[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-16959":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-16959":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1709","ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F698812 \u002F KG ZA 26-113\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser]te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. F.L.P. Vulto te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiënte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nin persoon verschenen.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de op 13 februari 2026 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 16;\n\n- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. Op 24 mei 2016 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) beslag gelegd op twee boten van het merk Baja, type 38 Special (hierna: de boten). Dit beslag vond plaats in verband met een vordering van de Ontvanger op [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap). [eiser] is bestuurder van de vennootschap.\n\n2.2.. Op 19 december 2018 heeft de Ontvanger een brief van [eiser] ontvangen waarin hij in beroep gaat tegen de beslaglegging op de boten. [eiser] stelt in het beroep dat de boten geen eigendom zijn van de vennootschap, maar dat deze tot zijn privévermogen behoren. De Ontvanger heeft naar aanleiding van het beroep nadere stukken opgevraagd bij [eiser] , waarna op 25 februari 2019 een aantal stukken van [eiser] zijn ontvangen.\n\n2.3.. \n\nNa 25 februari 2019 is er door de Ontvanger geruime tijd geen vervolg gegeven aan de afhandeling van het beroep van [eiser] . Pas bij brief van 25 mei 2025 heeft [eiser] een reactie van de Ontvanger gekregen. In deze brief staat het volgende, voor zover nu relevant:\n\n“(…)\n\nOp 19 december 2018 heb ik uw brief ontvangen waarin u in beroep gaat tegen de beslaglegging op twee boten ten laste van [vennootschap] B.V. Dit beroep is gebaseerd op artikel 22 van de Invorderingswet 1990.\n\nIn het beroepschrift voert u aan dat de betreffende boten geen eigendom zijn van de B.V., maar tot uw privévermogen behoren.\n\nDoor omstandigheden is op het beroepschrift tot op heden geen beslissing genomen. De Ontvanger acht het wenselijk om alsnog inhoudelijk op het beroepschrift te beslissen. Hoewel het tijdsverloop tussen indiening van het beroepschrift en deze beschikking onwenselijk lang is, vormt dit geen belemmering om alsnog op zorgvuldige wijze een inhoudelijk besluit te nemen.\n\nOverwegingen en motivering\n\nArtikel 22 van de Invorderingswet 1990 biedt de belanghebbenden de mogelijkheid om op te komen tegen een beslagmaatregel als een zaak ten onrechte als verhaalsobject is aangemerkt. Aan de hand van de door u overlegde documenten en daarbij rekening houdend met het tijdsverloop, dient het beslag als onrechtmatig te worden aangemerkt. De Ontvanger komt hiermee tot het oordeel dat het beroep gegrond is.\n\nOpheffing beslag\n\nOmdat de Ontvanger hiermee uw beroepschrift gegrond heeft verklaard, zal de inbeslagname van de twee boten ongedaan worden gemaakt. Het beslag op de twee boten wordt hiermee per direct opgeheven. Wij maken graag met u een afspraak voor het ophalen van de boten. (…).\n\n(…)”\n\n2.4.. Op 26 juni 2025 heeft de teruggave van de twee boten plaatsgevonden. Na de teruggave van de boten heeft [eiser] deze op enig moment verkocht.\n\n2.5.. \n\nIn een brief van 8 juli 2025 laat de Ontvanger het volgende aan [eiser] weten:\n\n“(…)\n\nIn uw brief van 18 juni 2025 waarin u resumerend verzocht om verdeling van de kosten van het vervoer van de vaartuigen deel ik u mede hiermee in te stemmen. Ik vraag u om de factuur te overleggen en tevens kenbaar te maken naar welk rekeningnummer de helft van de gedeelde kosten kunnen worden overgemaakt.\n\n(…)”\n\n2.6.. Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [eiser] de Ontvanger bericht dat hij de schade als gevolg van het beslag heeft geïnventariseerd en vastgesteld. Hij stelt – onder overlegging van een factuur van Delta Watersport – dat hij € 9.125,= (exclusief BTW) aan kosten heeft gemaakt voor transport, takelen en werkzaamheden door derden, staling en werkplaatstarief. In de e-mail staat dat van de transportkosten van € 2.000,= de helft voor rekening van [eiser] komt en dat daarmee ‘de eenvoudig te berekenen schade waarvan zonder beslag geen sprake zou zijn geweest’inclusief BTW € 9.831,25 bedraagt. [eiser] stelt verder in de e-mail dat hij ook schade heeft geleden als gevolg van waardeverlies door de boten negen jaar onrechtmatig in beslag te houden. Volgens [eiser] bedraagt het totale waardeverlies € 106.760,=. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst [eiser] naar“de officiële waarderingsbron van [naam] ”.Hij stelt voor in goed overleg tot een minnelijke regeling te komen.\n\n2.7.. \n\nBij brief van 4 november 2025 stelt de Ontvanger dat hij een deel van de kosten zoals vermeld op de factuur van Delta Watersport wil betalen, maar niet de kosten die verband houden met het verkoopklaar maken van de boten (vermeld onder “werkplaatstarief”). In de brief staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nVoor de financiële afwikkeling van de directe kosten ontvangen wij graag het betalingsbewijs behorend bij de factuur van Delta Transport. Na ontvangst en beoordeling stellen wij de toewijsbare directe kosten vast en keren wij uit. Ons eerdere aanbod inzake de transportkosten nemen wij in de eindafrekening mee.\n\nVoor de door u gestelde waardevermindering tussen een veronderstelde marktwaarde in 2016 en de verkoopopbrengst in 2025 zien wij op dit moment geen grond voor vergoeding. Over een periode van negen jaar spelen reguliere veroudering en marktontwikkeling een zelfstandige rol. Zonder een objectieve waardebepaling per peildatum 2016 van de twee vaartuigen en een onderbouwing van het causaal verband kan deze gevolgschade niet aan het beslag worden toegerekend. Mocht u dit onderdeel toch willen voortzetten, dan kan uitsluitend worden gedacht aan een onafhankelijke registertaxateur (pleziervaartuigen) voor zo’n waardebepaling. Zonder die basis handhaven wij ons standpunt.\n\n(…)”\n\nIn de brief staat verder dat de Ontvanger de wens deelt om het dossier tot een nette minnelijke oplossing te brengen. Hij nodigt [eiser] uit voor een eerste gesprek hierover. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.\n\n2.8.. De Ontvanger heeft over het geschil met [eiser] contact gezocht met (de juristen van) het Ministerie van Financiën, waarna een medewerker van het Ministerie (hierna ook: de jurist van het Ministerie) de correspondentie met [eiser] over de afwikkeling van de schade door het beslag heeft voortgezet.\n\n2.9.. De jurist van het Ministerie heeft opdracht gegeven aan een taxateur (hierna: ‘de expert’) om de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop te begroten. De jurist van het Ministerie heeft via de advocaat van [eiser] een aantal foto’s ontvangen waarmee [eiser] zijn claim wilde onderbouwen. Deze foto’s zijn doorgeleid naar de expert. De expert heeft de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop begroot op € 31.250,= inclusief omzetbelasting. De jurist van het Ministerie heeft het rapport van de expert op 31 december 2025 aan de advocaat van [eiser] gezonden.\n\n2.10.. \n\nPer e-mail van 9 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] een conceptdagvaarding voor een kort geding aan de jurist van het Ministerie toegezonden. In de e-mail schrijft de advocaat dat het geduld van [eiser] op is, dat hij geen uitstel meer accepteert en wil dat er “juridisch wordt doorgepakt om een voorschot op de schadevergoeding af te dwingen”.In de e-mail staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nDaarbij wijs ik u op een specifiek punt: cliënt heeft mij de uitdrukkelijke opdracht gegeven om niet alleen de Staat, maar ook de betrokken ambtenaren (mevrouw (…) en de heer (…)) in privé in rechte te betrekken wegens onrechtmatig handelen en het bewust traineren van de afwikkeling. Hoewel ik mij als advocaat nog beraad op de proceseconomische wenselijkheid van deze specifieke stap in dit stadium, wilde ik u dit concept en de intentie van cliënt niet onthouden. Het tekent de frustratie en de ernst van de zaak.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft de jurist van het Ministerie aan de advocaat van [eiser] het volgende laten weten:\n\n“De Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\n(…)”\n\n2.12.