 10). Op het Facebookaccount staan ook foto’s en video’s van eiser met wapens en beelden waarin hij met deze wapens schiet. Dit terwijl eiser meermaals heeft verklaard dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens en vechten houdt (aanmeldgehoor, p. 10 en 12 en nader gehoor, p. 10). Toen eiser met het beeldmateriaal werd geconfronteerd, heeft hij verklaard dat het dragen van wapens in Jemen een traditie is en dat hij er daarom niet over heeft verklaard. Los van de vraag of dit in Jemen inderdaad gebruikelijk is, zijn deze verklaringen tegenstrijdig met de eerdere verklaringen dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens houdt. Eiser heeft ook wisselend verklaard over hoe hij aan de wapens is gekomen. Op het ontdekte Facebookaccount hebben daarnaast verschillende mensen berichten op de tijdlijn van eiser geplaatst, waaruit sympathieën naar voren komen voor de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan. Dat eiser die berichten niet zelf heeft geplaatst, laat onverlet dat dit wel bijdraagt aan het ontstane beeld dat eiser sympathie voor de militieleden heeft. De berichten bevatten immers allemaal steunbetuigingen aan mensen van wie eiser wist of behoorde te weten dat zij op grote schaal 1F-misdrijven plegen en eiser heeft die berichten niet verwijderd, terwijl dit wel voor de hand ligt als eiser het niet eens zou zijn met die berichten.\n\nWat is verder nog van belang?9.5.. Hoewel uit het voorgaande nog niet blijkt dat eiser ook persoonlijk heeft bijgedragen aan het plegen van 1F-misdrijven, heeft verweerder uit het voorgaande wel kunnen afleiden dat eiser sympathie heeft voor de Al Islah-partij en daaronder vallende of daaraan gelieerde milities. Maar ook als eiser die sympathie niet zou hebben, maakt reeds het contact met de genoemde militieleden en het feit dat eiser zijn hele leven aan de frontlinie woonde, het zeer onwaarschijnlijk dat eiser geen weet heeft gehad van de ernstige misdrijven die door hen werden gepleegd. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn, nu hij dus tegenstrijdig en ontwijkend heeft verklaard en daarmee cruciale informatie heeft achtergehouden. Daarbij acht de rechtbank van belang om te benadrukken dat eiser ook op vele andere punten ontwijkend of tegenstrijdig heeft verklaard, dan wel heeft geprobeerd verwarring te zaaien. Zo doet eiser alsof hij de vragen niet begrijpt (aanvullend gehoor 1F, p. 17), en heeft hij in het nader gehoor eerst verklaard dat hij jarenlang thuis heeft gezeten, niks heeft gedaan, en nooit is benaderd om mee te vechten met milities, maar vervolgens ook dat hij meer dan tien keer zou zijn benaderd door jongeren met wapens (nader gehoor, p. 7, 9 en 12). Eiser zou de namen niet kennen van de jongeren met wapens die hem vroegen deel te nemen aan het gevecht, maar hij kent wel alle belangrijke namen van de vechtende partijen. Ook ter zitting heeft eiser weer geheel andere verklaringen afgelegd, namelijk dat hij van kennissen het advies heeft gekregen om te verklaren dat hij nooit een wapen heeft gedragen,\n\nTussenconclusie9.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’, nu eiser wist of behoorde te weten dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich schuldig maakten aan misdrijven die vallen onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Personal participation’\n\n10. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘personal participation’.\n\nStandpunt van verweerder10.1.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zelf 1(F)-misdrijven heeft gepleegd. Volgens verweerder volgt dit uit een cumulatie van bevindingen. Verweerder heeft daarbij gewezen op verschillende arrestatiebevelen, artikelen en berichten op internet en sociale media waarin eiser wordt beschuldigd van het plegen van meerdere moorden. Daarnaast heeft verweerder gewezen op verklaringen van derden. Volgens verweerder hebben die derden verklaard dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari . Verweerder betrekt ook bij zijn standpunt dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven, en dat eiser ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen over zijn aandeel in de misdrijven heeft afgelegd. Na de bestreden besluiten is uit berichten gebleken dat eiser is veroordeeld voor de moord op Al Zawqari .