ECLI:NL:RBDHA:2026:17351
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-219768-25 en 09-058994-26 (ttz. gev.), 09-295011-23 (tul)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in Forensisch Centrum [locatie] te [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 23 maart 2026 (pro forma), 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Sönmez te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 11 mei 2026 verschenen.
2. De tenlastelegging
De verdachte wordt verdacht van zes feiten, verdeeld over twee dagvaardingen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Dagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25:
Feit 1: op 24 juli 2025 in Gouda (samen met een ander) voorbereidingshandelingen heeft getroffen met betrekking tot de handel in cocaïne en/of heroïne;
Feit 2: in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt;
Feit 3: in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda (samen met anderen) in cocaïne en/of heroïne heeft gehandeld.
Dagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26:
Feit 1: op 22 december 2025 in Gouda opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad;
Feit 2: op 22 december 2025 in Gouda een geldbedrag van € 10.840,- heeft witgewassen;
Feit 3: in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
3.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - op gronden zoals weergegeven in de schriftelijke pleitnotities - vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 3 tenlastegelegde. Met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.
3.3. Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal KNAL25 / DH7R025070, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 512).
3.3.1. Dagvaarding 1 onder feit 3
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;
2. het proces-verbaal data onderzoek, onderzoeksnummer: DH7R02507-16, 3362224 iPhone XR, opgemaakt op 23 december 2025, (p. 98-121);
3. het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte], opgemaakt op 24 juli 2025 (p. 194-196).
3.3.2. Dagvaarding 2 onder feit 1
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;
2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 december 2025 (p. 14);
3. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 27 februari 2026 (p. 345-347);
4. het geschrift, te weten een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, op 27 februari 2026 opgemaakt en ondertekend door deskundige ing. P.H. Walinga (p. 349).
3.4. Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft voor het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5. Bewijsoverwegingen
3.5.1. Dagvaarding 1 onder feit 1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen omdat het enkele bezit van gripzakjes, één telefoon en een beperkt geldbedrag onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat sprake is van voorbereidingshandelingen gericht op de handel in verdovende middelen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat in ieder geval vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen moet volgen omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte en zijn medeverdachte onafhankelijk van elkaar opereerden en van een gezamenlijke uitvoering geen sprake was.
Het oordeel van de rechtbank
Op 24 juli 2025 reed de verdachte samen met de medeverdachte op een fatbike, terwijl zij cocaïne en heroïne - verpakt in een groot aantal gripzakjes en ponypacks met gebruikershoeveelheden - verstopt in een sok in hun (onder)broek en jaszak bij zich droegen. De verdachte had in totaal 51 gripzakjes en 12 ponypacks bij zich. De medeverdachte had in totaal 40 gripzakjes en 2 ponypacks bij zich. In de fietstas van de fatbike waar de verdachten op reden, werden een iPhone en een weegschaaltje (met residu) gevonden. Bij de verdachte werd verder een geldbedrag van € 335,- (in verschillende coupures) aangetroffen. Ter terechtzitting van 11 mei 2026 heeft de verdachte bekend dat hij de harddrugs bij zich had en dat hij zich bezighield met het dealen hiervan.
Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, samen met een ander, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het dealen van harddrugs, door het aanwezig hebben van spullen die te maken hadden met het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren ervan, te weten een (handels)hoeveelheid gripzakjes en ponypacks met heroïne en cocaïne, een fatbike (als vervoermiddel), een weegschaal (om de harddrugs af te wegen), een telefoon (om contact met klanten te onderhouden) en een geldbedrag in verschillende coupures (omzet en wisselgeld). Dat de verdachte en de medeverdachte samen zijn aangehouden, terwijl zij allebei een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen verpakt in de gebruikershoeveelheden bij zich hadden en bovendien gebruikmaakten van dezelfde hulpmiddelen (de fatbike en de weegschaal) brengt de rechtbank tot de conclusie dat er een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte was, dat sprake is van medeplegen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het geldbedrag dat de medeverdachte bij zich had. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Voor het overige kan, zo volgt uit het voorgaande, bewezenverklaring van het tenlastegelegde volgen.
