[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17351":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17351":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1326","ECLI:NL:RBDHA:2026:17351","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 09-219768-25 en 09-058994-26 (ttz. gev.), 09-295011-23 (tul)\n\nDatum uitspraak: 27 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte](hierna: de verdachte),\n\n geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],\n\n BRP-adres: [adres], [woonplaats],\n\n op dit moment gedetineerd in Forensisch Centrum [locatie] te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\n De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 23 maart 2026 (pro forma), 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).\n\nDe officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Sönmez te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 11 mei 2026 verschenen.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdachte wordt verdacht van zes feiten, verdeeld over twee dagvaardingen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nDagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25:\n\nFeit 1: op 24 juli 2025 in Gouda (samen met een ander) voorbereidingshandelingen heeft getroffen met betrekking tot de handel in cocaïne en\u002Fof heroïne;\n\nFeit 2: in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt;\n\nFeit 3: in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda (samen met anderen) in cocaïne en\u002Fof heroïne heeft gehandeld.\n\nDagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26:\n\nFeit 1: op 22 december 2025 in Gouda opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 22 december 2025 in Gouda een geldbedrag van € 10.840,- heeft witgewassen;\n\nFeit 3: in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - op gronden zoals weergegeven in de schriftelijke pleitnotities - vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 3 tenlastegelegde. Met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.\n\n3.3. Opgave van bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank zal voor het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal KNAL25 \u002F DH7R025070, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t\u002Fm 512).\n\n3.3.1. Dagvaarding 1 onder feit 3\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;\n\n2. het proces-verbaal data onderzoek, onderzoeksnummer: DH7R02507-16, 3362224 iPhone XR, opgemaakt op 23 december 2025, (p. 98-121);\n\n3. het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte], opgemaakt op 24 juli 2025 (p. 194-196).\n\n3.3.2. Dagvaarding 2 onder feit 1\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;\n\n2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 december 2025 (p. 14);\n\n3. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 27 februari 2026 (p. 345-347);\n\n4. het geschrift, te weten een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, op 27 februari 2026 opgemaakt en ondertekend door deskundige ing. P.H. Walinga (p. 349).\n\n3.4. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft voor het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.\n\n3.5. Bewijsoverwegingen\n\n3.5.1. Dagvaarding 1 onder feit 1\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen omdat het enkele bezit van gripzakjes, één telefoon en een beperkt geldbedrag onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat sprake is van voorbereidingshandelingen gericht op de handel in verdovende middelen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat in ieder geval vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen moet volgen omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte en zijn medeverdachte onafhankelijk van elkaar opereerden en van een gezamenlijke uitvoering geen sprake was.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nOp 24 juli 2025 reed de verdachte samen met de medeverdachte op een fatbike, terwijl zij cocaïne en heroïne - verpakt in een groot aantal gripzakjes en ponypacks met gebruikershoeveelheden - verstopt in een sok in hun (onder)broek en jaszak bij zich droegen. De verdachte had in totaal 51 gripzakjes en 12 ponypacks bij zich. De medeverdachte had in totaal 40 gripzakjes en 2 ponypacks bij zich. In de fietstas van de fatbike waar de verdachten op reden, werden een iPhone en een weegschaaltje (met residu) gevonden. Bij de verdachte werd verder een geldbedrag van € 335,- (in verschillende coupures) aangetroffen. Ter terechtzitting van 11 mei 2026 heeft de verdachte bekend dat hij de harddrugs bij zich had en dat hij zich bezighield met het dealen hiervan.\n\nAl deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, samen met een ander, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het dealen van harddrugs, door het aanwezig hebben van spullen die te maken hadden met het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren ervan, te weten een (handels)hoeveelheid gripzakjes en ponypacks met heroïne en cocaïne, een fatbike (als vervoermiddel), een weegschaal (om de harddrugs af te wegen), een telefoon (om contact met klanten te onderhouden) en een geldbedrag in verschillende coupures (omzet en wisselgeld). Dat de verdachte en de medeverdachte samen zijn aangehouden, terwijl zij allebei een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen verpakt in de gebruikershoeveelheden bij zich hadden en bovendien gebruikmaakten van dezelfde hulpmiddelen (de fatbike en de weegschaal) brengt de rechtbank tot de conclusie dat er een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte was, dat sprake is van medeplegen.\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het geldbedrag dat de medeverdachte bij zich had. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.\n\nVoor het overige kan, zo volgt uit het voorgaande, bewezenverklaring van het tenlastegelegde volgen.