Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17313

Tribunal

Den Haag

Date

26 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-1669 en FA RK 25-1678

Zaaknummer: C/09/681358 en C/09/681370

Datum beschikking: 26 mei 2026

Verklaring van overlijden en echtscheiding

Beschikkingop het op 30 november 2024 bij de rechtbank Midden-Nederland en op 22 januari 2025 bij de rechtbank Den Haag ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

verzoekster / de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. D. Eijpe in Utrecht .

betreffende de vermissing van:

[de man] ,

de man,

volgens verzoekster laatstelijk verblijvende in [land] ,

als belanghebbenden worden aangemerkt:

[meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] ,

de zonen van de vrouw en de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

en het op 22 januari 2025 bij de rechtbank Den Haag ingediende verzoekschrift tot echtscheiding van:

[de vrouw] ,

verzoekster / de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. D. Eijpe in Utrecht .

als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

volgens verzoekster laatstelijk verblijvende in [land] .Procedure in de procedure C/09/681358 FA RK 25-1669:

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 3 juli 2025;

het bericht met bijlagen van 27 april 2026 van de vrouw.in de procedure C/09/681370 FA RK 25-1678:

het verzoekschrift;

het betekeningsexploot met publicatie van het exploot in de Staatscourant;

het bericht met bijlagen van 22 april 2025 van de vrouw.

Op 28 april 2026 zijn de zaken gecombineerdbehandeld op de zitting van deze rechtbank.

Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk G. Ochba Michael en de zonen van de vrouw en de man.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

De vrouw is afkomstig uit [land] en is gevlucht naar Nederland.

De vrouw staat sinds 11 september 2016 ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP).

Volgens een uittreksel van de BRP is de vrouw op [datum 1] 1993 gehuwd met de man.

De vrouw heeft nog een minderjarig kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .

Verzoek

in de procedure C/09/681358 FA RK 25-1669:

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • primair: te verklaren voor recht dat het huwelijk van rechtswege is beëindigd wegens de dood van [de man] ;

  • subsidiair: te verklaren dat met ingang van [datum 2] 1999 een rechtsvermoeden van overlijden bestaat van [de man] .

in de procedure C/09/681370 FA RK 25-1678:

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de echtscheiding tussen de vrouw en de man, gehuwd op [datum 3] 1993 in [plaats] , [land] , uit te spreken.

Beoordeling

in de procedure C/09/681358 FA RK 25-1669:

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van het voorliggende verzoek kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe.

Relatieve bevoegdheid

Op grond van artikel 267 Rv is in zaken van afwezigheid of vermissing de rechter van de verlaten woonplaats van de betrokkene bevoegd. Omdat de man nooit in Nederland is geweest en hier dus geen verlaten woonplaats heeft, is op grond van artikel 269 Rv de rechtbank Den Haag relatief bevoegd.

Inhoudelijke beoordeling

Verklaring voor recht einde huwelijk

Primair is verzocht om een verklaring voor recht dat het huwelijk van rechtswege is geëindigd door de dood van de man. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat uit de stukken is gebleken dat er geen ( [land] ) overlijdensakte is.

Verklaring van overlijden (1:426 BW)

Daarnaast is verzocht om een vaststelling van het overlijden van de man, zoals opgenomen in artikel 1:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit lid 2 van dit artikel volgt dat ingeval een persoon buiten Nederland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, de rechtbank kan verklaren dat die persoon is overleden. Echter, om deze verklaring te kunnen doen, is vereist dat het overlijden heeft plaatsgevonden op een Nederlands schip of in een Nederlands vliegtuig, de overledene Nederlander was of zijn/haar woon- of verblijfplaats in Nederland had. Zoals ook door de officier van justitie is benoemd, is een verklaring van overlijden in dit geval niet mogelijk, omdat geen van de drie genoemde mogelijkheden in dit geval van toepassing is. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.

