Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17918

Tribunal

Amsterdam

Date

27 January 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.10147 (beroep)

NL25.10149 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 1975, van Ghanese nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister,

(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Eiser wenst verblijf bij zijn minderjarige dochter [persoon 1] op grond van artikel 20 van het VWEUop grond van het arrest Chavez-Vilchez.

1.1.. Met het besluit van 14 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. Met het besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.. Voorafgaand aan de zitting op 18 december 2025 heeft de (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met [persoon 1] . De rechtbank heeft voor [persoon 1] een aparte samenvatting van de beslissing gemaakt. Deze samenvatting is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak. Wat [persoon 1] tijdens dit kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank bij haar beoordeling betrekken.

1.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de moeder van [persoon 1] , I. Ben Smail als tolk in de taal Engels, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, omdat is gebleken dat hij niet in staat is tot betaling daarvan.

3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Achtergrond

5. Eiser is de biologische vader van zijn dochter [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2015. Zijn relatie met de moeder van [persoon 1] , [persoon 2] , is in 2018 geëindigd. Eiser is datzelfde jaar naar Duitsland verhuisd maar is in 2022 teruggekeerd naar Nederland. Op 28 april 2023 heeft eiser verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind. Hij wil graag verblijf bij [persoon 1] , die op dit moment tien jaar oud is.

Besluitvorming

6. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden c en d van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Volgens de minister heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [persoon 1] . Eiser heeft de zorg- en opvoedingstaken niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en [persoon 1] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [persoon 1] gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser heeft geen bewijsstukken hiervan overgelegd. Uit de BRPblijkt dat [persoon 1] vanaf haar geboorte hoofdverblijf heeft bij haar moeder.

6.1.. Volgens de minister komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar privéleven en gezinsleven, maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit.

Ten aanzien van de toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez

Juridisch kader

7. Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van Chavez-Vilchez is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd.Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland.In paragraaf B10/2.5 van de Vc staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan:

a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken;

b. de vreemdeling moet een kind jonger dan achttien jaar hebben dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Het is aan de vreemdeling om met voldoende bewijsstukken aan te tonen dat hij aan deze voorwaarden voldoet. Voor het vaststellen van een recht op Chavez is de periode vanaf het moment van aanvraag tot er een besluit is genomen van belang. In beroep ligt daarom de periode tot het bestreden besluit voor.

7.1.. In de uitspraak van de Afdelingvan 22 juli 2025is geoordeeld over de vraag of de bovengenoemde vereisten uit de Vc cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht, onjuist is. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet goed voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht.Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.

7.2.. Uit het arrest van het Hof van 22 juni 2023, X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, blijkt dat er een ex-nunc toetsing dient plaats te vinden van de feitelijke gezinssituatie en dat het daarbij niet van belang is of (de andere) ouder de dagelijkse daadwerkelijke zorg op zich zou kúnnen nemen.

Standpunt eiser

8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd omdat hetgeen eiser heeft aangevoerd in de procedure onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verklaringen, meerdere verklaringen van de moeder, foto’s met [persoon 1] , screenshots van videobellen, twee verklaringen van de school, een verklaring van de kerk, kopieën van treintickets naar Duitsland en betaalbewijzen vanuit Duitsland, overgelegd. Eiser voert aan dat de minister, gelet op de vrije bewijsleer, heeft nagelaten alle ingebrachte informatie voldoende in onderlinge samenhang te beoordelen. Verder meent eiser dat de minister wel degelijk zo nodig met een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, moeten onderzoeken wat de gevolgen voor [persoon 1] zouden zijn als haar vader hier niet mag blijven.

Standpunt minister

8.1.. De minister heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende met verklaringen en overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht. Dit is volgens de minister slechts in beperkte mate gebleken. Zo ontbreken de bezoeken aan Duitsland in het verleden een aannemelijke en verifieerbare onderbouwing, en zeggen deze bezoeken bovendien niets over eventuele zorgtaken. Ook zijn de verklaringen van eiser, moeder, kerk en leerkracht volgens de minister onvoldoende, nu deze grotendeels op zichzelf staan en ondersteuning ontbreken. De verklaringen bieden bovendien geen inzicht in de vragen sinds wanneer en met welke frequentie deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de financiële ondersteuning. De overgelegde foto’s zijn niet gedateerd en betreffen bovendien een momentopname. Volgens de minister zegt dit niets over de feitelijke zorg en opvoedingstaken. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd van zijn afspraken met de moeder van [persoon 1] wat betreft de verzorging en opvoeding, zoals een ouderschapsplan of omgangsregeling.