\n\nBeschuldiging van de moord op zakenman Al Zawqari10.2.. Uit het arrestatiebevel van 8 december 2020, gepubliceerd op de website Almarahpost, volgt dat eiser door de politie in Taiz wordt gezocht voor de moord op zakenman Mohammad Al Zawqari . Achter eisers naam staat ‘Brigade 22’ vermeld. Bij dit arrestatiebevel staat een nieuwsartikel waarin staat dat eiser op een zwarte lijst staat. Eisers naam komt ook voor op foto’s\u002Fkopieën van twee andere arrestatiebevelen. Op de websiteYemenwindowwordt een arrestatiebevel van Taiz Axis van 3 november 2020 getoond waar eiser ook wordt aangewezen als dader van de moord op Al Zawqari . Daarnaast is er een arrestatiebevel gevonden van het Openbaar Ministerie van West Taiz, afgegeven op 8 september 2020, waarop eisers naam ook staat vermeld als moordenaar van Al Zawqari . Eiser wordt dus in meerdere bronnen gekoppeld aan de 22nd Micca Brigade en wordt daarin van dezelfde moord beschuldigd. Ook op Twitter wordt eiser hiervan beschuldigd. Anders dan eiser stelt, is het niet onzorgvuldig dat verweerder de arrestatiebevelen niet beëdigd heeft vertaald. Uit de vertalingen via Google Translate blijkt voornoemde informatie immers voldoende duidelijk. Er zijn geen aanknopingspunten dat de vertaling onjuist is. Dat er drie verschillende arrestatiebevelen zijn van verschillende instanties is in Nederland ongebruikelijk, maar verweerder hoefde dat in dit geval gelet op de gefragmenteerde situatie van de autoriteiten en macht in de regio Taiz in Jemen niet vreemd te vinden. De arrestatiebevelen zijn ook opgesteld in een periode dat de minister-president Maeen Abdulmalik erop aandrong om alle criminelen in Taiz op te sporen, wat de geloofwaardigheid van de overgelegde arrestatiebevelen ten goede komt. Dat niet duidelijk is of de arrestatiebevelen van objectieve en verifieerbare bronnen afkomstig zijn, laat onverlet dat eiser in meerdere bronnen van dezelfde moord is beschuldigd en dat dit bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de beschuldiging.\n\nVeroordeling voor de moord op zakenman Al Zawqari10.3.. Na de bestreden besluiten heeft eiser in zijn reactie van 14 januari 2025 zelf op artikelen gewezen waaruit volgt dat eiser inmiddels is veroordeeld voor de moord op de zakenman Al Zawqari en dat eiser daarvoor de doodstraf heeft gekregen. Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat eiser is veroordeeld voor de moord. Eiser stelt echter dat hij daarvoor ten onrechte is veroordeeld en dat verweerder gelet op de gefragmenteerde situatie in Jemen nader onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de veroordeling. De rechtbank volgt deze stelling niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de veroordeling niet op zichzelf staat, maar een bevestiging vormt van de onder 10.2 genoemde arrestatiebevelen en nieuwsberichten. Juist het totaalbeeld van alle stukken, in combinatie met de derdenverklaringen (waarbij de rechtbank van de juistheid van het standpunt daarover moet uitgaan) en het feit dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven en ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen heeft afgelegd, maakt dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari .\n\nOverige beschuldigingen10.4.. Naast alle informatie waaruit volgt dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op de zakenman Al Zawqari heeft verweerder op vele bronnen gewezen waarin eiser wordt beschuldigd van andere moorden en andere misdrijven. Daarbij komt het Facebookaccount van eiser, waarop verschillende foto’s en video’s te vinden zijn waarop eiser wapens draagt en daar ook mee schiet. Eisers verklaring dat hij niet heeft deelgenomen aan de strijd in Jemen is te minder geloofwaardig nu dat beeldmateriaal is opgenomen aan de frontlinie, in een land dat door oorlog verscheurd was en is. Daarnaast is ook hier weer van belang dat eiser informatie heeft achtergehouden, verwarring heeft gezaaid in de gehoren, en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.\n\nWeerlegging door eiser10.5.. Eiser heeft meerdere documenten overgelegd en verklaringen afgelegd om de beschuldigingen van het plegen van 1(F)-misdrijven te weerleggen.\n\n10.5.1.. Zo heeft eiser zelf een uitgebreide verklaring geschreven en die bij de zienswijze gevoegd, waarin hij zijn onschuld bepleit. Verweerder wijst er terecht op dat deze verklaring geen ander licht werpt op de zaak, gelet op wat hiervoor is overwogen. Eiser heeft er bovendien belang bij om het plegen van 1(F)-misdrijven te ontkennen, zodat de rechtbank ook daarom geen waarde aan de verklaring hecht.\n\n10.5.2.. Eiser heeft daarnaast een ‘criminal status sheet’ en een ‘police clearance certificate’ van 20 februari 2023 overgelegd, waaruit volgt dat eiser niet voor misdrijven is veroordeeld of daarvoor strafrechtelijk wordt vervolgd. Op 10 januari 2025 heeft eiser opnieuw een ‘police clearance certificate’ van 3 februari 2024 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 23 april 2024 overgelegd. Daarnaast heeft eiser toen een verklaring van goed gedrag van 14 juni 2023 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 12 december 2023 overgelegd. Wat hier ook van zij, inmiddels is niet meer in geschil dat eiser wél strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf in Jemen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat er algehele wetteloosheid is in Jemen en fragmentatie van de autoriteiten en overheidsstructuren, zodat voornoemde documenten daarom niet opwegen tegen wat hiervoor onder 10.2 t\u002Fm 10.4 is overwogen.