[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18000":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18000":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1859","ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL21.18286\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit weliswaar vernietigd moet worden, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Dat betekent dat eiseres wel gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is, maar dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen omdat hij de aanvraag wel terecht heeft afgewezen. De minister had het besluit namelijk niet goed gemotiveerd, maar hij heeft dat in beroep alsnog gedaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar (gestelde) vader [naam vader\u002Freferent] (referent) in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2021 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft op 16 mei 2023 nog een aanvullende motivering verzonden.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor verblijf bij referent. Referent woont al langere tijd in Nederland. Hij heeft rechtmatig verblijf onder de beperking ‘residence card for a family member of an EU citizen’. Hij verblijft onder die beperking bij zijn Nederlandse kinderen. Eiseres is in 2008 geboren uit een eerdere relatie. In 2019 is het contact tussen eiseres en referent ontstaan dan wel hersteld.\n\n3.1.. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om een aantal verschillende redenen. Zo is voor inwilliging van de aanvraag vereist dat referent ten tijde van die aanvraag al minimaal één jaar houder is van een verblijfsvergunning regulier. Daarvan was volgens de minister geen sprake ten tijde van het primaire besluit. Verder voldeed referent ten tijde van het primaire besluit volgens de minister niet aan het middelenvereiste, omdat hij een uitkering ontving op grond van de Participatiewet. Bij de aanvraag ontbraken volgens de minister ook een aantal bewijsstukken, zoals een gelegaliseerde geboorteakte van eiseres, een document waaruit blijkt dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres, een paspoort van de achterblijvende moeder in het land van herkomst en bewijsstukken waaruit blijkt dat eiseres al voor het vertrek van referent uit Sierra Leone tot zijn gezin behoorde. De minister nam verder niet aan dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zodat eiseres ook niet op die grond moest worden toegestaan om in Nederland te verblijven.\n\n3.2.. In bezwaar heeft eiseres onder andere naar voren gebracht dat referent niet langer een beroep doet op de uitkering op grond van de Participatiewet. Hij werkt namelijk inmiddels in loondienst. Verder heeft eiseres erop gewezen dat op de achterzijde van de door haar overgelegde geboorteakte wel een stempel ter legalisatie aanwezig is. Eiseres heeft verder een ‘voter id-card’ van haar achterblijvende moeder overgelegd en screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en referent om hun familieband te onderbouwen.\n\n3.2.1.. De minister heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister erkent in dat besluit dat het verblijfsrecht dat referent ontleent aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) niet als tijdelijk verblijfsrecht staat vermeld in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het moet volgens de minister echter wel worden gelijkgesteld aan een tijdelijk verblijfsrecht. Het inkomen dat referent ten tijde van het bestreden besluit inmiddels genereerde is verder volgens de minister niet voldoende en ook niet duurzaam. Referent voldoet daarom nog steeds niet aan het middelenvereiste. Op de id-kaart van de moeder van eiseres staat geen handtekening, zodat deze niet vergeleken kan worden met de handtekening op de toestemmingsverklaring waaruit zou moeten blijken dat de (achterblijvende) moeder van eiseres toestemming geeft voor het vertrek van eiseres. De minister stelt zich verder op het standpunt dat ook in bezwaar niet is gebleken dat referent het rechtmatige gezag heeft over eiseres en dat tussen hen geen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is aangetoond dat sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen referent en eiseres.\n\n3.3.. In beroep heeft de minister verzocht de zaak aan te houden. Uit rechtspraak van na het bestreden besluit volgt dat een derdelander ouder met een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU onder voorwaarden verblijfsgever kan worden voor een derdelander (voor)kind. De minister heeft daarom besloten om eiseres alsnog te horen over haar bezwaar en heeft haar daartoe gevraagd een aantal bewijsstukken te overleggen en vragen te beantwoorden.\n\n3.3.1.. Eiseres heeft in reactie op de vragen van de minister een aantal bewijsstukken overgelegd. Zij heeft foto’s overgelegd van een recent bezoek van referent aan haar in Nigeria. Verder heeft zij screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en (naar gesteld) referent overgelegd. Ook is een geboorteakte overgelegd, een overlijdensakte van de moeder van eiseres en een bewijs dat er geld is overgemaakt aan de man waar eiseres sinds het overlijden van haar moeder verblijft. Eiseres en referent zijn ook gehoord over hun bezwaarschrift.