Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17211

Tribunal

Den Haag

Date

11 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39441
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser

[eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres 1

[eiseres 2], V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 2

[eiseres 3], V-nummer: [V-nummer 4], eiseres 3

[eiseres 4], V-nummer: [V-nummer 5], eiseres 4

hierna tezamen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Eisers hebben op 18 oktober 2022 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, eiseres 2, de gemachtigde van eisers, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. De ouders van het gezin (eiser en eiseres 1), komen oorspronkelijk uit [plaats]. Zij hebben lange tijd in de Verenigde Arabische Emiraten gewoond en hun drie meerderjarige dochters (eiseressen 2, 3 en 4) zijn daar geboren. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag dat zij in Syrië gevaar lopen vanwege de onveilige situatie daar.

3. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers; en

de vrees van eisers voor de algemene onveilige situatie in Syrië.

4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Eisers’ vrees voor de algemene situatie heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Eisers hebben namelijk ongeacht die geloofwaardigheid, volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolgingen zij lopen geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eisers geen individuele omstandigheden die maken dat zij daar slachtoffer van zullen worden.

Wat vinden eisers in beroep?

5. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Dat het lang heeft geduurd voordat er op de aanvragen is beslist, mag allereerst niet in het nadeel van eisers uitvallen. Eisers kunnen daarnaast een doelwit van vervolging zijn omdat zij christelijk zijn. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de actuele veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft ook de bijzondere omstandigheden van eisers die hen extra kwetsbaar maken, niet voldoende meegewogen. Eisers wijzen op hun langdurige afwezigheid uit Syrië, hun christelijke identiteit, de kwetsbaarheid van de dochters als jonge vrouwen en de medische situatie van eiseres 4, die autisme heeft. Verweerder mocht aan eisers ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement. Verweerder heeft daarbij het belang van het kind en het recht op familie-, privé- en gezinsleven onvoldoende meegewogen in het besluit. Tot slot moet verweerder eisers aanvullend horen na de val van het regime van Assad.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en zal het bestreden besluit vernietigen. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

7. De grond dat verweerder eisers aanvullend had moeten horen, slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet op basis van de gehoren uit 2023 concluderen wat in de huidige situatie de risico’s zijn voor eisers. De nader gehoren van eisers hebben plaatsgevonden in november 2023. Tijdens de gehoren is het nagenoeg alleen gegaan over de vrees van eisers vanwege de oorlogssituatie. Op dat moment was de situatie in Syrië echter heel anders dan nu. Daar komt bij dat de ouders van het gezin al ruim dertig jaar weg zijn uit Syrië en dat de dochters er nooit hebben gewoond. In de zienswijze hebben eisers ook verschillende individuele omstandigheden en mogelijke redenen voor vrees benoemd. Zo hebben eisers gewezen op de medische situatie van eiseres 4, die is gediagnosticeerd met autisme. Ook hebben zij genoemd dat de dochters Syrië niet kennen omdat zij er nooit hebben gewoond, en daarnaast als jonge vrouwen extra kwetsbaar zijn. Eisers hebben ook aangegeven dat zij ontvoeringen vrezen door gewapende groeperingen, omdat zij als terugkeerders als rijk gezien worden. Daarin speelt volgens eisers mee dat christenen oververtegenwoordigd zijn als doelwit van dit type ontvoeringen. Over al de hiervoor genoemde omstandigheden bestaat op dit moment onduidelijkheid, die er naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg staat een terugkeerbesluit op te leggen. Het is nu namelijk niet duidelijk in welke situatie eisers terechtkomen bij terugkeer naar Syrië en of zij nu bepaalde actoren te vrezen hebben. Verweerder moet eisers aanvullend horen over de combinatie van de veranderingen in Syrië en de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden. Verweerder zal vervolgens aan de hand van die aanvullende gehoren moeten beoordelen hoe de genoemde omstandigheden zich verhouden tot de actuele situatie in Syrië en het risico dat eisers lopen om slachtoffer te worden van willekeurig of gericht geweld. De rechtbank vindt het aanvullend horen ook van belang in het kader van het arrest Sufi en Elmi, waaruit volgt dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

7.1.. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat een aanvullend gehoor niet nodig is omdat eisers al lang weg zijn uit Syrië en al in de zienswijze hun omstandigheden naar voren hebben kunnen brengen. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting terecht betoogd dat de zienswijze een volledig gehoor niet kan vervangen. De rechtbank zal ook niet, zoals verweerder heeft verzocht, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. De rechtbank kan met de op dit moment beschikbare informatie namelijk niet beoordelen of de aanvraag van eisers mocht worden afgewezen en of aan hen een terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. Het is aan verweerder om, zoals hierboven besproken, een nieuw besluit te nemen op basis van de aanvullende gehoren.

8. Gelet op het voorgaande komt verweerder niet toe aan de andere gronden van eisers.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9.1.. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283. Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.

Plus de Décisions