\n\n3.5.2. Dagvaarding 2 onder feit 2\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), bij het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het tenlastegelegde voorwerp en een bepaald misdrijf, zoals in deze zaak, op grond van de feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.\n\nDe rechtbank stelt vast dat op 22 december 2025 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning waar de verdachte verbleef. In de slaapkamer van de verdachte werd een contant geldbedrag van € 10.840,- aangetroffen, waarvan € 10.780,- in de kledingkast en € 60,- op de grond naast het bed. Dit bedrag bestond uit 560 biljetten van verschillende waarden, waaronder een aantal biljetten van € 100,- en een groot aantal biljetten van € 5,-. Daarnaast werden op verschillende plekken in de (tuin van de) woning cocaïne en (aan de handel in) drugs-gerelateerde spullen aangetroffen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen van dien aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De rechtbank heeft hiervóór reeds bewezen geacht dat de verdachte betrokken is geweest bij de handel in harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met dergelijke criminele activiteiten grote contante geldbedragen worden verdiend.\n\nDaarnaast geldt dat het niet gebruikelijk is om een dergelijk groot bedrag in contanten in huis te bewaren, mede gelet op de mogelijke risico’s die daaraan verbonden zijn. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft als verklaring voor het geldbedrag gegeven dat het geld bij elkaar gespaard kindgebonden budget betreft. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring op geen enkele wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld met beschikkingen waaruit de toekenning van het kindgebonden budget blijkt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke toelage niet contant, maar door middel van overmaking op een bankrekening, wordt uitbetaald. Dat de verdachte het bedrag vervolgens van die bankrekening heeft gepind, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu een deel van de coupures waaruit het aangetroffen geld bestaat, niet (eenvoudig) is op te nemen bij pinautomaten. Zijn verklaring ter zitting dat de biljetten van € 100 zijn verkregen bij omwisselen van het geld, heeft de verdachte niet verder geconcretiseerd. De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is dan ook niet verifieerbaar.\n\nDe rechtbank komt om die reden dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.\n\n3.5.3. Dagvaarding 1 onder feit 2, dagvaarding 2 onder feit 3\n\nDe voornaamste bewijsmiddelen in deze zaak vormen chatgesprekken die zijn aangetroffen op een tweetal onder de verdachte in beslag genomen telefoons, een iPhone 15 en een iPhone 12 Mini. In deze telefoons zijn diverse chatgesprekken aangetroffen waarin wapens en munitie worden aangeboden en gezocht.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 erkend dat hij gesprekken heeft gevoerd over wapens, maar heeft ontkend dat hij daadwerkelijk wapens heeft gekocht of verkocht. Volgens de verdediging kan ook uit de gesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk vuurwapens of onderdelen daarvan heeft gekocht en verkocht en evenmin dat het daadwerkelijk tot een afspraak en levering is gekomen.Daarnaast blijkt volgens de verdediging nergens uit dat de verdachte prijsonderhandelingen heeft gevoerd. Het enkel noemen van een prijs leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van handel in vuurwapens, aldus de verdediging.\n\nHet toetsingskader\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie (WWM) stelt strafbaar het zonder erkenning vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van een wapen of munitie.\n\nSinds de wijziging van de WWM van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van de zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die geen wapens in bezit heeft.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nUit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte veelvuldig en actief gesprekken heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Ook zijn er afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens en munitie uitgewisseld en is er gesproken over aan- en verkoopprijzen.\n\nDe verdachte heeft in deze gesprekken specifieke informatie over verschillende typen vuurwapens gegeven en heeft vragen over de specifieke kenmerken, prijzen en beschikbaarheid van die wapens beantwoord. Op de telefoons zijn bovendien verschillende foto’s en een video aangetroffen, waarop de verdachte zelf te zien is met (een) vuurwapen(s) in zijn handen.\n\nGelet op het voorgaande kan worden bewezen dat de verdachte in de chatgesprekken onderhandelingen heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Of er daadwerkelijk een transactie heeft plaatsgevonden dan wel of de vuurwapens uiteindelijk van eigenaar zijn gewisseld, is van ondergeschikt belang. Immers, ook als een transactie uiteindelijk niet is doorgegaan, laat dat onverlet dat de verdachte de onderhandelingen over (potentiële) transacties heeft gevoerd.\n\nGaat het om echte vuurwapens?\n\nDe verdediging heeft ook aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat de vuurwapens op de afbeeldingen echte, werkende vuurwapens zijn en of het vuurwapens en munitie van de categorie III betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat de afbeeldingen en het videomateriaal van de vuurwapens die zijn aangetroffen op de iPhone 15 en de iPhone 12 Mini zijn beoordeeld door een wapenexpert van de Forensische Opsporing. De wapenexpert concludeert op basis van de uiterlijke kenmerken van de op de foto’s en de video afgebeelde vuurwapens dat het hoogstwaarschijnlijk om echte (verboden) vuurwapens gaat die vallen in de categorie III van de Wet wapens en munitie. Dat de chatgesprekken over echte vuurwapens gaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de aard en inhoud van de chatgesprekken zelf, meer specifiek uit de genoemde prijzen en de gebruikte terminologie. Voorts bevatten de (vele) gesprekken geen enkele aanwijzing die erop duidt dat het ‘slechts’ om nep-\u002F namaakvuurwapens zou gaan.