Vaststelling vermissing (artikel 1:412 en verder BW)

Uit artikel 1:412 en verder BW volgt dat indien het bestaan van een persoon onzeker is, de aangegeven tijdruimte verstreken is, en de persoon niet is verschenen na daartoe te zijn opgeroepen, de rechtbank de vermissing van die persoon kan vaststellen. De vaststelling van de vermissing heeft de rechtsgevolgen van een overlijden, zo volgt uit artikel 1:414 lid 5 BW.

Uit de overgelegde stukken is het volgende gebleken. De vrouw is in 1993 in [land] gehuwd met de man. Zij staat in de basisregistratie personen (BRP) geregistreerd als gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De vrouw betoogt dat haar echtgenoot is overleden en zij wenst haar huwelijkse staat in de BRP dienovereenkomstig te wijzigen, onder meer omdat zij nu niet in aanmerking komt voor een uitkering voor alleenstaanden.

Bestaan van de man is onzeker

Door de vrouw is een ‘aankondiging van martelaarschap’ overgelegd waarin is opgenomen dat de man op [datum 2] 1999 is overleden. Een aankondiging van martelaarschap is een eerbetoon aan personen die zijn omgekomen tijdens een onafhankelijkheidsstrijd of nationale dienstplicht. Beide meerderjarige zonen hebben voorts bij de IND in het eerste gehoor (meermaals) verklaard dat hun vader is overleden. Voor de zitting is de man op 6 februari 2025 in de Staatscourant opgeroepen. De man is niet verschenen en evenmin is iemand voor hem opgekomen die behoorlijk van het in leven zijn van de man heeft doen blijken.

De rechtbank merkt op dat voornoemde bescheiden niet zijn gelijk te stellen met een overlijdensakte, zodat het overlijden van de man niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank echter van oordeel dat nog in leven zijn van betrokkene (zeer) onzeker is.

Verstrijken van tijdruimte

De in artikel 1:413, tweede lid, BW genoemde tijdruimte sinds de laatste tijding van leven van de man is al geruime tijd verstreken.

Oproep

De man is op de juiste wijze opgeroepen en niet verschenen.

Conclusie

Met het oog op het vorenstaande en in achtneming van artikel 1:414, tweede lid, BW kan de rechtbank de vermissing van de man vaststellen. Als dag vanaf welke de man wordt vermist zal de rechtbank [datum 2] 1999 vaststellen, welke datum wordt genoemd als datum van overlijden in de ‘aankondiging van martelaarschap’. De rechtbank is van oordeel dat deze ‘aankondiging van martelaarschap’ voldoende aannemelijk maakt dat dit de dag is waarop de man naar alle waarschijnlijkheid in [land] is overleden.

De griffier zal overeenkomstig artikel 1:417 BW een afschrift van de beschikking zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Deze ambtenaar zal van de beschikking een akte van inschrijving opmaken. Deze akte van overlijden bewijst ten aanzien van een ieder dwingend, dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is overleden.

in de procedure C/09/681370 FA RK 25-1678:

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 3 onder a sub e van de Verordening (EG) Nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw (verzoekster) zich in Nederland bevond, en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 eerste lid BW Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

In de procedure C/09/681358 FA RK 25-1669 wordt de vermissing van de man sinds [datum 2] 1999 vastgesteld. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal vervolgens een akte van overlijden opmaken. Als gevolg hiervan heeft de vrouw op grond van artikel 1:149 sub a BW geen belang meer bij het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

in de procedure C/09/681358 FA RK 25-1669:

stelt de vermissing sinds [datum 2] 1999 vast van:

[de man] , geboren op [datum 1] 1975 in [plaats] , [land] .

wijst af het meer of anders verzochte;

in de procedure C/09/681370 FA RK 25-1678:

wijst het verzoek van de vrouw tot echtscheiding af wegens gebrek aan belang.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 mei 2026.

Plus de Décisions