3.5.2. Dagvaarding 2 onder feit 2
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), bij het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het tenlastegelegde voorwerp en een bepaald misdrijf, zoals in deze zaak, op grond van de feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
De rechtbank stelt vast dat op 22 december 2025 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning waar de verdachte verbleef. In de slaapkamer van de verdachte werd een contant geldbedrag van € 10.840,- aangetroffen, waarvan € 10.780,- in de kledingkast en € 60,- op de grond naast het bed. Dit bedrag bestond uit 560 biljetten van verschillende waarden, waaronder een aantal biljetten van € 100,- en een groot aantal biljetten van € 5,-. Daarnaast werden op verschillende plekken in de (tuin van de) woning cocaïne en (aan de handel in) drugs-gerelateerde spullen aangetroffen.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen van dien aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De rechtbank heeft hiervóór reeds bewezen geacht dat de verdachte betrokken is geweest bij de handel in harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met dergelijke criminele activiteiten grote contante geldbedragen worden verdiend.
Daarnaast geldt dat het niet gebruikelijk is om een dergelijk groot bedrag in contanten in huis te bewaren, mede gelet op de mogelijke risico’s die daaraan verbonden zijn. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft als verklaring voor het geldbedrag gegeven dat het geld bij elkaar gespaard kindgebonden budget betreft. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring op geen enkele wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld met beschikkingen waaruit de toekenning van het kindgebonden budget blijkt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke toelage niet contant, maar door middel van overmaking op een bankrekening, wordt uitbetaald. Dat de verdachte het bedrag vervolgens van die bankrekening heeft gepind, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu een deel van de coupures waaruit het aangetroffen geld bestaat, niet (eenvoudig) is op te nemen bij pinautomaten. Zijn verklaring ter zitting dat de biljetten van € 100 zijn verkregen bij omwisselen van het geld, heeft de verdachte niet verder geconcretiseerd. De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is dan ook niet verifieerbaar.
De rechtbank komt om die reden dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
3.5.3. Dagvaarding 1 onder feit 2, dagvaarding 2 onder feit 3
De voornaamste bewijsmiddelen in deze zaak vormen chatgesprekken die zijn aangetroffen op een tweetal onder de verdachte in beslag genomen telefoons, een iPhone 15 en een iPhone 12 Mini. In deze telefoons zijn diverse chatgesprekken aangetroffen waarin wapens en munitie worden aangeboden en gezocht.
De verdachte heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 erkend dat hij gesprekken heeft gevoerd over wapens, maar heeft ontkend dat hij daadwerkelijk wapens heeft gekocht of verkocht. Volgens de verdediging kan ook uit de gesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk vuurwapens of onderdelen daarvan heeft gekocht en verkocht en evenmin dat het daadwerkelijk tot een afspraak en levering is gekomen.Daarnaast blijkt volgens de verdediging nergens uit dat de verdachte prijsonderhandelingen heeft gevoerd. Het enkel noemen van een prijs leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van handel in vuurwapens, aldus de verdediging.
Het toetsingskader
Artikel 9, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie (WWM) stelt strafbaar het zonder erkenning vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van een wapen of munitie.
Sinds de wijziging van de WWM van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van de zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die geen wapens in bezit heeft.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte veelvuldig en actief gesprekken heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Ook zijn er afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens en munitie uitgewisseld en is er gesproken over aan- en verkoopprijzen.
De verdachte heeft in deze gesprekken specifieke informatie over verschillende typen vuurwapens gegeven en heeft vragen over de specifieke kenmerken, prijzen en beschikbaarheid van die wapens beantwoord. Op de telefoons zijn bovendien verschillende foto’s en een video aangetroffen, waarop de verdachte zelf te zien is met (een) vuurwapen(s) in zijn handen.
Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat de verdachte in de chatgesprekken onderhandelingen heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Of er daadwerkelijk een transactie heeft plaatsgevonden dan wel of de vuurwapens uiteindelijk van eigenaar zijn gewisseld, is van ondergeschikt belang. Immers, ook als een transactie uiteindelijk niet is doorgegaan, laat dat onverlet dat de verdachte de onderhandelingen over (potentiële) transacties heeft gevoerd.
Gaat het om echte vuurwapens?