\n\n3.3.2.. De minister heeft op 16 mei 2023 een stuk ingediend met aanvullende motivering. Uit die motivering blijkt dat de tijdelijke aard van het verblijfsrecht van referent niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen. Wel handhaaft de minister het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van hechte, persoonlijke banden en dat eiseres om die reden niet feitelijk tot het gezin van referent behoort. De minister betrekt daarbij onder andere dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent al voor 2019 contact had met eiseres, dat het contact blijkens de WhatsApp-gesprekken nog steeds niet als intensief is aan te merken en dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent betrokken is bij de opvoeding en verzorging van eiseres. Dat de moeder van eiseres ten tijde van het aanvullende besluit inmiddels was overleden maakt niet dat eiseres daardoor afhankelijk is van referent, nu zij verblijft bij een man die ook voor het overlijden van haar moeder hielp met de verzorging en opvoeding van eiseres.\n\n3.3.2.1. Eiseres heeft gereageerd op de aanvullende motivering van 16 mei 2023.\n\n3.3.3.. Blijkens het dossier heeft het zusje van eiseres, [naam zusje] ([naam zusje]), op een later moment ook een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. Dat dossier is geen onderdeel van de onderhavige beroepsprocedure. De minister betrekt het dossier van [naam zusje] toch bij de zaak van eiseres, omdat [naam zusje] bij haar aanvraag een aantal van dezelfde documenten heeft overgelegd als eiseres, waaronder de overlijdensakte van hun moeder. In de procedure van [naam zusje] heeft de minister dat document door Bureau Documenten laten onderzoeken. Die onderzoeksresultaten heeft de minister wél toegevoegd aan het dossier in deze zaak. Bureau Documenten concludeert dat de overlijdensakte een valse legalisatie bevat. [naam zusje] heeft ook een aantal andere documenten overgelegd die niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en die frauduleus zijn gelegaliseerd en\u002Fof verkregen. De minister twijfelt daarom ook aan de door eiseres overgelegde documenten en heeft eiseres verzocht haar geboorteakte in het origineel te overleggen, om alsnog onderzocht te kunnen worden door Bureau Documenten. Eiseres heeft aan dit verzoek voldaan.\n\n3.3.4.. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 7 november 2023 volgt dat de door eiseres overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, omdat de verschijningsvorm en opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Verder is volgens Bureau Documenten de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken vals, omdat die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.4.1. De minister stelt zich als gevolg hiervan op het standpunt dat de geboorteakte de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet alsnog heeft onderbouwd en zelfs ontkracht dat sprake is van een dergelijke relatie.\n\n3.3.4.2. In reactie op de verklaring van onderzoek van 7 november 2023 heeft eiseres aangekondigd een contra-expertise te willen laten uitvoeren door de ambassade van Sierra Leone. Eiseres heeft verder een aantal nieuwe documenten overgelegd:\n\n - een nieuwe geboorteakte met legalisatie;\n\n - een rapport van 1 februari 2024 van de school van eiseres;\n\n- een brief van de school van eiseres waarin onder andere staat dat referent de schoolkosten betaalt en verantwoordelijkheid neemt voor zijn dochter;\n\n- een schoolrapport van schooljaar 2022\u002F2023 en\n\n- een ‘school leaving certificate and testimonial’.\n\n3.3.5.. De minister heeft de door eiseres overgelegde documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Uit dat onderzoek blijkt dat de geboorteakte echt is, maar wordt het voorbehoud gemaakt dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte de eerdere (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden) geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Verder zijn op de door eiseres aangeleverde schooldocumenten wijzigingen aangetroffen en\u002Fof wijken zij af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.5.1. Eiseres heeft op dit laatste onderzoek gereageerd. Daarbij heeft eiseres onder andere gesteld dat voor de geboorteakte geen fotokopie van de eerdere geboorteakte is gebruikt.\n\n3.3.6. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\nIs het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?