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft [eiser] zelf gereageerd op voormelde e-mail aan zijn advocaat. In zijn e-mail – gericht aan zijn advocaat, de jurist van het Ministerie en de Ontvanger – staat, voor zover nu van belang, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet het genoemde bedrag van € 35.741,25 als voorwaarde om van het kort geding af te zien, kan ik akkoord gaan. (…)\n\nSecundaire voorwaarde is wel dat dit bedrag uiterlijk einde van week 3 (16 januari 2026) zal zijn bijgeschreven op rekeningnummer (…).\n\n(…)\n\nEveneens akkoord is dat het genoemde bedrag van € 35.741,25 tevens strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat (uiteindelijk) ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\nDe verdere voorwaarden die de heer (…) aan de bodemprocedure koppelt, zijn niet acceptabel.\n\nVooral de eis dat een eventuele bodemprocedure uitsluitend zou mogen zien op vorderingen jegens de Staat – waarbij ik ervan uitga dat hiermee wordt beoogd de betrokken ambtenaren in privé te vrijwaren – ervaar ik als een principieel probleem.\n\n(…)\n\nWel ben ik bereid om, uit proceseconomische overwegingen, in een eventuele bodemprocedure (vooralsnog) uitsluitend de Staat aan te spreken, maar uitsluitend indien dit niet inhoudt dat ik afstand doe van mijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\n(…)”\n\n2.13.. \n\nPer e-mail van 13 januari 2026, in reactie op de onder 2.12 genoemde e-mail, heeft de jurist van het Ministerie als volgt bericht aan de advocaat van [eiser] :\n\n“(…)\n\nDe Staat is bereid het eerder geformuleerde schikkingsvoorstel in de door uw cliënt aangepaste vorm gestand te doen. Het voorstel komt daarmee te luiden als volgt:\n\nDe Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich thans zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn. Het voorgaande houdt niet in dat uw cliënt afstand doet van zijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\nGraag ontvang ik, indien akkoord, hiervan een schriftelijke bevestiging van u.\n\nNa ontvangst daarvan zal ik zorg dragen voor uitbetaling van het overeengekomen bedrag. Ik merk daarbij op voorhand op dat het, gelet op mijn ervaringen, niet mogelijk is toe te zeggen dat dit bedrag vrijdag al zal worden uitgekeerd. Verder wijs ik er op dat standaard voorafgaand aan uitbetaling wordt bezien of er sprake is van betalingsachterstanden.\n\nVoor een kort geding zal echter nog een datum gevonden moeten worden en daarna zal twee weken moeten worden gewacht op een uitspraak, en geldt eenzelfde procedure rond uitbetaling. Het lijkt mij daarom niet zinvol die procedure om deze reden voort te zetten.\n\n(…)”\n\n2.14.. \n\nPer e-mail van 14 januari 2026, gericht aan zijn advocaat en in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, laat [eiser] het volgende weten in reactie op voormelde e-mail van 13 januari 2026 van het Ministerie:\n\n“(…)\n\nIk kan mij vinden in het door de Staat aangeboden bedrag van € 35.741,25 als voorschot op de uiteindelijk door de Staat verschuldigde schadevergoeding, onder de reeds door mij geformuleerde voorwaarden ten aanzien van de bodemprocedure en – met name – het behoud van de mogelijkheid om individuele ambtenaren afzonderlijk aan te spreken.\n\nMet de door de heer (…) genoemde extra termijn van veertien dagen voor uitbetaling kan ik mij daarentegen niet verenigen.\n\n(…)\n\nVanuit dat perspectief verzoek ik u de opgedwongen interval niet te zien als reden tot wachten, maar juist als gelegenheid om de kortgedingdagvaarding omgaand te (doen) uitbrengen de datum te laten bepalen.\n\n(…)”\n\n2.15.. \n\nNadat de jurist van het Ministerie in reactie op voormelde e-mail van 14 januari 2026 aan de advocaat van [eiser] heeft laten weten dat geen uitbetalingstermijn van veertien dagen wordt genoemd en vraagt om alsnog een akkoord op zijn laatste voorstel, stuurt [eiser] eveneens op 14 januari 2026 een e-mail aan zijn advocaat, in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, met de volgende inhoud:\n\n“(…)\n\nNaar aanleiding van de recente correspondentie met de heer (…) constateer ik dat strikt taalkundig en inhoudelijk kan worden verdedigd dat hij zichzelf niet daadwerkelijk tegenspreekt over de “twee weken”. De frictie zit verleer in het afwijzen van mijn harde eis van betaling uiterlijk 16 januari tegenover zijn beschrijving van vermeend “realistische” betaal- en vonnistermijnen.\n\nDat laat echter onverlet dat ik niet bereid ben twee weken af te wachten op ambtelijke contemplatie. Mijn instructie blijft dan ook ongewijzigd: laat de dagvaarding in kort geding gewoon uitbrengen.