ECLI:NL:RBDHA:2026:17925
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28927
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep deels gegrond is.Eiser krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Met het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een mvv aan eiser afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder is met het besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven en heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, [de moeder van referent] (de moeder van [referent] ), en [tolk] als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij woont in Zuid-Soedan. Hij wil in Nederland bij zijn vrouw en zijn kinderen verblijven. Referent, de zoon van eiser, heeft op 5 mei 2022 daarom een aanvraag ingediend om eiser toegang te verlenen tot Nederland, maar deze aanvraag is in het primaire besluit afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder weliswaar aanneemt dat er tussen eiser en referent familie- of gezinsleven is, maar dat de belangenafweging in het nadeel
van eiser en referent uitvalt. Volgens verweerder weegt het economische belang van de Nederlandse staat en het belang om een restrictief toelatingsbeleid te kunnen voeren zwaarder dan het belang van eiser om naar Nederland te komen. Hierbij is van belang dat ook een aanvraag kon worden ingediend door de moeder van referent en dat zij niet over financiële middelen beschikken om eiser te kunnen onderhouden. Verder is er geen objectieve belemmering om gezinsleven in Eritrea te kunnen uitoefenen. Ook kunnen eiser en referent gezinsleven uitoefenen in Zuid-Soedan, omdat ze een band hebben met dat land. Eiser woont al ongeveer 14 jaar in Zuid-Soedan en hij werkt daar. Daarnaast hebben referent, zijn moeder en zusje ook meerdere jaren in Zuid-Soedan gewoond. Eiser en referent hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan daar geen gezinsleven kunnen uitoefenen. Ook is niet gebleken dat het belang van het kind eraan in de weg staat om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan. Tot slot weegt verweerder mee dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch voort te blijven zetten en dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. Verweerder heeft vervolgens getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van het arrest [naam] .Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan het vereiste dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht en dat referent zodanig van hem afhankelijk is dat hij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt in Nederland.
Restrictief toelatingsbeleid en economisch belang
3. Eiser voert aan dat ten onrechte in het nadeel is meegewogen dat er geen aanvraag is
ingediend door de moeder van referent. Zij dacht namelijk dat eiser op het moment van het indienen van de aanvraag een andere partner had. Het kan ook niet aan referent worden tegengeworpen dat de ouders voor hem een aanvraag hebben ingediend. Daarnaast is het economisch belang onterecht in het nadeel meegewogen. Referent is namelijk te jong om te werken. Ook de moeder van referent kan niet werken, omdat de kinderen inmiddels de leerplichtige leeftijd hebben. Verweerder had haar hierover moeten horen. In de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU wordt benadrukt dat gezinshereniging niet onmogelijk kan worden gemaakt door de voorwaarde dat iemand financieel zelfstandig moet zijn. Bovendien wil eiser in Nederland werken.
4. De rechtbank is van oordeel dat het restrictief toelatingsbeleid niet ten onrechte in het nadeel van eiser is meegewogen. Dat de moeder van referent dacht dat eiser een andere partner had, maakt het belang van verweerder niet anders.
5. Verweerder heeft verder het economisch belang niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Hierbij is van belang dat de moeder van referent niet werkt. Dat zij niet werkt vanwege de leerplichtige leeftijd van haar kinderen heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om tot een andere conclusie te komen. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij moeite heeft gedaan om werk te vinden of dat dit onmogelijk was vanwege de leeftijd van de kinderen. Het is allereerst aan haar om dit te onderbouwen. Verweerder heeft haar daarom niet hoeven horen. De stelling van eiser dat hij hier wil werken maakt dit ook niet anders, nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser mogelijk wel gebruik zal maken van publieke voorzieningen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Aard en intensiteit gezinsleven
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de scheiding niet vrijwillig was, maar dat sprake was van een vluchtsituatie. In de periode dat ze bij elkaar leefden was hij, vader, soms afwezig, omdat hij moest werken om het gezin te onderhouden. Verweerder had ook meer waarde moeten hechten aan de verklaring van de leerkrachten, omdat het een observatie is van de leerkrachten die referent dagelijks spreekt en ziet.
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven onvoldoende is om aan eiser een verblijfsvergunning te moeten verlenen. Hierbij is van belang dat eiser een toestemmingsverklaring heeft ondertekend. Daardoor heeft verweerder kunnen stellen dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. De verklaring van de leerkrachten heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht, omdat de leerkrachten geen gedragsdeskundigen zijn. De stelling dat het niet goed gaat met referent vanwege het feit dat zijn vader niet bij hem is, is dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch te blijven uitoefenen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk zou zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Objectieve belemmering Eritrea
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een objectieve belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Eritrea. Hij is namelijk illegaal Eritrea uitgereisd. Ook kan referent in een razzia terecht komen en geldt voor zowel eiser als referent een dienstplicht. Daarbij komt dat uit het landenbeleid van verweerder blijkt dat asielaanvragen van Eritreeërs vanwege een illegale uitreis of vanwege de dienstplicht worden ingewilligd.Dat eiser een paspoort heeft kunnen krijgen wordt ten onrechte tegengeworpen, nu uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2015 blijkt dat het makkelijker is om vanuit het buitenland een paspoort te verkrijgen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in een asielprocedure dient te worden beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Eritrea gevaar loopt vanwege de dienstplicht. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk illegaal Eritrea is uitgereisd. Verweerder heeft daarbij terecht meegewogen dat eiser een geldig paspoort heeft kunnen krijgen, waarvan de geldigheidsduur nadien ook nog is verlengd. De stelling van eiser dat het vanuit het buitenland makkelijker is om een paspoort te verkrijgen heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om de illegale uitreis aannemelijk te achten. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geen objectieve belemmering aangenomen voor uitoefening van gezinsleven in Eritrea. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Binding met Zuid-Soedan en het belang van het kind.
10. Eiser voert aan dat er in Zuid-Soedan sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser geen geschikte woonruimte heeft en dat referent geen verblijfsrecht heeft in Zuid-Soedan.
11. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17022, volgt dat eiser in deze stelling gevolgd moet worden. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in Zuid-Soedan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarom is onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan en dat dit niet in strijd is met het belang van het kind. Deze beroepsgrond slaagt en het beroep is in zoverre gegrond.
Gelet op het voorgaande is echter niet gebleken dat gezinsleven niet in Eritrea kan worden uitgeoefend en dat onvoldoende gemotiveerd is dat de belangenafweging voor het overige in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand laten.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op de overweging dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan, omdat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het motiveringsbeginsel.De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de motivering dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan. Het beroep is voor het overige ongegrond. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.
13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan eiser vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 4 juni 2025 voor zover daarbij is overwogen dat gezinsleven kan
worden uitgeoefend in Zuid-Soedan;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868
(eenduizendachthonderdachtenzestig).
Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:EU:C:2017:354.
Eiser verwijst naar paragraaf C7/13.4.1.1 tot en met paragraaf C7/13.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Richtlijn 2011/95/EU.
Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1200 en ECLI:NL:RBDHA:2025:1201; een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 april 2025, ECLI:NLRBDHA:2025:6210; en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9411.
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:46 van de Awb.