\n\n4. De minister heeft eiseres na het indienen van haar beroep alsnog gehoord en heeft daarna ook een aanvullende motivering uitgebracht. In die aanvullende motivering heeft de minister expliciet aangegeven dat de aard van het verblijfsrecht niet langer wordt tegengeworpen. De minister heeft zijn standpunt dus gewijzigd. De rechtbank leidt daaruit af dat de minister van mening is dat het besluit van 26 oktober 2021 onvoldoende (of onjuist) was gemotiveerd. Dat besluit komt alleen daarom al voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond.\n\n4.1.. De rechtbank zal hieronder aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en de door de minister gegeven aanvullende motivering beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is.\n\nWat zijn de afwijzingsgronden die ten grondslag liggen aan de afwijzing van de aanvraag van eiseres?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat de minister de volgende afwijzingsgronden ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit om de aanvraag van eiseres voor verblijf als familie- of gezinslid bij referent af te wijzen: referent voldoet niet aan het middelenvereiste, er is geen controleerbare toestemmingsverklaring van de overblijvende ouder overgelegd en niet is aangetoond dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Eiseres heeft hiertegen beroepsgronden ingediend waar de rechtbank hieronder op zal ingaan.\n\nMocht de minister het middelenvereiste aan eiseres tegenwerpen?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de inkomsten van referent niet voldoende en ook niet duurzaam zouden zijn. De minister heeft volgens eiseres namelijk ten onrechte en in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn niet gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval, met name de beoordeling van het risico dat een beroep wordt gedaan op de openbare kas. Van belang is namelijk dat de inkomsten toereikend zijn en in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat referent niet aan het in de Nederlandse wetgeving geformuleerde middelenvereiste voldoet is blijkens de beroepsgrond niet in geschil. In geschil is de vraag of de minister dat ook aan eiseres mocht tegenwerpen, omdat het risico laag zou zijn dat eiseres ten laste zou komen van het stelsel van sociale bijstand en omdat aan de geest van de wet met betrekking tot de hoogte en de duurzaamheid van de middelen zou zijn voldaan. Zoals de minister ook in het verweerschrift aanhaalt volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn dat lidstaten mogen verzoeken om bewijs dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hem en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Die bepaling is onder andere geïmplementeerd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.73 en verder van het Vreemdelingenbesluit 2000. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de beoordeling conform die artikelen heeft verricht. Daarbij heeft de minister voldoende rekening gehouden met eventuele uitzonderingsgronden en ook voldoende individueel getoetst of het inkomen van referent valt aan te merken als ‘stabiel’ en ‘regelmatig’. Juist nu daaraan niet wordt voldaan kunnen de inkomsten, anders dan eiseres stelt, niet worden aangemerkt als ‘in zekere mate bestendig en continu’. Dat de inkomsten wel als zodanig moeten worden aangemerkt en dat daarom redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand volgt de rechtbank dus niet. Dat de minister met zijn beoordeling in strijd zou hebben gehandeld met de Gezinsherenigingsrichtlijn is door eiseres verder niet onderbouwd.\n\nMocht de minister eiseres tegenwerpen dat geen toestemmingsverklaring van haar achterblijvende moeder is overgelegd, mede gelet op de overgelegde overlijdensakte?\n\n7. Eiseres voerde in eerste instantie aan dat de minister haar moeder in de gelegenheid had moeten stellen een toestemmingsverklaring te tekenen op de Nederlandse ambassade, nu er voor haar geen identiteitsdocument met handtekening aanwezig is. Gedurende de beroepsprocedure is de moeder van eiseres (naar gesteld) overleden. Dat is volgens eiseres voldoende aannemelijk gemaakt. Een toestemmingsverklaring kan daarom volgens eiseres niet langer worden verlangd.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres overgelegde overlijdensakte door Bureau Documenten vals is bevonden. Dat is door eiseres niet bestreden met de stelling dat navraag bij de Sierra Leoonse autoriteiten leerde dat zij geen nieuwe overlijdensakte zullen afgeven. Dat, zoals eiseres stelt, ook uit andere stukken zoals verklaringen van referent, verklaringen van de man waar eiseres nu bij verblijft en medische stukken die betrekking hebben op de moeder, voldoende zou blijken dat de moeder is overleden volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister terecht veel waarde hecht aan het feit dat de overgelegde overlijdensakte vals is bevonden. De andere door eiseres overgelegde stukken maken niet dat de minister alsnog moest uitgaan van het overlijden van de moeder van eiseres, zodat van haar niet langer een toestemmingsverklaring mocht worden verlangd. