Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17229

Tribunal

Den Haag

Date

24 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13024
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Aly).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 27 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yessin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 2007. Hij komt uit [plaats] . Hij heeft Syrië in 2024 verlaten en vervolgens in Turkije verbleven totdat hij naar Nederland kwam. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Allereerst heeft hij het land verlaten vanwege de oorlog en de onveiligheid. Daarnaast vreest eiser voor zijn vader. Zijn ouders zijn acht jaar geleden gescheiden en eisers vader heeft sindsdien het gezin bedreigd en mishandeld. Eiser vreest dat zijn vader hem zal opeisen en zal dwingen te werken en zijn salaris af te staan. Eiser vreest tot slot gedwongen gerekruteerd te worden door gewapende groeperingen.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

eisers problemen met zijn vader; en

eisers vrees voor gedwongen rekrutering door gewapende groeperingen; en

de algemene onveilige situatie in Syrië.

4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, uitgaand van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum. Eisers problemen met zijn vader vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om die gebeurtenissen met documenten te onderbouwen. Daarnaast vormen eisers verklaringen over de problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel, nu eiser er pas in het nader gehoor over heeft verklaard, zijn verklaringen vaag en summier zijn gebleven, en niet duidelijk is waarop eiser baseert dat zijn vader hem nu zoekt. Verweerder heeft eisers vrees voor gedwongen rekrutering en vanwege de algemene veiligheidssituatie niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat beide een vrees betreffen. Er zijn volgens verweerder geen aanknopingspunten dat eiser gedwongen gerekruteerd zal worden. Op basis van de algemene onveilige situatie in Syrië heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is verweerder ten onrechte uitgegaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum, in plaats van [geboortedatum 2] 2008. Eiser heeft met een uittreksel van het bevolkingsregister en een uittreksel uit de burgerlijke stand onderbouwd dat hij in 2008 is geboren. Verweerder heeft daarnaast eisers problemen met zijn vader ten onrechte ongeloofwaardig geacht en daarbij eisers referentiekader miskend. Eiser is namelijk laaggeschoold, op jonge leeftijd uit Syrië vertrokken en heeft veel meegemaakt. Verweerder heeft daarnaast het landenbeleid over Syrië ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de situatie van willekeurig geweld. Er is sprake van een instabiele situatie en zeer slechte humanitaire omstandigheden. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer, gelet op de humanitaire omstandigheden, terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.

De geboortedatum van eiser

7. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vluchtelingenniet op eiser van toepassing is, omdat hij hoe dan ook niet jonger dan vijftien was ten tijde van zijn eerste asielaanvraag. Dat is dus niet langer in geschil. Wel heeft eiser aangegeven dat het voor hem belangrijk is dat zijn leeftijd juist wordt geregistreerd. De rechtbank zal daarom beoordelen of verweerder mocht uitgaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum van eiser. Dit is namelijk de geboortedatum die eiser bij zijn asielaanvraag heeft opgegeven. Verweerder hoeft de geregistreerde datum vervolgens alleen aan te passen, als een betrokkene documenten overlegt die onderbouwen dat de opgegeven geboortedatum niet klopt. Dit heeft eiser niet gedaan. Het uittreksel uit het bevolkingsregister geldt niet als identificerend document en kan daarom niet eisers geboortedatum onderbouwen.

Eisers problemen met zijn vader

9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers problemen met zijn vader als ongeloofwaardig aanmerken. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over wanneer de problemen zijn ontstaan en over het contact met zijn vader. Eiser heeft ook tijdens het aanmeldgehoor de problemen met zijn vader niet genoemd, maar deze pas in het nader gehoor naar voren laten komen. Omdat het gaat om een belangrijk onderdeel van eisers relaas, mocht verweerder van eiser wel verwachten dat hij het direct naar voren zou brengen. Eisers verklaringen zijn ook vaag en summier als het gaat om de mishandelingen en dreigementen en niet is onderbouwd dat eisers vader hem nu nog zoekt. Deze tegenwerpingen mocht verweerder ook maken gelet op eisers referentiekader. Het gaat namelijk om concrete gebeurtenissen die eiser zelf heeft meegemaakt, zodat meer consistentie van hem mag worden verwacht dan hij nu heeft gegeven. Eiser heeft ook op zitting wisselend verklaard over wanneer de bedreigingen zijn begonnen. Ook de geluidsopnames die eiser op zitting heeft laten horen, maken de problemen met zijn vader niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk niet kunnen onderbouwen dat de berichten van eisers vader komen.

Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld

10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.

10.1..

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.

Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 8 (september 2025) en 20 (juni 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Er waren 33 incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook 275.380 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .

10.2.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende de verschillende beschikbare bronnen betrokken in de besluitvorming en in het verweerschrift. Naast het meest recente ambtsbericht heeft verweerder namelijk de EUAA Country Guidance over Syriëen informatie van het IOM gemotiveerd betrokken bij zijn beoordeling. Eiser heeft hier geen landeninformatie tegenover gesteld die tot een andere conclusie leidt. Eiser heeft erop gewezen dat de situatie in Syrië instabiel is, maar niet gewezen op veranderingen in de situatie sinds het einde van de verslagperiode van het Algemeen Ambtsbericht die de beoordeling anders maken.

10.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder op dit punt geen verschillende of inherent tegenstrijdige standpunten ingenomen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.

10.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .

10.5.. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Het arrest Sufi en Elmi

11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.

11.1..

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

  • In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.

11.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.

11.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’

11.4.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde jongvolwassen man is en dat hij nog familie heeft wonen in zijn herkomstgebied. Dat zij in een ontheemdenkamp wonen, is onvoldoende om tot een schending van het arrest Sufi en Elmi te concluderen. Eiser kan werken en zelfstandigheid voor zichzelf creëren. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken. Voor zover eiser in dit kader op zijn problemen met zijn vader heeft gewezen, geldt dat die zien op gericht geweld en daarnaast niet geloofwaardig zijn en dus niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer.

11.5.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 11.3 t/m 11.5 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.

12.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2026;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Zie paragraaf A3/6.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.

EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025.

EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.

Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Plus de Décisions