De verdediging heeft ook aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat de vuurwapens op de afbeeldingen echte, werkende vuurwapens zijn en of het vuurwapens en munitie van de categorie III betreffen.
De rechtbank overweegt dat de afbeeldingen en het videomateriaal van de vuurwapens die zijn aangetroffen op de iPhone 15 en de iPhone 12 Mini zijn beoordeeld door een wapenexpert van de Forensische Opsporing. De wapenexpert concludeert op basis van de uiterlijke kenmerken van de op de foto’s en de video afgebeelde vuurwapens dat het hoogstwaarschijnlijk om echte (verboden) vuurwapens gaat die vallen in de categorie III van de Wet wapens en munitie. Dat de chatgesprekken over echte vuurwapens gaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de aard en inhoud van de chatgesprekken zelf, meer specifiek uit de genoemde prijzen en de gebruikte terminologie. Voorts bevatten de (vele) gesprekken geen enkele aanwijzing die erop duidt dat het ‘slechts’ om nep-/ namaakvuurwapens zou gaan.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dat die wapens echte, scherp-schietende vuurwapens en munitie zijn en dat het dus gaat om wapens en munitie van categorie III als bedoeld in de WWM. Het handelen van de verdachte kwalificeert daarmee als het verhandelen van wapens in de zin van artikel 9 van de Wet wapens en munitie.
Beroep of gewoonte
Gelet op de hoeveelheid en de inhoud van de wapengerelateerde chatgesprekken, het aantal verschillende personen met wie de verdachte contact heeft gehad over de aan- en verkoop van vuurwapens en de periode (van meerdere maanden) waarin deze gesprekken hebben plaatsgevonden, is de rechtbank bovendien van oordeel dat de verdachte zonder erkenning heeft gehandeld uit gewoonte. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte getuigt van stelselmatigheid en een vast voornemen om wapens te blijven verhandelen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte gedurende de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 (dagvaarding 1 feit 2) en in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 (dagvaarding 2 feit 3) in strijd met artikel 9 WWM vuurwapens en munitie heeft gehandeld, zonder erkenning, en hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
3.5. De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding 1 - 09-219768-25
1
hij op 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne en heroïne, voorwerpen, eenvervoermiddel, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,te weten:
een grote hoeveelheid gripzakjes en/of ponypacks met heroïne en/of cocaïne,
een fatbike,
een weegschaal,
eentelefoon, en
eengeldbedrag (van € 335,00);
2
hij, in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:
berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens en
afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens te sturen naar anderen,
en hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt;
3
hij, in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van materialenbevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Dagvaarding 2 - 09-058994-26
1
hij, op 22 december 2025 te Gouda, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad;
2
hij, op 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van € 10.840,00
- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat geldbedrag- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3
hij, in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapen(s) en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, door:
berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens, en
afbeeldingen van vuurwapens te sturen naar anderen,
en hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straf
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De officier van justitie heeft daarnaast een voorwaardelijke geldboete van
€ 5.150,- met een proeftijd van twee jaren gevorderd.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het advies van de deskundigen te volgen en het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke jeugddetentie.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Daarnaast heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen voor deze handel en heeft hij harddrugs in zijn bezit gehad. Door de handel is de verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die daardoor en door het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruiker en brengen aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Bovendien gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met geweld, schade en overlast tot gevolg.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.
De verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van in totaal ongeveer vijf maanden bezig gehouden met de handel in wapens en munitie, zodanig dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt. De wapens waarin de verdachte handelde zijn gevaarlijk. Het ongecontroleerde bezit daarvan levert een gevaar op voor de maatschappij en zorgt voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale wapenhandel in Nederland en daarmee aan de mogelijkheid dat deze wapens worden gebruikt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder voor een WWM-feit is veroordeeld. Bovendien liep hij, toen hij de zes bewezenverklaarde strafbare feiten pleegde, nog in de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 24 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de motivatie voor begeleiding en toezicht aanvankelijk minimaal was bij de verdachte. Op dit moment lijkt de verdachte wel mee te willen werken. De Raad ziet dat de verdachte beïnvloedbaar is, dat hij moeite heeft met het overzien van oorzaak en gevolg en dat zijn contacten risicovol zijn. Dit zal een belangrijk bespreekpunt moeten blijven voor de jeugdreclassering en de coach die de verdachte momenteel begeleidt. Bij een veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen om het continueren van hulpverlening mogelijk te maken. Hierbij worden - kort gezegd - de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht, een verplichting tot het hebben van een passende dagbesteding in de vorm van school of werk, het verplicht meewerken aan coaching vanuit [instantie] en een avondklok (bij de ouders) vanaf 20.00 uur, met elektronische controle voor de maximale duur van drie maanden.