\n\n(…)”\n\n2.16.. Ook na 14 januari 2026 is er nog correspondentie geweest tussen partijen, maar dat heeft er niet toe geleid dat de Staat tot betaling van enig geldbedrag aan [eiser] is overgegaan. Op 3 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] de aanvraag voor dit kort geding ingediend.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – zakelijk weergegeven:\n\nprimair:\n\n- de Staat te veroordelen aan [eiser] te betalen het bedrag van € 35.741,25, ter nakoming van de tussen partijen op 13 januari 20226 tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2026;\n\nsubsidiair:\n\n- de Staat te veroordelen om aan [eiser] een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,= te betalen, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding;\n\nprimair en subsidiair:\n\n- de Staat te bevelen om aan [eiser] schriftelijk de volledige naam, vestigingsplaats en (register)kwalificaties te verschaffen van de door de Staat opgevoerde deskundige, in de stukken aangeduid als ‘Expert NN’;\n\nalle vorderingen op straffe van een dwangsom en alles met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De Staat is gehouden deze overeenkomst na te komen en het daarin vastgestelde bedrag van € 35.741,25 onverwijld aan [eiser] te voldoen. Voor zover geoordeeld wordt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, vordert [eiser] subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De Staat heeft in de beschikking van 28 mei 2025 expliciet erkend dat het beslag onrechtmatig was. De onrechtmatige daad bestaat uit twee componenten, namelijk een inbreuk op het eigendomsrecht gedurende negen jaar en de schending van de zorgplicht. De Staat heeft gedurende de beslagperiode grovelijke nagelaten de zorg van een ‘goed bewaarder’ te betrachten. De boten zijn zonder adequaat onderhoud weggezet, waardoor ze ten prooi zijn gevallen aan verval, ongedierte en technische veroudering. De waardevernietiging die in negen jaar is opgetreden, komt voor risico van de onrechtmatig beslaglegger. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn primaire vordering vloeit volgens hem voort uit de aard van die vordering. Bovendien weegt de persoonlijke situatie van [eiser] zwaar. Hij is inmiddels 85 jaar en deze kwestie beheerst zijn leven bijna tien jaar. Van een man op deze leeftijd kan in redelijkheid niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten om te ontvangen wat de Staat al heeft toegezegd. Bovendien heeft [eiser] noodgedwongen uit privévermogen een bedrag van ongeveer € 19.000,= voorgeschoten aan derden om de boten veilig te stellen. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat een burger als bankier voor de overheid moet fungeren nadat diezelfde overheid zijn eigendom negen jaar lang onrechtmatig heeft gegijzeld en laten verpauperen. Ook de proceshouding van de Staat maakt onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. De Staat heeft de afwikkeling stelselmatig getraineerd, door eerst negen jaar lang niet te beslissen, door te schermen met anonieme experts en daarna terug te komen op een al gesloten akkoord. Alleen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan dit patroon van ambtelijk traineren doorbreken, aldus [eiser] .\n\n3.3.. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nPrimaire vordering: nakoming vaststellingsovereenkomst\n\n4.1.. \n [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat op 13 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en de Staat die moet worden nagekomen. [eiser] stelt daartoe dat de Staat op 12 januari 2026 een aanbod heeft gedaanen dat hij dat aanbod per e-mail van dezelfde dag heeft aanvaard, waarna de Staat de wilsovereenstemming per e-mail van 13 januari 2026 heeft bevestigd.\n\n4.2.. Uit de tussen partijen gewisselde correspondentie kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat – zoals [eiser] stelt – op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van de Staat van 12 januari 2026 is gedaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [eiser] zou afzien van een kort geding. Die voorwaarde is één van de essentialia van de te bereiken overeenstemming, zoals [eiser] ook erkent. In reactie op dit aanbod schrijft [eiser] weliswaar dat hij instemt met het door de Staat aangeboden bedrag als voorwaarde om af te zien van een kort geding, maar hij heeft niet ingestemd met de voorwaarde dat een eventuele bodemprocedure alleen gericht mocht worden tegen de Staat en hij heeft een extra eis gesteld ten aanzien van een (uiterst korte) betaaltermijn (namelijk betaling uiterlijk op 16 januari 2026). Uit de reactie van [eiser] blijkt niet dat hij ook bereid is af te zien van een kort geding als de Staat niet instemt met de aanvullende voorwaarden die hij stelt. Uit deze reactie van [eiser] kan dan ook niet worden afgeleid dat er sprake is van overeenstemming over alle essentialia van de overeenkomst.