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dat die wapens echte, scherp-schietende vuurwapens en munitie zijn en dat het dus gaat om wapens en munitie van categorie III als bedoeld in de WWM. Het handelen van de verdachte kwalificeert daarmee als het verhandelen van wapens in de zin van artikel 9 van de Wet wapens en munitie.\n\nBeroep of gewoonte\n\nGelet op de hoeveelheid en de inhoud van de wapengerelateerde chatgesprekken, het aantal verschillende personen met wie de verdachte contact heeft gehad over de aan- en verkoop van vuurwapens en de periode (van meerdere maanden) waarin deze gesprekken hebben plaatsgevonden, is de rechtbank bovendien van oordeel dat de verdachte zonder erkenning heeft gehandeld uit gewoonte. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte getuigt van stelselmatigheid en een vast voornemen om wapens te blijven verhandelen.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte gedurende de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 (dagvaarding 1 feit 2) en in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 (dagvaarding 2 feit 3) in strijd met artikel 9 WWM vuurwapens en munitie heeft gehandeld, zonder erkenning, en hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\n3.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nDagvaarding 1 - 09-219768-25\n\n1\n\nhij op 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne en heroïne, voorwerpen, eenvervoermiddel, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,te weten:\n\n- een grote hoeveelheid gripzakjes en\u002Fof ponypacks met heroïne en\u002Fof cocaïne,\n\n- een fatbike,\n\n- een weegschaal,\n\n- eentelefoon, en\n\n- eengeldbedrag (van € 335,00);\n\n2\n\nhij, in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:\n\n- berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens en\n\n- afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3\n\nhij, in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van materialenbevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDagvaarding 2 - 09-058994-26\n\n1\n\nhij, op 22 december 2025 te Gouda, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad;\n\n2\n\nhij, op 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van € 10.840,00\n\n- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat geldbedrag- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;\n\n3\n\nhij, in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapen(s) en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, door:\n\n- berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens, en\n\n- afbeeldingen van vuurwapens te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De op te leggen straf\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast een voorwaardelijke geldboete van\n\n€ 5.150,- met een proeftijd van twee jaren gevorderd.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht het advies van de deskundigen te volgen en het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke jeugddetentie.\n\n6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Daarnaast heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen voor deze handel en heeft hij harddrugs in zijn bezit gehad. Door de handel is de verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die daardoor en door het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruiker en brengen aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Bovendien gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met geweld, schade en overlast tot gevolg.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.\n\nDe verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van in totaal ongeveer vijf maanden bezig gehouden met de handel in wapens en munitie, zodanig dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt. De wapens waarin de verdachte handelde zijn gevaarlijk. Het ongecontroleerde bezit daarvan levert een gevaar op voor de maatschappij en zorgt voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale wapenhandel in Nederland en daarmee aan de mogelijkheid dat deze wapens worden gebruikt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder voor een WWM-feit is veroordeeld. Bovendien liep hij, toen hij de zes bewezenverklaarde strafbare feiten pleegde, nog in de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 24 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de motivatie voor begeleiding en toezicht aanvankelijk minimaal was bij de verdachte. Op dit moment lijkt de verdachte wel mee te willen werken. De Raad ziet dat de verdachte beïnvloedbaar is, dat hij moeite heeft met het overzien van oorzaak en gevolg en dat zijn contacten risicovol zijn. Dit zal een belangrijk bespreekpunt moeten blijven voor de jeugdreclassering en de coach die de verdachte momenteel begeleidt. Bij een veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen om het continueren van hulpverlening mogelijk te maken. Hierbij worden - kort gezegd - de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht, een verplichting tot het hebben van een passende dagbesteding in de vorm van school of werk, het verplicht meewerken aan coaching vanuit [instantie] en een avondklok (bij de ouders) vanaf 20.00 uur, met elektronische controle voor de maximale duur van drie maanden.\n\nUit de schriftelijke toelichting vanuit de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering), door de rechtbank ontvangen op 11 mei 2026, volgt dat de verdachte alsnog gemotiveerd is om mee te werken aan de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Recent is een passende plek gevonden waar de verdachte dagbesteding kan volgen. Als de verdachte wordt vrijgelaten, zal eerst worden ingezet op een enkelband, avondklok en dagbesteding.