Oordeel van de rechtbank

8.2.. Vooropgesteld is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft nagelaten de belangen van [persoon 1] kenbaar bij de besluitvorming te betrekken en voorop te stellen. In het arrest XU en QP overweegt het Hof:

"66. Meer in het bijzonder dient met het oog op de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, dat Unieburger is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan zijn ouder, die een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, te worden bepaald of deze ouder de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. In het kader van deze beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest"), waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind, dat samenvalt met het recht van dit kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, zoals neergelegd in artikel 24, lid 3, van het Handvest.”

De minister heeft niet stilgestaan bij de vragen wat het vertrek van eiser voor [persoon 1] en haar psychische gesteldheid voor de emotionele en/of fysieke ontwikkeling betekent. De minister had dit als uitgangspunt moeten nemen en, eventueel via de Raad van de Kinderbescherming, het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als zij van eiser zouden worden gescheiden, moeten onderzoeken. Met andere woorden, de minister had actief de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van eiser voor [persoon 1] moeten onderzoeken en betrekken. Artikel 3 van het IVRKen artikel 24 van het Handvestverplichten de minister daartoe. De beroepsgrond slaagt.

8.3.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser, anders dan de minister stelt, aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor [persoon 1] verricht. Hoewel eiser zijn aanvraag niet heeft onderbouwd met objectieve stukken, overweegt de rechtbank dat de minister in dit geval heeft nagelaten alle relevante informatie in onderlinge samenhang te betrekken en te beoordelen. De minister heeft in zijn besluitvorming niet goed gekeken naar de feitelijke situatie van eiser en [persoon 1] . De rechtbank stelt vast dat eiser van meet af aan consistent heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij het leven van zijn dochter. Zo is naar voren gebracht dat hij na de geboorte van zijn dochter in 2015 een jaar in Nederland is gebleven en voor haar heeft gezorgd, en na zijn vertrek in 2016 naar Duitsland zijn dochter hem regelmatig in de zomervakanties heeft bezocht. In 2022 is eiser terug naar Nederland gekomen om bij zijn dochter te zijn. [persoon 1] is meestal elk weekend bij eiser en doordeweeks is er ook regelmatig contact. Eiser heeft met de moeder van [persoon 1] afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval van eiser een ouderschapsplan of een omgangsregeling wordt verlangd. Uit de verklaringen van beide ouders en de ter zitting en tijdens de hoorzitting gegeven toelichting blijkt dat zij na het uiteengaan nog steeds in goed onderling contact staan en dergelijke afspraken daarom niet op papier hoeven te worden gezet.

8.4.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk naar voren komt dat eiser in de afgelopen jaren een belangrijke rol in het leven van zijn dochter is gaan spelen. Eisers verklaringen zijn niet alleen consistent, maar worden bovendien ondersteund door de ingebrachte stukken en verklaringen van moeder en [persoon 1] . Zo wordt eisers verklaring dat hij [persoon 1] vroeger twee keer per week van school haalde, maar dat zij inmiddels zelfstandig genoeg is om alleen met de metro te gaan, ondersteund door de brieven van de school. Daarin is vermeld dat eiser gedurende groep vier regelmatig zijn dochter kwam ophalen, en dat [persoon 1] in groep vijf zelfstandig met de metro naar school en huis reist. Ook volgt uit deze brieven dat beide ouders nog steeds regelmatig bij schoolactiviteiten aanwezig zijn. Verder blijkt uit de brief van de kerk dat eiser, zoals hij naar voren heeft gebracht, op zondag zijn dochter naar de kerk brengt. Eisers betrokkenheid blijkt bovendien ook uit de grote hoeveelheid foto’s die zijn overgelegd. De verklaringen van [persoon 1] , zoals zij deze in het kindgesprek tegenover de rechtbank heeft gegeven, zijn bovendien in lijn met die informatie. [persoon 1] heeft verklaard dat zij elk weekend bij haar vader is en soms in totaal drie of vier dagen per week bij hem slaapt en verblijft. En als moeder bijvoorbeeld moet werken, dan komt eiser naar het huis van moeder om op [persoon 1] en haar broertjes te letten. [persoon 1] verklaarde dat zij liever vaker bij haar vader zou zijn, en wanneer zij niet samen zijn, zij om de dag appen of bellen. Verder heeft zij aangegeven, en zoals ook door eiser is verklaard, dat haar vader haar helpt met huiswerk, haar naar zwemles heeft gebracht en haar geholpen heeft met fietsen. [persoon 1] krijgt van eiser af en toe zakgeld van vijf of tien euro. Ook verklaarde zij hoe haar vader af en toe op school komt om haar juf of meester te groeten. Eiser heeft in dit verband terecht aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021, dat de minister in dit geval meer gewicht had moeten toekennen aan de verklaringen van moeder. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [persoon 1] ook veel gewicht in de schaal legt. Dit omdat personen in de omgeving van eiser juist in de positie zijn om te verklaren over de aard en omvang van de zorgtaken die de eiser voor zijn dochter verricht. De minister heeft zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van slechts geringe zorg- en opvoedtaken. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser ongeveer de helft van de week zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter. De beroepsgrond slaagt.