Uit de schriftelijke toelichting vanuit de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering), door de rechtbank ontvangen op 11 mei 2026, volgt dat de verdachte alsnog gemotiveerd is om mee te werken aan de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Recent is een passende plek gevonden waar de verdachte dagbesteding kan volgen. Als de verdachte wordt vrijgelaten, zal eerst worden ingezet op een enkelband, avondklok en dagbesteding.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 29 april 2026. Op basis van het ASR-wegingskader en in overleg met de Raad, adviseert de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht om de volgende redenen. De verdachte was grotendeels minderjarig ten tijde van de delicten. Daarnaast zijn er bij de verdachte aanwijzingen van kwetsbaarheid, beïnvloedbaarheid en een beneden-gemiddeld intelligentieniveau. Hij lijkt de gevolgen van zijn keuzes onvoldoende te overzien. Ook gedraagt hij zich jonger dan zijn kalenderleeftijd. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden en acht het van belang dat het systeem daarbij wordt betrokken. Het advies is om het huidige begeleidingstraject bij de jeugdreclassering te continueren. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering schaart zich achter het strafadvies van de Raad.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende een langere periode waarvan hij de eerste maanden nog minderjarig was.
De rechtbank kan - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren, heeft bereikt - op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte op een beneden-gemiddeld intelligentieniveau functioneert en dat er aanwijzingen zijn van kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Daarnaast blijkt dat hij nog ontwikkeltaken heeft te vervullen. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden, waarbij het van belang wordt geacht dat daarbij ook het systeem van de verdachte wordt betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank is er dus nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding bij de verdachte. De rechtbank acht het van belang dat gebruik wordt gemaakt van deze pedagogische mogelijkheden zolang die er nog zijn.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat, zoals hiervoor al is overwogen, hij reeds eerder is veroordeeld voor het overtreden van de WWM en dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Daarnaast tilt de rechtbank zwaar aan het feit dat de verdachte de bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, terwijl hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep voor de feiten van dagvaarding 1. Zijn eerdere aanhouding en de daaropvolgende periode van voorlopige hechtenis hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van enige duur opleggen. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn proeftijd én vervolgens tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk. Door het opleggen van een forse voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur, hoopt de rechtbank dat de verdachte inziet dat het gedrag dat hij heeft laten zien zeer kwalijk is en hoopt zij ook dat hij gemotiveerd blijft om mee te werken aan de hulpverlening en hij zich niet opnieuw zal schuldig maken aan strafbare feiten.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Naar het oordeel van de rechtbank doet na te melden straf recht aan de ernst van de feiten, terwijl ook rekening wordt gehouden met de doelen van strafoplegging in het jeugdstrafrecht.
Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 13 maanden, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (162 dagen tot de uitspraak), passend en geboden. De rechtbank zal 6 maanden van die straf voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op behandeling en begeleiding, alsook op structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en herhaling te voorkomen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast - zoals gevorderd door de officier van justitie - een voorwaardelijke geldboete aan de verdachte op te leggen. De forse, deels voorwaardelijke jeugddetentie dient naar het oordeel van de rechtbank het doel van het voorkomen van recidive al voldoende.
7. De in beslag genomen voorwerpen
7.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen, weegschaal, iPhone 15, iPhone XR en iPhone 12 Mini zullen worden verbeurd verklaard en dat de iPhone SE zal worden teruggegeven aan de verdachte.
7.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.
7.3. Het oordeel van de rechtbank
Teruggave
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de iPhone SE (het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp).