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat ook uit de andere overgelegde stukken eigenaardigheden blijken. Zo heeft Bureau Documenten geoordeeld dat ook de legalisatie op de verklaring van het ziekenhuis van 25 januari 2022 en de verklaring van 11 april 2021 vals zijn. Daarnaast klopt de leeftijd van de patiënte waar de ziekenhuisverklaring over gaat niet met de gestelde leeftijd van de moeder van eiseres en is de diagnose en het ziekteverloop in die verklaringen anders dan eerder door referent is gesteld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat deze constateringen voor het eerst in het verweerschrift konden worden opgenomen. De overlijdensakte is eerst in de beroepsfase overgelegd en vervolgens vals bevonden. De minister kon zich daarom eerst in die fase inhoudelijk uitlaten over die akte en over de gevolgen die dit heeft voor de waardering van de overige overgelegde documenten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om ter zitting op deze standpunten te reageren en daarvan ook gebruik heeft gemaakt.\n\nMocht de minister van eiseres verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft?\n\n8. Eiseres betoogt dat de minister niet van haar mag verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft. De minister miskent daarmee namelijk dat het vaderschap vaststaat en niet wordt betwist. In Sierra Leone wordt gezag dan automatisch aangenomen.\n\n8.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres veronderstelt wordt door de minister namelijk wel betwist dat het vaderschap vaststaat. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond. Hoewel dat standpunt niet zo expliciet volgt uit de overwegingen met betrekking tot het gezag, volgt dat standpunt wel uit de beoordeling die de minister heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft op zitting toegelicht dat die beoordeling ook ziet op de vraag of wordt aangenomen dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat zal de rechtbank dan ook hieronder beoordelen in het kader van artikel 8 van het EVRM.\n\nHeeft de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie\u002Ffamilie- en gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent?\n\nFamilierechtelijke relatie\n\n9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie aanneemt tussen haar en referent. Allereerst is onduidelijk waar de minister op baseert dat referent en de moeder van eiseres geen relatie hadden ten tijde van de geboorte van eiseres. De minister verbindt daar dus ten onrechte de conclusie aan dat alleen al om die reden geen sprake is van familie- of gezinsleven. De minister heeft ook met betrekking tot de documenten die zijn overgelegd om het familie- of gezinsleven aan te tonen onvoldoende voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht. Uit de bevindingen van Bureau Documenten blijkt namelijk niet waarom de vaststelling dat de verschijningsvorm, de opmaak en afgifte van de geboorteakte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal leidt tot de conclusie dat deze waarschijnlijk niet echt is.\n\n9.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent primair een geboorteakte is overgelegd die vals is bevonden. Daar hecht de minister terecht veel waarde aan. Dat de minister niet zou hebben voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek waaruit volgt dat de geboorteakte vals is, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van verklaringen van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. Een situatie zoals hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal de minister nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door zelf de onderliggende stukken van de desbetreffende verklaring van onderzoek in te zien.Niet alleen heeft eiseres niet gemotiveerd betwist dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, maar de minister heeft blijkens de in het dossier opgenomen vergewisbrief ook reeds de onderliggende stukken van de verklaring van onderzoek over de geboorteakte ingezien. De enkele stelling dat de minister zich onvoldoende vergewist zou hebben omdat uit de verklaring van onderzoek niet zou blijken waarom de opmaak en afgifte van de geboorteakte af zouden wijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister daar nog verder in zou moeten gaan. Het uitgangspunt blijft namelijk dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.\n\n9.2.. In beroep heeft eiseres nog een nieuwe geboorteakte ingebracht. Dat document is door Bureau Documenten echt bevonden, maar met het voorbehoud dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte een fotokopie van de eerder vals bevonden geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Volgens eiseres had de minister op basis van de nieuwe geboorteakte alsnog uit moeten gaan van de familierechtelijke relatie tussen haar en referent. De rechtbank volgt dat niet. Naar het oordeel van de rechtbank verlangt de minister namelijk terecht van eiseres dat zij nader toelicht hoe zij de tweede geboorteakte heeft verkregen en dat zij een deugdelijke verklaring geeft voor het eerder overleggen van een vals document. Dat heeft eiseres met de in beroep gegeven verklaring niet gedaan. Zoals de minister terecht stelt schetst eiseres in die verklaring namelijk vooral welke procedure gevolgd moet worden voor het verkrijgen van een geboorteakte, maar niet welke stappen zij daarvoor zelf heeft ondernomen en hoe zij dus alsnog in het bezit is gesteld van een geboorteakte. Eiseres heeft verder in het geheel geen verklaring gegeven voor de eerder overgelegde valse geboorteakte. De minister hoefde dus aan de tweede geboorteakte geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.