ECLI:NL:RBDHA:2026:17352
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-131355-24 en 09-219014-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteland] , Nederlandse Antillen,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. L. Kooijmans en de raadsman van de verdachte is mr. F.C. Knoef te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 11 mei 2026 verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Dagvaarding 1 (09-131355-24)
1
hij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhave en/of Rijswijk, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
die [aangever 1] in de auto te duwen en/of in te sluiten, en/of tegen de achterbank te drukken en/of te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en/of
een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op/tegen de knie en/of het hoofd van die [aangever 1] te zetten, althans op die [aangever 1] te richten;
2
hij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een bril en/of huissleutels en/of een pinpas en/of een pincode en/of een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), door
aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en/of tegen/op het hoofd en/of de knie van die [aangever 1] te zetten, althans door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [aangever 1] te richten en/of
tegen die [aangever 1] te zeggen "Geef je telefoon, pinpas,pincode, huissleutels en sigaretten" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke strekking;
3
hij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken;
Dagvaarding 2 (09-219014-25)
hij op of omstreeks 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
het duwen en/of vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en/of
het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en/of
het een of meermaals trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [aangever 2] , en/of
het een of meermaals slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [aangever 2] .
3. De bewijsbeslissing
3.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - op gronden als verwoord in haar schriftelijk requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - primair vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde omdat, aldus de raadsman, de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar zijn en, ook los hiervan, niet kan worden bewezen dat de verdachte de door de aangever genoemde “verdachte 2” is. Mocht de rechtbank de verklaringen wel betrouwbaar achten en bewezen achten dat de verdachte “verdachte 2” is geweest, dan heeft de raadsman zich voor wat betreft de (verdere) bewijsvraag (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan.
3.3. Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4. Bewijsoverwegingen
3.4.1. Dagvaarding 1 (09-131355-24)
Betrouwbaarheid verklaringen aangever
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hij meent dat er door de onjuiste verklaring van de aangever over het in bewaring geven van € 180,- aan “ [naam 1] ”, het gegeven dat hij zelf verklaart soms dingen te zien die er niet zijn en herinneringen heeft aan het bezoeken van plaatsen terwijl hij er niet is geweest, in combinatie met het gegeven dat “ [naam 1] ”, een belangrijke getuige die volgens aangever bij de tenlastegelegde gebeurtenissen aanwezig was, niet is gevonden, concrete redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Nu de verdenkingen van alle feiten in de kern zijn gebaseerd op de verklaringen van de aangever, moet de verdachte van deze feiten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
De rechtbank stelt voorop dat in strafzaken als uitgangspunt geldt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen kleine verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Dat verklaringen - op onderdelen of op detailniveau - niet geheel overeenkomen, kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties ontstaan door hetgeen zij hebben waargenomen, of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en daarom voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De door de aangever afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende consistent, accuraat en volledig geweest. De rechtbank stelt vast dat de aangever op verschillende momenten door de politie is gehoord en dat hij op hoofdlijnen telkens hetzelfde heeft verklaard. Dat de aangever in eerste instantie heeft verklaard dat hij € 180,- aan “ [naam 1] ” in bewaring had gegeven en daar later op terug is gekomen, doet daar niet aan af. Dat het de politie niet is gelukt in contact te komen met “ [naam 1] ”, leidt evenmin tot de conclusie dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn.
Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Zo is de aangever, direct nadat hij door de verdachten uit de auto werd gelaten, in shock (of in ieder geval ontdaan) aangetroffen door een onafhankelijke getuige (de melder) op straat. Die getuige heeft bovendien verklaard dat de aangever op dat moment aan het bellen was met (zo bleek later) zijn moeder, en dat hij al snel begreep dat de aangever ontvoerd was en dat zijn spullen (bril, sleutels en pinpas) waren weggenomen.
De rechtbank weegt verder mee dat de verklaringen van de aangever ook steun vinden in de Snapchatgesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft gevoerd met de aangever en met de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hieruit blijkt onder andere dat de aangever en [medeverdachte 1] een afspraak hadden om hasj te (ver)kopen en dat [medeverdachte 1] van plan was om de bankrekening van iemand te legen die om 18:00 uur bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag zou zijn. Dan zou [medeverdachte 1] , in zijn woorden, een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) op die persoon richten zodat hij zijn pas zou afstaan. Tot slot zijn de weggenomen goederen van aangever aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest.
Betrokkenheid van de verdachte
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat hij de door de aangever als “verdachte 2” beschreven verdachte is.
Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De aangever heeft als volgt verklaard. Op 24 februari 2024 omstreeks 18.00 uur had hij met [medeverdachte 1] afgesproken bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag om hasj te kopen. Toen de aangever naar de auto liep waar [medeverdachte 1] naast stond, is hij door [medeverdachte 1] op de achterbank van de auto geduwd en werd gelijk het portier dichtgedaan. In de auto zaten (naast de aangever) drie jongens: [medeverdachte 2] (verdachte 3) zat achter het stuur, [medeverdachte 1] (verdachte 1) ging rechts van de aangever op de achterbank zitten, nadat hij de aangever de auto had ingeduwd, en verdachte 2, door de aangever omschreven als een man van 16 jaar oud met een donkere huidskleur en vermoedelijk van Antilliaans of Surinaamse afkomst, zat al in de auto. Tijdens de autorit haalde [medeverdachte 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) uit zijn broeksband en gaf dit aan verdachte 2. Verdachte 2 richtte het vuurwapen meerdere malen op de aangever. [medeverdachte 1] pakte vervolgens de bril van de aangever af. Ook moest de aangever zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten aan [medeverdachte 1] afgeven en zijn (bank)apps openen, terwijl verdachte 2 het vuurwapen tegen zijn hoofd gedrukt hield. Vervolgens moest de aangever - onder dreiging van het vuurwapen - zijn pincode afstaan. Hierna heeft [medeverdachte 1] met de pinpas van de aangever € 450,- gepind. De aangever heeft vervolgens zijn telefoon teruggekregen van [medeverdachte 1] .
De van de aangever afgepakte bril en de weggenomen pinpas en sleutels zijn op 25 februari 2024 aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest. Volgens [medeverdachte 3] waren er die bewuste avond drie jongens in haar woning geweest, onder wie een persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”. Zij beschrijft [bijnaam] als een man jonger dan 18 jaar met een donkere huidskleur en lang rastahaar.
Op de telefoon van [medeverdachte 1] is een Snapchatgesprek van 24 februari 2024 aangetroffen, waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afspreken om iemand met een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) van zijn geld te beroven. Er werd afgesproken dat [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zou worden opgehaald op het adres [adres 2] en dat “ [bijnaam] ” ook mee zou komen. De buit zouden zij met zijn drieën verdelen.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en “ [bijnaam] ” een plan hadden gemaakt om iemand te beroven en dat dit plan ook daadwerkelijk is uitgevoerd.
Uit het dossier leidt de rechtbank verder af dat in één van de uitgeluisterde Teliogesprekken van [medeverdachte 1] (gevoerd vanuit de penitentiaire inrichting) het telefoonnummer van “ [bijnaam] ” met [medeverdachte 1] werd gedeeld door een onbekend gebleven persoon. Het telefoonnummer dat in het gesprek werd genoemd is [telefoonnummer] .
Uit de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er voorafgaand aan het incident op 24 februari 2024 contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] , oftewel het telefoonnummer van de persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”.
Uit het dossier volgt dat de verdachte in de politiesystemen staat geregistreerd als de mogelijke gebruiker van genoemd telefoonnummer. Dit gevoegd bij het feit dat de verdachte past in het signalement dat de aangever van “verdachte 2” en [medeverdachte 3] van “ [bijnaam] ” hebben verstrekt, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid als gebruiker van genoemd telefoonnummer kan worden aangemerkt.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 24 februari 2024 thuis was. Uit de onderzochte verkeersgegevens van de telefoon met voormeld telefoonnummer - aldus in gebruik bij de verdachte - blijkt echter dat er op die bewuste dag verplaatsingen hebben plaatsgevonden vanaf de omgeving [straatnaam 1] te Rijswijk naar de omgeving [straatnaam 2] te Den Haag. De politie concludeert op basis hiervan, en de rechtbank volgt die conclusie, dat de verdachte bij het voorval betrokken kan zijn omdat de verplaatsingen binnen de tijdlijn van het incident passen.
De hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien,
gevoegd bij de omstandigheid dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd die moet leiden tot een andere uitleg van de inhoud van die bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte één van de jongens is geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Er is sprake van een voortgezette handeling.
3.4.2. Dagvaarding 2 (09-219014-25)
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever heeft geschopt, maar dat dit uit zelfverdediging was. De rechtbank ziet in het dossier, waarin zich ook camerabeelden van het incident bevinden, echter geen reden om aan te nemen dat er sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.
3.5. De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding met parketnummer 09-131355-24
1
hij op 24 februari 2024 te 's-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever 1] in de auto te duwen en in te sluiten, en tegen de achterbank te drukken en te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de kniete richtenenophet hoofd van die [aangever 1] te zetten;
2
hij op 24 februari 2024 te ‘s-Gravenhage en/of Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en huissleutels en een pinpas en een pincode en een pakje sigaretten, dieaan die [aangever 1] toebehoorden, door aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en tegen het hoofd van die [aangever 1] te zetten, en tegen die [aangever 1] te zeggen "Geef je telefoon, pinpas, huissleutels en sigaretten" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke strekking;
3
hij op 24 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag,
dat aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken.