\n\nDe rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 29 april 2026. Op basis van het ASR-wegingskader en in overleg met de Raad, adviseert de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht om de volgende redenen. De verdachte was grotendeels minderjarig ten tijde van de delicten. Daarnaast zijn er bij de verdachte aanwijzingen van kwetsbaarheid, beïnvloedbaarheid en een beneden-gemiddeld intelligentieniveau. Hij lijkt de gevolgen van zijn keuzes onvoldoende te overzien. Ook gedraagt hij zich jonger dan zijn kalenderleeftijd. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden en acht het van belang dat het systeem daarbij wordt betrokken. Het advies is om het huidige begeleidingstraject bij de jeugdreclassering te continueren. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering schaart zich achter het strafadvies van de Raad.\n\nToepassing van het jeugdstrafrecht\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende een langere periode waarvan hij de eerste maanden nog minderjarig was.\n\nDe rechtbank kan - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren, heeft bereikt - op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.\n\nDe rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte op een beneden-gemiddeld intelligentieniveau functioneert en dat er aanwijzingen zijn van kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Daarnaast blijkt dat hij nog ontwikkeltaken heeft te vervullen. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden, waarbij het van belang wordt geacht dat daarbij ook het systeem van de verdachte wordt betrokken.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er dus nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding bij de verdachte. De rechtbank acht het van belang dat gebruik wordt gemaakt van deze pedagogische mogelijkheden zolang die er nog zijn.\n\nStrafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.\n\nBij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat, zoals hiervoor al is overwogen, hij reeds eerder is veroordeeld voor het overtreden van de WWM en dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Daarnaast tilt de rechtbank zwaar aan het feit dat de verdachte de bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, terwijl hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep voor de feiten van dagvaarding 1. Zijn eerdere aanhouding en de daaropvolgende periode van voorlopige hechtenis hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nGelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van enige duur opleggen. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn proeftijd én vervolgens tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk. Door het opleggen van een forse voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur, hoopt de rechtbank dat de verdachte inziet dat het gedrag dat hij heeft laten zien zeer kwalijk is en hoopt zij ook dat hij gemotiveerd blijft om mee te werken aan de hulpverlening en hij zich niet opnieuw zal schuldig maken aan strafbare feiten.\n\nDe rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Naar het oordeel van de rechtbank doet na te melden straf recht aan de ernst van de feiten, terwijl ook rekening wordt gehouden met de doelen van strafoplegging in het jeugdstrafrecht.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 13 maanden, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (162 dagen tot de uitspraak), passend en geboden. De rechtbank zal 6 maanden van die straf voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op behandeling en begeleiding, alsook op structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast - zoals gevorderd door de officier van justitie - een voorwaardelijke geldboete aan de verdachte op te leggen. De forse, deels voorwaardelijke jeugddetentie dient naar het oordeel van de rechtbank het doel van het voorkomen van recidive al voldoende.\n\n7. De in beslag genomen voorwerpen\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen, weegschaal, iPhone 15, iPhone XR en iPhone 12 Mini zullen worden verbeurd verklaard en dat de iPhone SE zal worden teruggegeven aan de verdachte.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nTeruggave\n\nNu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de iPhone SE (het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp).\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurd verklaren. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden verbeurd verklaard, omdat het voorwerpen betreffen die aan de verdachte toebehoren en:\n\n(ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 genummerde geldbedragen) die geheel of grotendeels door middel van het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde feit zijn verkregen;\n\n(ten aanzien van de onder 4 genummerde weegschaal) met behulp van de weegschaal het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde is begaan;\n\n(ten aanzien van de onder 5, 7 en 8 genummerde telefoons) met behulp van de telefoons de bij dagvaarding 1 onder feit 2 en onder feit 3 en de bij dagvaarding 2 onder feit 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\n8.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-295011-23 door de kinderrechter van deze rechtbank op 3 juni 2024 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde betreffende het niet opnieuw plegen van strafbare feiten.\n\nDe officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 gepersisteerd bij de vordering.\n\n8.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n8.