ECLI:NL:RBDHA:2026:17378
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2333
Zaaknummer: C/09/701011
Datum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift.
Op 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. M.S. Odink als waarnemend advocaat en een tolk,
E. Roest;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: S. Steinert.
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] , Duitsland.
De man en de vrouw zijn beiden burgers van de Bondsrepubliek Duitsland. De
vrouw heeft daarnaast ook de Britse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, en met het bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en verder niet meer mag betreden;
een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van
€ 4.049,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de vrouw de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan hem toe te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat de woning uiteindelijk aan derden moet worden verkocht. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw vooralsnog de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen, gelet op haar inkomen en het feit dat de man op dit moment zelf geen inkomsten heeft.
De vrouw heeft ingestemd met het uitsluitend gebruik door de man en het voldoen van de hypotheeklasten, op de voorwaarde dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om persoonlijke spullen, zoals kleding, foto’s en administratie uit de woning op te halen. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw op zaterdag 16 mei 2026 de spullen ophaalt, waarbij een Duitse gast van de man aanwezig is. De man is op dat moment niet thuis. Gelet op het feit dat dit op de datum van de beschikking al heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze afspraak in het dictum op te nemen.
Nu partijen overeenstemming hebben over het uitsluitend gebruik, zal de rechtbank dit vastleggen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij.
Voorlopige partneralimentatie
Lotsverbondenheid
De man heeft verzocht om een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de lotsverbondenheid, als grondslag van de onderhoudsverplichting, tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de man. Dit bedrag bestaat uit intieme terreur, stalking, bedreigende berichten en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft de vrouw een eigen verklaring overgelegd, en ook verklaringen van haar therapeut en haar kinderen. De man betwist dat sprake is geweest van grievend gedrag. Hij erkent dat er een stopgesprek heeft plaatsgevonden bij de politie naar aanleiding van zijn berichten, maar wijt dit aan de emoties rondom het verbreken van de relatie. De man ontkent de door de vrouw beschreven gedragingen tijdens het huwelijk stellig. Volgens hem moeten zijn berichten anders geïnterpreteerd worden: niet als een bedreiging, maar als hoop op herstel van de relatie.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:156 Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is bij de beantwoording van de vraag of aan de (gewezen) echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend. Daar kan van worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid daar om vraagt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële omstandigheden, zoals grievend gedrag van de echtgenoot die om een onderhoudsbijdrage verzoekt. Er kan sprake zijn van grievend gedrag van een zodanige aard dat van een (gewezen) echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaringen van haar jong-meerderjarige kinderen heeft betwist, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om aan de feitelijke en zeer gedetailleerde beschrijvingen hierin te twijfelen. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man zich gedurende langere tijd zeer onaangenaam heeft gedragen. De rechter kan echter niet vaststellen dat het gedrag van dien aard is geweest dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken. In een bodemprocedure zal hier wellicht meer onderzoek naar gedaan kunnen worden.
De rechtbank zal het verzoek om een voorlopige partneralimentatie daarom hierna inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Daarbij merkt de rechtbank vooraf ook op dat bij de vaststelling van alimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen. Zoals in het navolgende zal blijken, is in dit geval echter sprake van een atypische situatie, omdat de vrouw werkzaam is voor de NAVO, een internationale organisatie. Zij is daardoor niet belastingplichtig in Nederland, waardoor steeds gerekend zal worden met netto bedragen. Verder is ook haar inkomen en de daarbij komende toelagen anders opgebouwd dan gebruikelijk, zodat de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding ziet om op bepaalde onderdelen af te wijken van voornoemde aanbevelingen om tot een bijdrage in het levensonderhoud te komen die aansluit op de feitelijke situatie van partijen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de vrouw in de afgelopen periode de hypotheeklasten van de woning heeft betaald en de man kennelijk in staat is geweest om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Behoefte en aanvullende behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man had ten tijde van het huwelijk geen inkomen. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij verdient bij de NAVO. Daarbij gaat de rechtbank uit van haar netto-inkomen, nu zij door haar baan bij een internationale organisatie in Nederland niet belastingplichtig is.