Dagvaarding met parketnummer 09-219014-25
hij op 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
het duwen en vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en
het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en
het meermaals trappen tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] , en
het meermaals slaan tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 76 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast eventueel een voorwaardelijke jeugddetentie - zonder bijzondere voorwaarden - als stok achter de deur of een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De verdediging heeft zich ten aanzien van de omvang van een eventuele taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenDe verdachte heeft zich op 24 februari 2024, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal. Het slachtoffer is een auto ingeduwd en door de verdachten gedurende enige tijd in die auto vastgehouden. Gedurende de autorit hebben zij een (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp op het slachtoffer gericht en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten en tot het openen van zijn (bank)apps. Ook hebben zij het slachtoffer onder bedreiging van het (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp gedwongen om zijn pincode af te staan, waarna zij met de afgeperste pinpas en pincode de bankrekening van het slachtoffer hebben leeggehaald.
De verdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid, psychische integriteit en het eigendomsrecht van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit de aangifte, waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich gedurende de autorit erg onveilig voelde en in paniek was. Ook in de periode na het incident heeft hij zich angstig en onveilig gevoeld. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent hem dit aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 22 maart 2025, samen met zijn vader, schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Daarbij hebben zij het slachtoffer onder andere tegen de grond gehouden en hem meermaals tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt. De verdachten hebben met hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het incident heeft bovendien plaatsgevonden op de openbare weg, meer specifiek op de trambaan. Niet alleen waren daardoor omstanders daarvan ongewild getuige, maar ook had dit tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Feiten als deze dragen bij aan gevoelens van angst en onrust in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder is veroordeeld voor feiten soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Persoon van de verdachte
Over de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt, maar deze zijn niet langer actueel. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, bespreken wat de deskundigen ter zitting over de verdachte naar voren hebben gebracht.
De deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft naar voren gebracht dat de Raad geen aanvullend onderzoek heeft kunnen doen. De Raad onthoudt zich daarom van een strafadvies en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
De deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft aangevoerd dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die waren verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis en zich goed aan de afspraken heeft gehouden. De jeugdreclassering blijft bij het eerder uitgebrachte advies dat een jeugdreclasseringsmaatregel niet langer nodig is en dat een werkstraf een passende straf is.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor diefstal met geweld/afpersing een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie opgenomen. Bij openlijke geweldpleging tegen personen geldt als uitgangspunt een taakstraf van 40 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere in het bijzonder genoemd; de aard en ernst van het geweld, bedreiging met/gebruik van een wapen, de plaats van het delict en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd door een minderjarige, bestaan geen oriëntatiepunten. In de regel worden hiervoor forse straffen opgelegd.
In dit geval weegt de rechtbank ten aanzien van de bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feiten in strafverzwarende zin mee dat sprake is van medeplegen. Ook acht de rechtbank strafverzwarend dat het slachtoffer is bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp).
Met betrekking tot de openlijke geweldpleging acht de rechtbank strafverzwarend dat deze heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan ongewild getuige zijn geweest. Als strafverzwarend weegt de rechtbank verder mee dat de verdachte fors geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt.
In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) sinds 10 juli 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank (zoals reeds overwogen) rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en past zij artikel 63 Sr toe.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank
- conform de eis van de officier van justitie - oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 44 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 76 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [aangever 2] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-219014-25 (dagvaarding 2). Anders dan gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank, gezien het tijdsverloop, geen aanleiding om aan de verdachte ook een contactverbod met het slachtoffer [aangever 1] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1), op te leggen.
In de aard en ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een
taakstraf in de vorm van een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.
7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
7.1..
[aangever 1] (dagvaarding 1, parketnummer 09-131355-24)
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling gevorderd.
7.1.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen indien de verdachte voor het onder feit 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld.
7.1.3. Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 450,-, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 450,-, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 450,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
7.2..
[aangever 2] (dagvaarding 2, parketnummer 09-219014-25)
[aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mevrouw [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 676,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 91,92 aan materiële schade en € 585,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
7.2.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het aandeel van de benadeelde partij in de vechtpartij en het gevorderde bedrag aan immateriële schade om die reden te matigen.
7.2.3. Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 91,92, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de normschending, het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen dat, kort gezegd, bestaat uit pijn aan zijn nek en rug.
De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(a) Herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ een bedrag tussen de € 1.450,00 tot € 2.675,00 genoemd. Het voorgaande in ogenschouw genomen en gelet op het geringe letsel van de benadeelde partij, zal de rechtbank de vergoeding voor geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 250,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 341,92, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:
dagvaarding 1 met parketnummer 09-131355-24 onder feit 1, feit 2 en feit 3;
dagvaarding 2 met parketnummer 09-219014-25;
tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert deze als:
in de zaak met parketnummer 09-131355-24
de voortgezette handeling van:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
en
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang
tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
in de zaak met parketnummer 09-219014-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentievoor de duur van120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 44 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf, te weten 76 (ZESENZEVENTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect en ook niet via sociale media - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit eenwerkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN;
de vorderingen van de benadeelde partijen
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 450,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 450,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2]gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 341,92 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag van € 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregelen
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 341,92, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de verdachte of door zijn mededader(s) aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.