ECLI:NL:RBDHA:2026:17504
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706017 / JE RK 26-926
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;
de gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;
de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;
het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.
2. De feiten
2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.
3. Het verzoek
3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;
5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4..
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
8 juni 2026om09.00 uur;
5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
de Raad;
de moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;
de vader;
de gecertificeerde instelling;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.