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 47, 77 a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77z, 77z, 77aa, 77gg, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:\n\ndagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ndagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ntenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:\n\nin de zaak met parketnummer 09-219768-25 (dagvaarding 1):\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en geld voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nin de zaak met parketnummer 09-058994-26 (dagvaarding 2):\n\nten aanzien van feit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n witwassen;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen jeugddetentievoor de duur van13 (DERTIEN) MAANDEN;\n\nbeveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 162 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op2 (TWEE) jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de reclassering;\n\n2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;\n\n3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van [instantie] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;\n\n4. gedurende de proeftijd tussen 20.00 uur en 08.00 uur zal verblijven bij zijn ouders, op het adres [adres], [woonplaats], dan wel een opvolgend adres indien de verblijfplaats van de veroordeelde gedurende deze periode wijzigt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde voor de maximale duur van drie maanden. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;\n\ngeeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen\n\naan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld\n\nin artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden\n\ntoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de\n\njeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,\n\ndaaronder begrepen.\n\nde in beslag genomen goederen\n\nteruggave\n\ngelast de teruggave aan de verdachte het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp, te weten:\n\n 6. iPhone SE (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436302, Apple)\n\nverbeurd verklaren\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5, 7 en 8 genummerde voorwerpen, te weten:\n\ngeldbedrag van € 355,00;\n\ngeldbedrag van € 10.790,00;\n\ngeldbedrag van € 50,00;\n\nweegschaal;\n\n5. iPhone 12 mini (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436307, Zwart, merk: Apple)\n\n7. iPhone XR (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362224, Zwart, merk: Apple)\n\n8. iPhone 15 (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362223, Zwart, merk: Apple);\n\nde vordering tenuitvoerlegging\n\ngelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, opgelegd bij voormeld vonnis van 3 juni 2024 in de zaak met parketnummer 09-295011-23;\n\nhet bevel tot voorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,\n\nmr. J.E. Bierling, kinderrechter,\n\nen mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,\n\nin tegenwoordigheid van\n\nmr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt tenlastegelegd dat\n\nDagvaarding 1 - 09-219768-25\n\n1\n\nhij, op of omstreeks 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne en\u002Fof heroïne, een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar\n\nmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door voorhanden te hebben:\n\n- een grote hoeveelheid gripzakjes en\u002Fof ponypacks met heroïne en\u002Fof cocaïne,\n\n- een fatbike,\n\n- een weegschaal,\n\n- meerdere telefoons, en\u002Fof\n\n- meerdere geldbedragen (van €635,00 en\u002Fof €335,00 euro);\n\n2\n\nhij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie heeft uitgewisseld en\u002Fof heeft verhandeld en\u002Fof anderszins ter beschikking heeft gesteld, en\u002Fof heeft onderhandeld over en\u002Fof transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en\u002Fof levering van een of meer (vuur)wapen(s) en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:\n\n- berichten te sturen naar en\u002Fof gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en\u002Fof verkoop van vuurwapens en\u002Fof munitie door informatie te geven en\u002Fof vragen te beantwoorden en\u002Fof afspraken te maken over prijzen en\u002Fof de functie en\u002Fof beschikbaarheid van vuurwapens en\u002Fof ontmoetingen te regelen en\u002Fof\n\n- afbeeldingen en\u002Fof videomateriaal van vuurwapens te tonen aan en\u002Fof te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt;\n\n3\n\nhij, in of omstreeks de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nDagvaarding 2 - 09-058994-26\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025 te Gouda, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad\n\n2\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, (van) een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp,\n\n- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was, en\u002Fof\n\n- heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp, heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;\n\n3\n\nhij, in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III\n\nonder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens heeft uitgewisseld en\u002Fof heeft verhandeld en\u002Fof anderszins ter beschikking heeft gesteld, en\u002Fof\n\nheeft onderhandeld over en\u002Fof transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en\u002Fof levering van een of meer (vuur)wapen(s) en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens, door:\n\n- berichten te sturen naar en\u002Fof gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en\u002Fof verkoop van vuurwapens en\u002Fof munitie door informatie te geven en\u002Fof vragen te beantwoorden en\u002Fof afspraken te maken over prijzen en\u002Fof de functie en\u002Fof beschikbaarheid van vuurwapens en\u002Fof ontmoetingen te regelen, en\u002Fof\n\n- afbeeldingen van vuurwapens te tonen aan en\u002Fof te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17351","ecli-nl-rbdha-2026-17351",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]