ECLI:NL:RBDHA:2026:18162
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.34796
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Petkovic, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. de Windt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.2.1. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat, omdat onvoldoende onderzoek is gedaan of hij daadwerkelijk naar de Verenigde Staten kan worden uitgezet. Volgens eiser is dit ook niet voldoende gemotiveerd.
2.2. De rechtbank overweegt dat het bestaan van zicht op uitzetting geen voorwaarde is om een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw op te leggen.Voor het opleggen van een dergelijke maatregel is slechts vereist dat eiser aan de grens een asielaanvraag heeft gedaan en verweerder heeft besloten om deze asielaanvraag in de grensprocedure te behandelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
3.1. Verder voert eiser aan dat verweerder al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel, dan wel dat de maatregel inmiddels onevenredig bezwarend is. Volgens eiser heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. Ook heeft eiser PTSS-klachten en slaapklachten, kan hij zijn medicatie niet bereiken en wenst hij psychologische hulp, waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is.
3.2. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel het volgende blijkt:
“Ik ben voornemens aan u een vrijheid ontnemende maatregel op te leggen. Zijn er feiten en/of omstandigheden die maken dat dit volgens u, in uw geval niet mogelijk is?
“ik begrijp het."
Zijn er bijzondere medische omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden?
Gebruikt u medicijnen?
Ik ben gezond en gebruik geen medicatie.”
3.3. Uit het voorgaande blijkt dat verweerder eiser specifiek heeft gevraagd of er feiten en omstandigheden zijn die volgens hem maken dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet mogelijk is. Eiser heeft verklaard dat hij gezond is en geen medicatie gebruikt. Verweerder heeft in de vrijheidsontnemende maatregel kunnen volstaan met de motivering dat daarmee door eiser geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er een lichter middel had moeten worden opgelegd of dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. Verder heeft verweerder terecht verwezen naar de medische voorzieningen op het aanmeldcentrum. De rechtbank begrijpt dat eiser de detentie als zwaar ervaart, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten zodanig zijn, dat de maatregel daarom onevenredig is of dat de medische dienst onvoldoende is. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de vrijheidsontnemende maatregel mocht worden opgelegd en mocht voortduren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Ten slotte merkt de rechtbank het volgende op. In de uitspraak van 1 juli 2025heeft de Afdelingartikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na 13 weken vanaf de oplegging van de maatregel. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser op 23 juni 2026 beroep heeft ingesteld tegen zijn asielbeschikking en dat hier nog geen zittingsdatum voor bekend is.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting gevraagd aan de administratie van deze rechtbank en zittingsplaats of er ruimte is om het beroep in te plannen voor het verstrijken van de 13 weken, welke datum in die zaak op 6 september 2026 verstrijkt. Niet is gebleken dat nu al vast staat dat de maximale termijn die de Afdeling heeft gesteld, niet gehaald gaat worden.
5. De rechtbank ziet ambtshalve ook verder geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2016:2001.
ECLI:NL:RVS:2025:2925.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.