\n\n4.3.. Voor zover de reactie van [eiser] van 12 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw aanbod, dan geldt dat dit aanbod door de Staat niet is aanvaard. Dit blijkt uit de reactie van de Staat van 13 januari 2026. Daarin stelt de Staat dat hij bereid is het schikkingsvoorstel in de door [eiser] aangepaste vorm ten aanzien van zijn rechten jegens individuele ambtenaren gestand te doen, Er wordt in die e-mail uitdrukkelijk gevraagd om aanvaarding van dat aanbod, én er wordt uitdrukkelijk nietingestemd met de voorwaarde van betaling op 16 januari 2026. De reacties van [eiser] van 14 januari 2026 daarop houden in dat hij niet instemt met de afwijzing van zijn“harde eis van betaling uiterlijk 16 januari”, inclusief een (herhaalde) instructie aan zijn advocaat om de dagvaarding in kort geding uit te brengen. Ook hieruit kan dus niet worden afgeleid dat op 12 of 13 januari 2026 overeenstemming is bereikt. Conclusie is dan ook dat de primaire vordering worden afgewezen.\n\n4.4.. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat er ook na 14 januari 2026 nog correspondentie is geweest tussen partijen, maar die heeft er niet toe geleid dat op een later moment alsnog overeenstemming over een vaststellingsovereenkomst is bereikt. Dat stelt [eiser] ook niet.\n\n4.5.. Overigens heeft de Staat terecht gesteld dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden, onder andere door de tweede e-mail die [eiser] op 14 januari 2026 heeft gestuurd – waaruit blijkt dat [eiser] niet afziet van een kort geding – niet over te leggen. De Staat verzoekt de voorzieningenrechter daaraan de gevolgtrekking te verbinden die zij geraden acht. De voorzieningenrechter zal aan de schending van de waarheidsplicht geen ander gevolg verbinden dan de constatering ervan. Voor een andere gevolgtrekking ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat zij – door overlegging van de e-mail door de Staat – alsnog kennis van die e-mail heeft kunnen nemen en de primaire vordering van [eiser] mede op grond van die e-mail wordt afgewezen.\n\nSubsidiaire vordering: voorschot op schadevergoeding\n\n4.6.. De Staat heeft (alleen) ten aanzien van de subsidiaire vordering (terecht) gesteld dat hij ten onrechte is gedagvaard. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet treedt immers de Ontvanger in alle rechtsgedingen die uit zijn taakuitoefening voortvloeien als zodanig in rechte op. Daarom had ten aanzien van de subsidiaire vordering niet de Staat, maar de Ontvanger moeten worden gedagvaard. De Staat heeft [eiser] hier in aanloop naar dit kort geding, voorafgaand aan betekening van de dagvaarding, ook op gewezen.\n\n4.7.. Het is te verwachten dat een nieuw kort geding tegen de Ontvanger zal volgen als [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dat heeft de Staat ook erkend. De voorzieningenrechter acht dat uit oogpunt van proceseconomie en doelmatige van inzet van gemeenschapsmiddelen onwenselijk en ziet daarin aanleiding (ten overvloede) een inhoudelijk oordeel te geven over de subsidiaire vordering. Hierbij speelt ook een rol dat de Ontvanger weliswaar niet gedagvaard is, maar ter zitting wel aanwezig was en ook het woord heeft gevoerd, terwijl de Staat als gevolg van de schikkingsonderhandelingen die zijn gevoerd ook ten volle is geïnformeerd over de voorgeschiedenis in deze zaak.\n\n4.8.. Ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is volgens vaste jurisprudentie terughoudendheid geboden. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als het bestaan van de vordering in zo’n mate aannemelijk is dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrecht de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.