\n\n9.3.. In haar reactie van 19 januari 2024 op de verklaring van onderzoek waaruit volgt dat de eerste geboorteakte vals is, stelt eiseres nog dat de minister DNA-onderzoek aan had moeten bieden. Dat volgt de rechtbank niet. Zoals de minister terecht stelt in zijn brief van 23 januari 2024 ligt de bewijslast namelijk bij eiseres en is de twijfel gerezen door documenten die door haarzelf zijn ingebracht. Het is dan niet, zo stelt de minister terecht, aan de minister om de gerezen twijfel weg te nemen, maar aan eiseres om haar zaak met authentieke documenten te onderbouwen.\n\n9.4. De minister heeft gelet op het voorgaande terecht geen familierechtelijke relatie aangenomen tussen haar en referent.\n\nFamilie- of gezinsleven\n\n10. De minister stelt zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven bestaat. Zo stelt de minister volgens eiseres ten onrechte dat niet zou zijn aangetoond dat het onmogelijk was voor referent om contact te onderhouden met eiseres. Eiseres was immers met haar moeder vertrokken, zonder dat bij referent adres- of contactgegevens bekend waren. In 2019 is het contact hersteld en sindsdien wordt er voldoende invulling gegeven aan het gezinsleven. De minister miskent ook dat door middel van de WhatsApp-gesprekken aannemelijk is gemaakt dat sprake is van daadwerkelijk feitelijk contact. Gezinsleven tussen ouders en kinderen is het uitgangspunt. Dat pas gezinsleven tussen een kind en diens biologische vader kan worden aangenomen als voldoende invulling wordt gegeven aan dit gezinsleven is in strijd met de uitleg van artikel 8 van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan het gezinsleven als verbroken worden beschouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus eiseres. Verder is paragraaf 3.3.2 van de Werkinstructie 2020\u002F16 (WI 2020\u002F16) op deze zaak van toepassing, waaruit volgt dat sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als een biologische vader beperkte invulling heeft gegeven of heeft kunnen geven en zijn relatie met het kind wil ontwikkelen. De minister is verder ten onrechte niet voldoende ingegaan op de rechten van eiseres als kind.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst volgt uit hetgeen hierboven is geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat. Dat het uitgangspunt is dat gezinsleven tussen ouders en kinderen wordt aangenomen en dat het in strijd is met artikel 8 van het EVRM om één en ander in dit geval zo uit te leggen dat dat pas zo is wanneer er voldoende invulling wordt gegeven aan dat gezinsleven, gaat in het geval van eiseres dus niet op. De minister neemt immers juist niet aan dat referent de ouder (vader) is van eiseres. Om diezelfde reden is paragraaf 3.3.2. van WI 2020\u002F16 niet op eiseres en referent van toepassing. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen referent en eiseres sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zo blijkt uit de WhatsApp-gesprekken die zijn overgelegd niet dat het contact plaatsvindt tussen eiseres en referent, nu het contact plaatsvindt met iemand onder de naam ‘F boy 33’. Bovendien, zo stelt de minister terecht, is de inhoud van de gesprekken zeer summier. Het betreft veel gemiste gesprekken en korte onbeantwoorde berichten met langere periodes tussen elk contact. Hoewel de minister verder wel aanneemt dat de geldoverboekingen afkomstig zijn van referent, dateren de overboekingen van eind 2022 en begin 2023, zodat niet is aangetoond dat referent al langere tijd en met regelmaat geld overboekt naar eiseres (of ten behoeve van haar verzorging). Referent onderhoudt verder geen contact met de school van eiseres en is niet betrokken bij beslissingen over haar zorg en opvoeding. Dat referent blijkens de overgelegde foto’s wel op bezoek is geweest bij eiseres en dat sprake is van een zekere band heeft de minister verder terecht niet voldoende geacht om uit te gaan van familie- of gezinsleven tussen hen. Dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van eiseres volgt de rechtbank verder eveneens niet. De minister heeft namelijk in de aanvullende motivering van 16 mei 2023 op basis van de destijds geldende rechtspraak, ondanks het niet bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, wel een belangenafweging gemaakt. In die belangenafweging heeft de minister de belangen van eiseres als kind kenbaar betrokken. Door eiseres is niet gemotiveerd waarom de minister onvoldoende op haar belangen zou zijn ingegaan.