De rechtbank neemt daarbij haar loonstrook van december 2025 als uitgangspunt. Hieruit volgt:
een basissalaris van € 10.773,- per maand;
een expatriation allowance van € 1.025,- per maand;
een basic family allowance van € 653,- per maand.
Partijen zijn het erover eens dat de ‘child allowance’ niet zal worden meegenomen, omdat dit een toelage betreft voor de meerderjarige kinderen van de vrouw. Rekening houdend met de inhoudingen op het loon van in totaal € 1.513,- per maand is haar netto-inkomen € 10.937,- per maand. Daarbij is de vergoeding voor benzinekosten buiten beschouwing gelaten.
De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond
€ 6.562,- netto per maand (60% van € 10.937,- per maand). Hierop moet het inkomen van de man in mindering worden gebracht. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft, is zijn aanvullende behoefte in beginsel gelijk aan de behoefte op basis van de hofnorm, aldus € 6.562,- netto per maand.
Draagkracht
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen dat als volgt is opgebouwd:
een basissalaris van € 10.773,- per maand;
een expatriation allowance van € 1.025,- per maand;
een single parent allowance van € 422,- per maand.
Daarbij geldt ten aanzien van de laatstgenoemde toelage dat de rechtbank deze, anders dan door de vrouw betoogd, wel zal meenemen bij de berekening van het inkomen van de vrouw. Gebleken is dat de ‘single parent allowance’ na het verbreken van de relatie van partijen in de plaats komt van de ‘basic family allowance’. Het betreft daarmee geen aanvullende toelage ten behoeve van de kinderen. Voor hen ontvangt de vrouw de ‘child expatriation allowance’ en het ‘dependent child supplement’. Naar oordeel van de rechtbank moet het worden aangemerkt als een toelage voor extra kosten die een alleenstaande maakt. De vrouw heeft gesteld dat de ‘single parent allowance’ € 422,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier van uitgaat. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt, rekening houdend met dezelfde inhoudingen als bij de behoefte, dan € 9.863,- per maand.
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de volgende lasten in aanmerking:
de werkelijke woonlasten van de vrouw;
kosten van de kinderen.
Ad a)Gebleken is dat de vrouw op dit moment zowel de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning van € 2.123,- per maand voldoet als de huurlasten van haar tijdelijke woning van € 2.500,- per maand. Haar woonlasten zijn dus in totaal € 4.623,- per maand. Anders dan de man is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat aanleiding bestaat om rekening te houden met haar werkelijke woonlasten, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan op basis van het woonbudget van 30% van haar NBI (€ 2.959,- per maand).
Ad b)De vrouw heeft verder gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij draagt voor haar beide meerderjarige kinderen. Zij maakt aan hen ieder € 700,- per maand over en betaalt daarnaast losse kosten voor hen. In totaal betaalt de vrouw ongeveer € 1.100,- per maand per kind. De man betwist deze kosten. De kinderen van de vrouw zijn 21 en 23 jaar, zodat geen rekening meer moet worden gehouden met hun kosten. Uit de door de vrouw overgelegde toelichting volgt dat vanuit de NAVO rekening wordt gehouden met kosten van kinderen tot 22 jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met de kosten die de vrouw draagt voor het jongste kind van 21 jaar van € 700,- per maand, met aftrek van de toelages die zij voor dit kind ontvangt van € 522,- per maand. De aanvullende kosten zoals door de vrouw gesteld, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom rekening houden met kosten van het jongste kind van € 177,- per maand.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 3.875,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.325,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel vrouw in de kosten van het jongste kind van € 175,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 2.150,- netto per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud toewijzen tot een bedrag van € 2.150,- netto per maand en afwijzen voor het overige.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 2.150,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.