\n\n4.9.. De voor toewijzing van de vordering in kort geding vereiste onverwijlde spoed ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Zoals de Staat terecht stelt, is niet gebleken van enige financiële nood aan de zijde van [eiser] . Dat [eiser] een bedrag aan derden heeft betaald, levert geen spoedeisend belang op, nu niet is gebleken dat [eiser] daarvoor de middelen niet had. Ook uit de uitlatingen van [eiser] ter zitting blijkt dat van enig spoedeisend belang geen sprake is. Hij heeft immers verklaard dat het hem niet om de centen gaat, dat hij zonder kan en dat hij er geen boterham minder om eet. Het spoedeisend belang is evenmin gelegen in de omstandigheid dat het beslag al in 2016 is gelegd en dat deze kwestie al lang speelt. Weliswaar heeft de Ontvanger ten onrechte lange tijd niet beslist op het beroep van [eiser] tegen de beslaglegging, maar daar staat tegenover dat [eiser] de kwestie ook heeft laten rusten tot er in 2025 is beslist. Dat zijn leven, zoals in de dagvaarding wordt gesteld, wordt beheerst door het beslag blijkt nergens uit. Tot slot speelt de leeftijd van [eiser] geen rol van doorslaggevende betekenis in een geschil van uitsluitend financiële aard.\n\nPrimair en subsidiair: gegevens deskundige\n\n4.10.. In de pogingen om te komen tot overeenstemming over de afwikkeling van het beslag heeft de Staat zelf een expert ingeschakeld om een schadeberekening te maken. Deze expert wil niet dat zijn \u002F haar naam bij [eiser] bekend wordt. [eiser] vordert nu dat deze gegevens wel aan hem worden verstrekt. Deze vordering is door [eiser] niet afzonderlijk onderbouwd of van een grondslag voorzien. Alleen al hierom komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Daar komt nog het volgende bij. De Staat heeft ervoor gekozen zelf een expert in te schakelen in de hoop dat er overeenstemming met [eiser] kon worden bereikt over de afwikkeling van door hem geleden schade. Dat doet geen afbreuk aan dat het uitgangspunt is dat het aan [eiser] is om de schade die hij stelt te hebben geleden te onderbouwen en het staat hem vrij om daartoe zelf een deskundige in te schakelen. Dat de Staat in het traject om te komen tot overeenstemming van zijn kant heeft besloten een expert in te schakelen leidt er niet toe dat hij – binnen het bestek van een kort geding – verplicht kan worden om de persoonsgegevens van de deskundige aan [eiser] te verstrekken.\n\nAfronding en proceskosten\n\n4.11.. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt wel nog het volgende op. Ter zitting is aan de orde gekomen dat de Ontvanger al in juli 2025 heeft toegezegd dat helft van de kosten van het vervoer van de boten te zullen betalen. De factuur daarvan heeft [eiser] op 13 oktober 2025 al aan de Ontvanger toegestuurd (onderdeel van de factuur van Delta Watersport). Desondanks was ten tijde van de mondelinge behandeling het bedrag van de helft van de kosten van vervoer van de boten nog niet aan [eiser] uitbetaald. De Ontvanger – ter zitting aanwezig in persoon van de heer [medewerker belastingdienst] – heeft toegezegd alsnog opdracht te geven tot betaling van de helft van de transportkosten, waarbij echter wel voorafgaand aan uitbetaling gecontroleerd zal worden of er op grond van artikel 24 Invorderingswet 1990 aanleiding is om het uit te betalen bedrag te verrekenen met enig bedrag dat [eiser] nog schuldig is. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat aan deze toezegging inmiddels uitvoering is gegeven.\n\n4.12.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat de Staat in persoon is verschenen, heeft hij geen advocaatkosten gemaakt. De proceskosten van de Staat worden daarom begroot op € 3.083,= aan griffierecht. Deze kosten worden verhoogd met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig de proceskosten aan de Staat betaalt, een en ander zoals opgenomen in het dictum.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 3.083,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij de kosten van die betekening betalen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nidt\n\nIn de e-mail van 13 oktober 2025 (zie onder 2.6) stelt [eiser] dat beide boten zijn verkocht voor in totaal € 65.000,=.\n\n Dit betreft de onder 2.11 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.12 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.13 geciteerde e-mail.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","ecli-nl-rbdha-2026-16959",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]