\n\nWat betekent dit voor het beroep?\n\n11. Zoals de rechtbank onder 4 al heeft geconcludeerd bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond. De minister heeft echter in beroep alsnog voldoende gemotiveerd dat en waarom hij de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit wel in stand blijven.\n\nHeeft eiseres recht op een schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn?\n\n12. Eiseres voert aan dat de redelijke termijn is overschreden. Zij verzoekt om een immateriële schadevergoeding.\n\n12.1.. \n\nDe vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand\n\nvan de omstandigheden van het geval. In zaken als onderhavige geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n12.2.. De redelijke termijn begint in beginsel op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De minister heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 28 april 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn zou verstrijken op 28 oktober 2021. Op 26 oktober 2021 is echter aan eiseres een beslissing op haar bezwaarschrift bekendgemaakt. Dat betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase niet is overschreden. De beroepsprocedure bij de rechtbank heeft geduurd vanaf 22 november 2021 tot de datum van deze uitspraak. Dat is 4 jaar, 7 maanden en 8 dagen. De totale procedure heeft daarom de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Voor een deel is die overschrijding ondanks het op tijd beslissen op het bezwaarschrift de minister aan te rekenen, omdat hij gedurende de beroepsprocedure heeft verzocht om aanhouding om een aanvullende motivering uit te brengen en omdat hij Bureau Documenten meerdere keren heeft verzocht om onderzoek te verrichten naar de door eiseres overgelegde documenten. Voor een deel is de overschrijding echter ook aan eiseres toe te rekenen, omdat zij in beroep meerdere keren nieuwe documenten heeft overgelegd die vervolgens onderzocht moesten worden, een contra-expertise had aangekondigd en steeds (uitgebreide) nieuwe beroepsgronden heeft ingediend. De overschrijding is verder ook aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank acht het daarom redelijk om de overschrijding van de redelijke termijn voor een derde aan zichzelf toe te rekenen, voor een derde aan de minister toe te rekenen, maar ook voor een derde aan eiseres toe te rekenen.\n\n12.3.. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eén derde van de overschrijding rekent de rechtbank niet mee bij de berekening van het schadebedrag, omdat die overschrijding aan eiseres wordt toegekend. Dat betekent dat de rechtbank een schadebedrag berekent voor twee derde deel van 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Dat is iets meer dan 2 jaar, wat wordt afgerond op 2.5 jaar. Het schadebedrag in deze zaak bedraagt gelet hierop € 2.500. Omdat de overschrijding waarover een schadebedrag verschuldigd is in dit geval aan de rechtbank en de minister is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.250 en de Staat tot een bedrag van € 1.250 als vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHeeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding?\n\n13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen voor zover die zien op kosten die gemaakt zijn voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde per punt van € 934). Ook krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 181 terug.\n\n13.1.. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de termijnoverschrijding aan de minister en de rechtbank is toe te rekenen, ziet de rechtbank aanleiding de minister en de Staat (de rechtbank) ieder te veroordelen tot vergoeding van de helft van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de minister gelet op wat al onder 12 is overwogen in totaal € 2.101,50 (€ 1.868+ € 233,50) aan proceskosten moet betalen en de Staat € 233,50.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Eiseres krijg een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten en krijgt het griffierecht terug. Ook krijgt zij een vergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn. De berekening van de proceskosten en de immateriële schadevergoeding staan in overweging 12 tot en met 13.1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- wijst het verzoekt om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 233,50 voor het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.101,50 voor het indienen van het beroep en het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van € 181 aan haar vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ABRvS 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.\n\n Arrest Onur, 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:02170.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","ecli-nl-rbdha-2026-18000",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]