\n\n10.5.3.. Eiser betoogt daarnaast dat hij vals wordt beschuldigd van het plegen van 1(F)misdrijven. De rechtbank stelt voorop dat sommige partijen er belang bij kunnen hebben om eiser vals te beschuldigen. Eiser behoort immers tot de stam van Sadiq Sarhan, een machtige stam die onderdeel uitmaakt van het gewapende conflict in Jemen. In dit geval maken echter de cumulatie aan stukken, de derdenverklaringen en de verklaringen van eiser het onwaarschijnlijk dat het om valse beschuldigingen jegens eiser gaat. Eiser kon ook ter zitting niet goed verklaren waarom juist hij vals zou zijn beschuldigd. Op de vraag of eiser dan als willekeurig slachtoffer of als politieke tegenstander werd gezien, moest hij het antwoord schuldig blijven.\n\nTussenconclusie10.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van ‘personal participation’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie over 1(F)\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die hem kunnen vrijwaren van die verantwoordelijkheid. Verweerder heeft artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag dan ook terecht aan eiser tegengeworpen, wat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nBesluit tot signalering\n\n12. Eiser voerde tegen het bestreden besluit aan dat het (inmiddels opgeheven) inreisverbod onrechtmatig is, omdat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, K. en H.F, ECLI:EU:C:2018:296. Voor zover eiser dit betoog handhaaft in het kader van het besluit tot signalering, geldt dat verweerder zich\n\nuitgebreid gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld waarom er volgens hem wél sprake is van een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde als bedoeld in voornoemd arrest. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder een individuele beoordeling verricht waarbij alle in het arrest van het Hof genoemde omstandigheden zijn betrokken. Eiser heeft niet geconcretiseerd wat er aan die individuele beoordeling mankeert. Gelet daarop slaagt het betoog van eiser niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Uit het voorgaande volgt dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt.\n\n14.1.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang (het besluit is op dat punt immers gewijzigd). Verweerder wordt op dit punt wel veroordeeld in de proceskosten van eiser, omdat het terugkeerbesluit en het inreisverbod uit het bestreden besluit 1 niet rechtmatig waren. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen AA, ECLI:EU:C:2023:540, mag er immers geen terugkeerbesluit worden opgelegd bij een risico op refoulement. Eiser heeft er in het aanvullend beroepschrift van 26 februari 2024 ook op gewezen dat het bestreden besluit 1 om die reden onrechtmatig was.\n\n14.2.. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ook niet-ontvankelijk. Met de intrekking van dat besluit en het nemen van het bestreden besluit 3 stelt verweerder zich immers op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen wél een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarmee komt verweerder in zoverre tegemoet aan het beroep van eiser en de door eiser overgelegde stukken waaruit dit artikel 3 EVRM-risico blijkt. Eiser heeft dus geen belang meer bij zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit 2. Omdat sprake is van tegemoetkoming, wordt verweerder ook op dit punt veroordeeld in de proceskosten.\n\n14.3.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 niet is gewijzigd, is ongegrond. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ook ongegrond.\n\n15. De rechtbank ziet in wat hiervoor onder 14 is overwogen wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.360,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit 1 en 0,5 punt voor het indienen van het aanvullend beroepschrift tegen het bestreden besluit 2 (analoog aan punt 12 van Bijlage A1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht), met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank kent geen proceskosten toe voor de zitting, omdat het bestreden besluit 1 daarvóór al was gewijzigd en het bestreden besluit 2 al was ingetrokken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit niet door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 3 ongegrond.\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.360,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","ecli-nl-rbdha-2025-4129",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19}]