8.4.. Met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie overweegt de rechtbank nog het volgende. In het bestreden besluit is ten onrechte overwogen dat de onderzoeksplicht van de minister niet wordt geactiveerd, onder verwijzing naar een drietal uitspraken daterend van 2019 en 2020, omdat eiser de dagelijkse zorg niet zou hebben aangetoond. Dit standpunt kan, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 juli 2025, niet langer worden gevolgd, nu niet langer sprake is van cumulatieve vereisten. Daargelaten dit uitgangspunt heeft eiser, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 8.3 en 8.4, de afhankelijkheidsrelatie voldoende aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich dan ook niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding geen sprake is.

Ten aanzien van de toetsing aan artikel 8 van het EVRM

9. Eiser voert tot slot terecht aan dat de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM ook onzorgvuldig is geweest en ondeugdelijk is gemotiveerd. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt zijn niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Zo zijn de belangen van de kinderen niet vooropgesteld, geïnventariseerd en betrokken. Dat het familieleven met eiser op afstand kan worden voortgezet, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, geeft geen blijk van het betrekken van de feitelijke gezinssituatie. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat in de belangenafweging ook niet is betrokken dat voor het gezin subjectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Ghana uit te oefenen. Daarbij heeft de minister onvoldoende onderkend dat [persoon 1] in Nederland is geboren en getogen, dat de ouders geen relatie (meer) hebben en dat een vertrek van eiser tot gevolg zou hebben dat [persoon 1] wordt gescheiden van de moeder. Ook is niet inzichtelijk betrokken dat de moeder in Nederland werkzaam is en dat de twee minderjarige halfbroers van [persoon 1] , die een andere vader hebben, hier verblijven. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12 (motiveringsbeginsel) van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen.

11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

12. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10147,

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10149.

  • wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over het hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 1]

Beste [persoon 1] ,

Op 18 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je het oneerlijk vindt dat jouw vader niet in Nederland mag wonen. Je had al een band met jouw vader voordat je überhaupt geboren was. Die band wil jij niet verliezen. Ook heb je mij verteld hoe vaak je papa ziet en wat je dan samen met hem doet. Je hebt verteld dat je blij van papa wordt. Hij betekent voor jou een vriend, maar dan wel familie.

Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.

Vlak na ons gesprek was de zitting. Ik heb toen met jouw ouders gepraat en de advocaat. Ik heb ook gepraat met de meneer die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing. Ik heb gekeken naar het dossier en alles wat op de zitting is gezegd, maar ook wat jij tegen mij hebt gezegd.

Jouw vader heeft gevraagd of hij bij jou in Nederland mag blijven. De minister heeft gezegd dat hij dat niet mag. Mijn beslissing is dat de minister nog een keer goed naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent om zonder zijn aanwezigheid te leven. De minister moet nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.

Mijn beslissing betekent niet dat jouw vader definitief in Nederland mag blijven. De minister

moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de

minister daarvoor een termijn van acht weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen

deze termijn een nieuw besluit krijgen.

Als jouw vader of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen

vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger

beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister

een nieuw besluit nemen.

Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij

ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing

heb genomen.

Groetjes,

De rechter.

Europese Unie/Europese Economische Ruimte.

Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354.

Vreemdelingencirculaire 2000.

Basisregistratie Personen.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak.

Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 70.

Op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2025:3344.

ECLI:NL:RVS:2023:1962, onder 4.

ECLI:NL:RVS:2021:1821, onder 3.1.

ECLI:EU:C:2023:499.

Onder 52 en 62.

Verdrag inzake de rechten van het kind.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

ECLI:NL:RVS:2021:2095.

Algemene wet bestuursrecht.

Plus de Décisions