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurd verklaren. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden verbeurd verklaard, omdat het voorwerpen betreffen die aan de verdachte toebehoren en:
(ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 genummerde geldbedragen) die geheel of grotendeels door middel van het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde feit zijn verkregen;
(ten aanzien van de onder 4 genummerde weegschaal) met behulp van de weegschaal het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde is begaan;
(ten aanzien van de onder 5, 7 en 8 genummerde telefoons) met behulp van de telefoons de bij dagvaarding 1 onder feit 2 en onder feit 3 en de bij dagvaarding 2 onder feit 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-295011-23 door de kinderrechter van deze rechtbank op 3 juni 2024 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde betreffende het niet opnieuw plegen van strafbare feiten.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 gepersisteerd bij de vordering.
8.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging.
8.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
47, 77 a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77z, 77z, 77aa, 77gg, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
9, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:
dagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25 onder feit 1, feit 2 en feit 3;
dagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26 onder feit 1, feit 2 en feit 3;
tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
in de zaak met parketnummer 09-219768-25 (dagvaarding 1):
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en geld voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
in de zaak met parketnummer 09-058994-26 (dagvaarding 2):
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
witwassen;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentievoor de duur van13 (DERTIEN) MAANDEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 162 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op2 (TWEE) jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de reclassering;
2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van [instantie] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd tussen 20.00 uur en 08.00 uur zal verblijven bij zijn ouders, op het adres [adres], [woonplaats], dan wel een opvolgend adres indien de verblijfplaats van de veroordeelde gedurende deze periode wijzigt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde voor de maximale duur van drie maanden. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de in beslag genomen goederen
teruggave
gelast de teruggave aan de verdachte het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp, te weten:
- iPhone SE (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436302, Apple)
verbeurd verklaren
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5, 7 en 8 genummerde voorwerpen, te weten:
geldbedrag van € 355,00;
geldbedrag van € 10.790,00;
geldbedrag van € 50,00;
weegschaal;
5. iPhone 12 mini (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436307, Zwart, merk: Apple)
7. iPhone XR (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362224, Zwart, merk: Apple)
8. iPhone 15 (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362223, Zwart, merk: Apple);
de vordering tenuitvoerlegging
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, opgelegd bij voormeld vonnis van 3 juni 2024 in de zaak met parketnummer 09-295011-23;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat
Dagvaarding 1 - 09-219768-25
1
hij, op of omstreeks 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne en/of heroïne, een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar
mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door voorhanden te hebben:
een grote hoeveelheid gripzakjes en/of ponypacks met heroïne en/of cocaïne,
een fatbike,
een weegschaal,
meerdere telefoons, en/of
meerdere geldbedragen (van €635,00 en/of €335,00 euro);
2
hij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie heeft uitgewisseld en/of heeft verhandeld en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, en/of heeft onderhandeld over en/of transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en/of levering van een of meer (vuur)wapen(s) en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:
berichten te sturen naar en/of gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en/of verkoop van vuurwapens en/of munitie door informatie te geven en/of vragen te beantwoorden en/of afspraken te maken over prijzen en/of de functie en/of beschikbaarheid van vuurwapens en/of ontmoetingen te regelen en/of
afbeeldingen en/of videomateriaal van vuurwapens te tonen aan en/of te sturen naar anderen,
en hij, verdachte, hiervan een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt;
3
hij, in of omstreeks de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, zijnde heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding 2 - 09-058994-26
hij, op of omstreeks 22 december 2025 te Gouda, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad
2
hij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, (van) een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp,
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was, en/of
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
3
hij, in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III
onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens heeft uitgewisseld en/of heeft verhandeld en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, en/of
heeft onderhandeld over en/of transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en/of levering van een of meer (vuur)wapen(s) en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens, door:
berichten te sturen naar en/of gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en/of verkoop van vuurwapens en/of munitie door informatie te geven en/of vragen te beantwoorden en/of afspraken te maken over prijzen en/of de functie en/of beschikbaarheid van vuurwapens en/of ontmoetingen te regelen, en/of
afbeeldingen van vuurwapens te tonen aan en/of te sturen naar anderen,
en hij, verdachte, hiervan een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt.