ECLI:NL:RBDHA:2026:18225
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.40471
V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1985, van Jemenitische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.A. Jager).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.. Bij besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.
1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.
1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, M. Kurdi als tolk in de taal Arabisch-Jemenitisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser is afkomstig uit de stad Sana’a, in Jemen. In 2007 is hij voor werk vertrokken naar Saoedi-Arabië, waar hij als privéchauffeur werkzaam was. Sindsdien keerde hij jaarlijks terug naar Sana’a voor ongeveer vier tot vijf maanden, omdat zijn echtgenote en twee zoons daar nog wonen.
4.1.. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Tussen 2020 en 2023 is eiser op vijf momenten dat hij in Jemen bij zijn gezin was door de Houthi's afgeperst. De laatste keer dat eiser werd afgeperst is hij mishandeld en moest hij geld halen voor de Houthi’s. Eiser gaf aan dit niet te doen, en besloot daarop in april/mei 2022 het land definitief te verlaten. Eiser vreest bij terugkeer zowel voor de Houthi’s als voor de bombardementen in het gebied waar hij vandaan komt.
Besluitvorming
5. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,
2. Problemen met de Houthi’s.
5.1.. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Volgens de minister zijn de problemen met de Houthi’s niet geloofwaardig, nu eiser niet duidelijk en op chronologische wijze kan verklaren over de verschillende incidenten. Ook kan eiser niet duidelijk verklaren over de redenen waarom hij specifiek in de belangstelling zou staan. Dit betreft volgens de minister een aanname van de kant van eiser. Ook werpt de minister aan eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn negatieve uitlatingen naar de Houthi’s toe. Verder acht de minister het ongerijmd dat eiser meerdere keren is teruggekeerd naar Jemen nadat de problemen waren begonnen.
5.2.. Volgens de minister is op grond van het landenbeleid in heel Jemen op dit moment sprake van de ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het is daarom aan eiser om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. Het enkele feit dat eiser in een gebied woonde waar de Houthi’s aan de macht zijn, is daarvoor niet voldoende. Ook werpt de minister tegen dat eiser niet eerder dan met de correcties en aanvullingen naar voren heeft gebracht dat hij vreest voor bombardementen.
Medisch advies
6. Eiser stelt allereerst dat de minister in strijd met zijn eigen beleid en met artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijnheeft gehandeld door geen medisch advies aan te bieden. Hierdoor kan niet worden uitgegaan van de verklaringen van eiser.
6.1.. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de Procedurerichtlijn geen verplichting kent tot het afnemen van een medisch advies, maar dat de minister enkel moet kijken of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Volgens de minister betekent dit dat extra alertheid altijd geboden is. In het geval van eiser is niet gebleken dat hij niet afdoende coherent en consistent kan verklaren. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van medische problematiek. Eiser heeft aangegeven dat hij in staat was het gehoor te doen. Verder is door de gehoormedewerker gevraagd of het goed met hem ging en er zijn pauzes genomen.
6.2.. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 24 van de Procedurerichtlijn de minister moet beoordelen of een vreemdeling die om internationale bescherming verzoekt, bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 3.108b van het Vb. Daarin is bepaald dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag wordt beoordeeld of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.108b van het Vb kan worden afgeleid dat het erom gaat dat medewerkers van de INDalert zijn om signalen te herkennen dat de vreemdeling ondersteuning behoeft. Uit de toelichting volgt dat de besluitgever een medisch advies een belangrijk middel acht om te beoordelen of er belemmeringen zijn waarmee tijdens het horen en beslissen rekening dient te worden gehouden.De wetgever heeft echter in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb expliciet bepaald dat vreemdelingen van wie de eerste asielaanvraag in spoor 4 wordt behandeld, gedurende de rust- en voorbereidingstermijn een ‘medisch advies horen en beslissen’ krijgen aangeboden.Dit is niet verplicht als de vreemdeling uit een veilig land van herkomst komt.
6.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in strijd met het Vb ten onrechte geen medisch advies heeft aangeboden aan eiser nu zijn asielaanvraag in spoor 4 is behandeld. Dat volgt ook uit de eigen werkinstructie van de minister. De rechtbank is van oordeel dat het niet aanbieden van een medisch advies in eisers geval leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming.
6.4.. Dat eiser door deze werkwijze niet in zijn belangen is geschaad, volgt de rechtbank niet en legt dat hierna uit. De rechtbank citeert de volgende relevante passages uit het nader gehoor:
“Wanneer was dat precies?
Weet ik niet.
Weet u misschien in welke maand dit had plaatsgevonden?
Weet ik ook niet zo goed. Wij werken niet met datums daar. We onthouden geen datums daar. Wij besteden geen aandacht aan datums, daarom heb ik een papiertje met datums.
(…)
Het tweede incident was het incident dat u op de cat markt werd aangesproken. Dat is een ander verhaal? Kunt u dit toelichten?
Ik heb moeite met de datum. Dan was het de eerste keer dat ik me heb uitgelaten met vrienden. de tweede keer was ik met de wijkhoofd. De derde keer was het de cat-markt. De vierde keer was het bij de college [naam] .
Ik kan me nog wel ergens voorstellen dat het lastig om precieze datums terug te halen. Echter, ik vind het nu wel lastig om te plaatsen dat u gebeurtenissen omhusselt. Kunt u toelichten waarom u dit doet?
Het kan wel eens voorkomen dat mensen dingen door elkaar halen. Ik weet soms niet eens wat ik gisteren heb gegeten. We praten nu over 2020-2021. Ik raak een beetje in de war.
Opmerking rapporteur: ik merk dat betrokkene wat verward kijkt.
(…)
Waardoor komt het dat u soms helemaal in de war raakt en het helemaal niet meer weet?
Misschien vergeetachtigheid. Ik weet het niet. Psychische druk al twee jaar. Ik zie mijn gezin niet, alleen op mijn mobiele telefoon. Het tast alles aan in je hoofd.”
6.5.. De aangehaalde passages wekken bij de rechtbank de indruk dat eiser moeite heeft met tijdsaanduiding. Ook geeft eiser aan in de war te zijn. De rechtbank merkt op dat tijdsbenadering de belangrijkste tegenwerping van de minister vormt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank leest net als de minister in het verslag van het gehoor dat eiser drie keer over een ander incident heeft verklaard als reden voor zijn vertrek. Echter, zonder vast te hebben gesteld of bij eiser beperkingen speelden die ertoe hebben geleid dat hij niet goed kon verklaren over zijn asielrelaas, kan de minister deze verklaringen niet aan eiser tegenwerpen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat eiser door het zorgvuldigheidsgebrek in zijn belangen is geschaad.
Landenbeleid voor Jemen
7. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat uit landeninformatieblijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen en specifiek in de hoofdstad Sana’aniet lijkt te zijn veranderd sinds het sluiten van het bestand. In 2023 steeg het aantal burgerslachtoffers. Ook wijst eiser erop dat door aanvallen van Israël de Houthi’s agressiever zijn geworden.
7.1.. De rechtbank zal, alvorens deze beroepsgrond te bespreken, het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
Juridisch kader
8. In de uitspraak van 17 juli 2024heeft de Afdelinghet toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y.van het Hofuiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
8.1.. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y. en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld; en,
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
8.2.. Het Hof heeft in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:
de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,
de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
Het landenbeleid voor Jemen ten tijde van het besluit van 19 september 2024
9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In de Kamerbrief van 18 maart 2024 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassing van het landenbeleid ten aanzien van Jemen.In deze brief licht de minister toe dat er aanleiding bestaat om niet langer uit te gaan van de hoogste mate van willekeurig geweld in Jemen. Aanleiding hiervoor was dat uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 blijkt dat het de facto bestand over de hele verslagperiode heeft geleid tot een substantiële daling van gevechtshandelingen. Dit heeft geleid tot een relatief laag aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking. Volgens de minister speelden humanitaire omstandigheden in deze beoordeling slechts een rol als sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van het willekeurig geweld. In dit beleid maakte de minister geen onderscheid tussen de verschillende regio’s in Jemen.
Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025
10. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk in de globale beoordeling ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar betrokken. Uit actuele landeninformatie blijkt dat de daling van het aantal burgerslachtoffers sinds het de facto bestand onder druk is komen te staan en dat de intensiteit van het gewapende conflict tussen diverse strijdende actoren weer is toegenomen. Ook is de minister in de beoordeling niet expliciet ingegaan op de daadwerkelijke bestemming of woongebied bij terugkeer.
10.1.. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat de minister in deze beoordeling ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. Daarbij acht de Afdeling relevant dat uit het ambtsbericht volgt dat Houthi-rebellen toegang tot humanitaire hulp weigeren, dat toegang daartoe in sommige gevallen non-existent is en dat er veel incidenten plaatsvinden waarbij humanitaire toegang wordt gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie. Slechts humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Deze kunnen een rol spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM.
Het bestreden besluit van 19 september 2024
11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan beleid dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep mede daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024.
11.1.. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting het standpunt ingenomen dat hierdoor weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek, maar dat de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en het meest recente Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025 niet heeft geleid tot de conclusie dat voor Jemen alsnog moet worden uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarom verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
11.2.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in beroep alle relevante feitelijke omstandigheden in zijn globale beoordeling heeft betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen, en daarbij specifiek de stad Sana’a, sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (de minder uitzonderlijke situatie).
Gewijzigd landenbeleid Jemen en Sana’a stad
12. Naar aanleiding van het nieuwe Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft de minister het landgebonden beleid voor Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd.In de kamerbrief van 8 oktober 2025en de daarin genoemde bijlage 15c beoordeling Jemen, heeft de minister de wijzigingen toegelicht. Anders dan in het vorige landgebonden beleid is voor elke provincie in Jemen afzonderlijk beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen. De nieuwe beoordeling heeft er niet toe geleid dat een hoger niveau van willekeurig geweld (de meest uitzonderlijke situatie) voor Jemen wordt aangenomen. De minister neemt voor Sana’a (stad) aan dat er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Beoordeling rechtbank
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is de minister uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en heeft hij daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat niet aannemelijk is dat handelingen die slechts indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie, wanneer zij globaal in de beoordeling worden betrokken, tot een fundamenteel andere weging zullen leiden. De minister wijst erop dat de voorbeelden die de Afdeling zelf noemt handelingen zijn die directe gevolgen hebben voor de humanitaire omstandigheden die plaatsvinden in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank acht deze uitleg te strikt. De rechtbank kan de minister volgen voor zover hij zich op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en vormen humanitaire omstandigheden slechts één van de elementen die in samenhang beoordeeld moeten worden. Elk van deze elementen kan in de uiteindelijke afweging meer of minder gewicht in de schaal leggen.De rechtbank leest echter nergens in de uitspraak van 16 juli 2025 dat handelingen die slechts indirecte gevolgen hebben, per definitie minder zwaar wegen in de beoordeling dan handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire situatie. Dat de Afdeling in haar uitspraak enkel voorbeelden noemt van handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire omstandigheden, betekent niet dat uitsluitend dergelijke directe gevolgen relevant kunnen zijn. Indirecte gevolgen van het handelen van strijdende partijen, zoals de vernietiging van wegen, havens of andere infrastructuur waardoor humanitaire hulp de bevolking niet bereikt, kunnen immers in de praktijk eenzelfde effect hebben als het rechtstreeks blokkeren van hulpverlening.
13.1.. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de minister dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een temporele beperking geldt. De rechtbank leest in de kamerbrief en het verweerschrift dat de minister humanitaire omstandigheden als gevolg van de cumulatieve gevolgen van een al jarenlang voortdurend conflict of de nasleep daarvan na beëindiging niet betrekt bij de beoordeling.Op de zitting is dit standpunt aldus toegelicht dat volgens de minister uit punten 40, 42, 43, 44 en 45 van het arrest X en Y. volgt dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden het voornamelijk moet gaan om een actieve actor die gedurende de verslagperiode invloed uitoefent op de humanitaire situatie. Aan omstandigheden die in het verleden zijn ontstaan kent de minister minder gewicht toe. De rechtbank leest in het arrest X en Y., noch in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, terug dat het bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn om een actieve actor moet gaan. Uit de rechtspraak volgt slechts dat humanitaire omstandigheden die in het geheel geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, buiten deze beoordeling kunnen blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat voor de andere elementen uit het arrest CF en DN ook geen temporele beperking geldt. De rechtbank ziet niet in waarom een dergelijk onderscheid voor humanitaire omstandigheden wel zou gelden.
13.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet goed heeft gemotiveerd in welke mate de slechte humanitaire omstandigheden in Jemen te wijten zijn aan de strijdende partijen. Op pagina 1 tot en met 3 van de bijlage 15c beoordeling Jemen zet de minister de humanitaire situatie in Jemen uiteen en concludeert dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijdende partijen, maar ook dat de slechte humanitaire omstandigheden gezien moet worden in de context dat Jemen al voor de start van de burgeroorlog een slechte humanitaire situatie kende en ook toen al werd gezien als het meest kwetsbare land in het Midden-Oosten.De rechtbank acht deze motivering niet deugdelijk en zal dit hieronder aan de hand van het Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de overige in de bijlage opgenomen landeninformatie nader toelichten.
13.3.. De rechtbank leest in het algemeen ambtsbericht dat Jemen een land is dat gedurende een lange periode geteisterd is door gewapend conflict, armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise.Bovenop de al lange tijd bestaande en voortdurende humanitaire kwetsbaarheden die hieruit voortvloeiden, meldt het ambtsbericht dat de leefomstandigheden tijdens de verslagperiode verder verslechterden door de crisis in de Rode Zee. De militaire escalatie daar leidde tot een aanzienlijke daling van aantallen vrachtschepen die Jemen aandeden. Dit gold zowel voor het gebied onder controle van de IRGals van de Houthi-beweging. Volgens data van de Integrated Food Security Phase Classification waren eind 2024 meer dan 600.000 Jemenitische kinderen in het door de IRG gecontroleerde deel van het land ernstig ondervoed en bijna 120.000 kinderen acuut ondervoed - een stijging van 34 procent vergeleken met 2023. Beide delen van Jemen kampten met een blijvend hoge voedselinstabiliteit. Het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie lag volgens een rapportage van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VNin december 2024 in regeringsgebied iets hoger (52,3%) dan in Houthi-gebied (43,0%).
13.4.. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat de strijdende partijen doelbewust aanvallen uitvoerden op landbouwgebieden, irrigatiewerken, vee, levensmiddelenopslag, waterinfrastructuur en vissersboten en -uitrusting. De toegang tot water en voedsel werd daarmee voor de bevolking van de getroffen gebieden ernstig bemoeilijkt. De Houthi’s zouden rond frontlijnen op grote schaal landmijnen hebben verspreid in bewoonde gebieden en in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Ook legden zij op grote schaal restricties op aan humanitaire hulpverlening, waaronder voedseldistributie. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat strijdende partijen de toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen. Uit bronnen komt volgens het algemeen ambtsbericht het beeld naar voren dat met name de Houthi-beweging de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp, als wapen in de strijd gebruikten. Ook in het volledig door de Houthi-beweging gecontroleerde deel van Jemen bleef zij tijdens de verslagperiode de toegang van burgers tot humanitaire hulp dusdanig bemoeilijken, dat het hun voedselzekerheid negatief beïnvloedde. Daarbovenop pasten zij restricties toe op vrouwelijke hulpverleners. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (World Food Programme, WFP) pauzeerde vanaf december 2023 een groot deel van de voedselhulp in Houthi gebied voor zes maanden.De levering van humanitaire goederen werd verder bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden, waaronder de havens van Al Hudayda en Saleef, de luchthaven van Sana’a en energie installaties - waardoor steden als Sana’a en Al Hudayda langere tijd geen elektriciteit hadden. De haven van Al Hudayda, de belangrijkste aanvoerhaven voor humanitaire goederen, functioneerde nog slechts op 30% van zijn operationele capaciteit.
13.5.. De rechtbank overweegt dat in de kamerbrief en de daaraan ten grondslag liggende bijlage niet inzichtelijk is gemotiveerd op welke wijze de hiervoor genoemde informatie is betrokken bij de conclusie dat de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate is veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Uit de beschikbare informatie blijkt onder meer dat deze partijen de toegang tot voedsel en water ernstig beperken, de toegang tot humanitaire hulpverlening op grote schaal belemmeren en voedsel- en watervoorzieningen aanvallen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, hoewel Jemen te maken heeft met natuurlijke fenomenen zoals droogte en overstromingen, het feit dat de helft van de Jemenitische bevolking te kampen heeft met voedselonzekerheid vooral lijkt samen te hangen met het handelen van de strijdende partijen. Jemen importeert, net zoals meer landen in die regio, 80% van zijn voedselbehoefte waardoor het land kwetsbaar is voor aanvallen op voedselvoorzieningen en havens. Handelingen van strijdende partijen in een land dat al kwetsbaar is, hebben een grotere impact op de humanitaire situatie. De minister heeft nagelaten dit te betrekken bij zijn beoordeling. In dit verband heeft de rechtbank op de zitting ook gewezen op recente informatie van Human Rights Watch van 8 januari 2026waaruit volgt dat de Houthi-autoriteiten de afgelopen 18 maanden ten minste 69 VN-medewerkers en tientallen medewerkers van maatschappelijke organisaties willekeurig hebben vastgehouden. De toename van het aantal arrestaties van leden van maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen door de Houthi's dreigt de humanitaire hulpcrisis in Jemen te verergeren. Verder meldt Human Rights Watch dat het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen dat de al kritieke acute voedselonzekerheid naar verwachting verder zal verslechteren in de prognoseperiode (november 2025 tot mei 2026), waarbij delen van de bevolking in vier districten onder controle van de Houthi's naar verwachting met een catastrofe te maken zullen krijgen.
13.6.. Ook merkt de rechtbank op dat in de enige bron in de bijlage die duidt op een verbetering van de humanitaire situatie, wordt verwezen naar informatie van de ngo ACAPSdie tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp constateerde: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’) en in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’).De rechtbank leest niet in de kamerbrief terug hoe de minister deze informatie heeft afgewogen tegen de onder 12.4. tot en met 12.6. opgenomen informatie. Ook valt het de rechtbank op dat in deze bron tegelijkertijd staat vermeld dat toegang tot humanitaire hulp in Jemen niet is verbeterd of verslechterd, maar hetzelfde is gebleven als in 2023.Bovendien blijkt uit recente informatie van het ACAPS van 1 april 2026dat Jemen weer een 5 op een schaal van 0 tot 5 scoort. Dit duidt volgens ACAPS op ernstige en aanhoudende belemmeringen voor humanitaire toegang, waaronder incidenten van onveiligheid, controleposten en toegangsweigeringen die het verkeer door het land beperken en waarschijnlijk zullen verergeren na mogelijke escalaties. Het ACAPS meldt dat Jemen wereldwijd één van de meest humanitair ontoegankelijke gebieden blijft.
13.7.. De rechtbank overweegt ten aanzien van Sana’a stad dat de minister in de Kamerbrief en de onderliggende stukken weliswaar ingaat op de algemene humanitaire situatie in Jemen, maar in strijd met het arrest CF en DN onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of de humanitaire omstandigheden specifiek in Sana’a stad maken dat daar sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister is pas in het verweerschrift ingegaan op de humanitaire situatie in de stad. Daarin licht de minister toe dat Sana’a in het ambtsbericht niet wordt genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. Ook betrekt de minister dat in 2024 volgens ACAPS een lichte verbetering van toegankelijkheid humanitaire hulp heeft plaatsgevonden en dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat met name de zuidelijke provincies over het geheel genomen betere toegang hebben van hulporganisaties. Deze aanvullende motivering houdt gelet op hetgeen hiervoor staat onder 13.4.-13.7. geen stand. De minister dient bij een nieuw te maken beoordeling inzichtelijk te motiveren hoe de humanitaire situatie in Sana’a stad moet worden gewogen in het licht van de recente en dreigende escalaties, de aanvallen op kritieke infrastructuur, en dat de toegang tot humanitaire hulp in Sana’a beperkt en in sommige gevallen non-existent is.
13.8.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister met de enkele overweging dat Jemen ook voor de burgeroorlog in 2015 een slechte humanitaire situatie kende, niet deugdelijk in kaart heeft gebracht in hoeverre de humanitaire situatie is gecreëerd, in stand gehouden dan wel verergerd door het direct of indirect handelen en/of nalaten van de strijdende partijen. De rechtbank merkt ook op dat de minister niet kenbaar in is gegaan op de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2024waarin aan de minister is meegegeven acht te slaan op het rapport van The World Organisation Against Torture van september 2022, waarin wordt geconcludeerd dat “Yemen’s cataclysmic humanitarian situation is entirely manufactured”.
Ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie
14. De rechtbank is verder van oordeel dat naast dat de minister opnieuw dient te motiveren hoe de humanitaire omstandigheden in Jemen meewegen in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, de minister daarbij ook opnieuw een beoordeling van de actuele geweldssituatie dient te verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het jaarrapport van 2025 van het CIMPvolgt dat tussen 1 januari en 31 december 2025 sprake was van een significante stijging van het aantal burgerslachtoffers (2.653) in Jemen, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2024 (1.201). Het gaat om het op twee na hoogste aantal dat CIMP ooit heeft geregistreerd. Uit het rapport volgt dat deze stijging verband hield met een toename van de vijandelijkheden in de Rode Zee en de bredere regio. Vooral luchtaanvallen zorgden voor veel slachtoffers. De bombardementen vonden niet voortdurend plaats, maar keerden wel steeds terug in reactie op nieuwe escalaties in de regio.Bij een nieuw te verrichten beoordeling moet de minister de verdubbeling van het aantal slachtoffers en de toename van vijandelijkheden in de regio, in samenhang met andere elementen van het arrest CF en DN, betrekken.
14.1.. In het verweerschrift heeft de minister uiteengezet dat de door ACLED geregistreerde aantallen gevechten in Sana’a in 2023 en 2024 minimaal bleven en dat niet is gebleken van recente wijzigingen in de veiligheidssituatie in Sana’a stad.De rechtbank heeft echter ter zitting gewezen op recente cijfers uit het CIMP-jaarrapport 2025. Daaruit volgt dat Sana’a stad in 2025 voor het eerst het gouvernement was met het hoogste aantal burgerslachtoffers, namelijk 724. In 2024 lag dit aantal nog op 47 slachtoffers.Daarmee kende Sana’a stad het hoogste aantal burgerslachtoffers van het land. Daarnaast vermeldt het rapport dat in Sana’a stad de luchtaanvallen in 2025 zijn geïntensiveerd, hetgeen heeft geleid tot schade aan infrastructuur, waaronder havens, elektriciteitscentrales en luchthavens.Voorts blijkt uit het rapport dat Sana’a stad en de omliggende gebieden verantwoordelijk waren voor bijna driekwart (73 procent) van de burgerslachtoffers in Jemen die in woningen werden geregistreerd, namelijk 536 slachtoffers. Dit hield voornamelijk verband met toenemende luchtaanvallen op dichtbevolkte stedelijke gebieden.De minister dient bij de nieuwe beoordeling van de veiligheidssituatie in Sana’a stad rekening te houden met de meer dan 15-voudige toename van het aantal burgerslachtoffers, alsmede met recente informatie waaruit blijkt dat dichtbevolkte stedelijke gebieden in toenemende mate doelwit zijn van aanvallen.
Individuele omstandigheden bij een relatief hoger niveau van willekeurig geweld
15. Eiser stelt zich op het standpunt dat, ook al zou geen sprake zijn van de meest uitzonderlijke situatie, de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van een individuele situatie en persoonlijke omstandigheden op grond waarvan eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Uit het algemeen ambtsbericht van april 2025 volgt namelijk dat de situatie van terugkeerders uit Europa naar Jemen nog steeds onbekend is.
15.1.. De rechtbank constateert dat de minister voor het eerst in het verweerschrift de daadwerkelijke bestemming van terugkeer van eiser heeft benoemd, te weten Sana’a stad. Daarmee is het bestreden besluit in het licht van het arrest CF en DN niet deugdelijk gemotiveerd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verzocht dit gebrek te passeren dan wel de rechtsgevolgen in stand te laten. De minister stelt zich op het standpunt dat een individueel risico niet aannemelijk is, omdat eiser sinds 2007 elk jaar naar Jemen is teruggekeerd en in 2023 legaal naar EU-gebied is gereisd. Volgens de minister zijn deze omstandigheden aanwijzingen dat eiser niet bijzonder kwetsbaar is.
15.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op de landeninformatie over terugkeerders uit Europa en de Golfstaten, en daarmee niet alle voor de beoordeling relevante feitelijke omstandigheden heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende is ingegaan op de informatie uit het algemeen ambtsbericht waaruit volgt dat er nauwelijks tot geen concrete informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers die vanuit Europa of andere westerse landen naar Jemen terugkeren, noch over personen die vanuit het buitenland zakelijke belangen hebben en regelmatig tijdelijk naar Jemen terugreizen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser heeft gesteld dat hij geen werk meer heeft in Saoedi-Arabië en derhalve geen inkomen meer geniet. Dit terwijl de rechtbank ambtshalve bekend is met informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat terugkeerders in Jemen te maken kregen met dezelfde omstandigheden als ontheemden en bijna volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp.Verder blijkt uit een brief van VluchtelingenWerk Nederlanddat Jemenitische arbeiders in Saoedi-Arabië die gedwongen terugkeren wegens werkloosheid of uitzetting, bij terugkeer worden geconfronteerd met geweld en een verhoogde kwetsbaarheid voor mensenhandel. Volgens [persoon] kunnen terugkeerders uit de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië te maken krijgen met veiligheidsproblemen en kunnen ze verdacht worden in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden. In dit kader is relevant dat eiser verklaart problemen te hebben met Houthi’s omdat ze af wisten van zijn werk in Saoedi-Arabië en eiser betichtten van spionage.
Conclusie 15c-beoordeling
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN alles tezamen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, specifiek de hoofdstad Sana’a, geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser kunnen leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.
Artikel 3 van het EVRM
17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, zoals droogte, dan kan slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 EVRM in “very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling”. Wanneer natuurlijke verschijnselen echter hebben bijgedragen aan erbarmelijke humanitaire omstandigheden, maar deze voornamelijk zijn te wijten aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict dan moet de minister beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.”De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of eiser in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”.
Conclusie en gevolgen
18. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Eiser moet namelijk medisch onderzocht worden en vervolgens opnieuw gehoord worden. Bij het opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser moet de minister rekening houden met de omstandigheid dat eiser tijdens het nader gehoor van 28 mei 2024 heeft aangegeven niet goed te kunnen verklaren omdat hij in de war was. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.
19. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en,
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzitter, en mr. Y. Moussaoui en mr. N. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Richtlijn 2011/95/EU.
Richtlijn 2013/32/EU.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Nota van toelichting, p. 23-25; Stb. 2015, 294.
Zie ook Werkinstructie 2024/9: Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.
Artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vb.
Pagina 11.
Pagina 15.
Pagina 16.
Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – algemene veiligheidssituatie,4 april 2025; Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – Veiligheid- en humanitaire situatie Sanaa (hoofdstad
en provincie), 29 januari 2026.
Amanat al Asimah (Sana’a stad) Sana’a (district Amanat al Asimah) is de hoofdstad van Jemen en staat sinds september 2014 onder controle van de Houthi-beweging. Sana’a is geen provincie maar een onafhankelijk bestuurlijk district, zie pagina 32 van het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025.
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:EU:C:2023:843.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Zie Kamerstukken II2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).
ECLI:EU:C:2021:472.
Kamerbrief van 18 maart 2024, met kenmerk 19637, nr. 3215, de daarbij horende beslisnota, en WBV 2024/9.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
WBV 2025/20.
19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
Punten 40 en 45.
De minister wijst op een bron van het UNHCR, “Yemen crisis explained”, 27 maart 2025, waarin staat opgenomen: “Even before the current crisis, Yemen was the most vulnerable country in the Middle East. It regularly ranked among the world’s worst in malnutrition rates with half of its population living in povertya and without access to safe water.”
Pagina 12 van het algemeen ambtsbericht april 2025.
Internationaal erkende regering.
Verenigde Naties.
Pagina 13 van het algemeen ambtsbericht april 2025.
Pagina 14 van het algemeen ambtsbericht april 2025.
Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.
World Food Programme, ‘Impact of rising food prices on household food security in Yemen’, 31 augustus 2008.
Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen’, 8 januari 2026.
Assessment Capacities Project.
Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.
ACAPS, Humanitarian access overview 2024, pagina 5.
ACAPS, Yemen: Possible escalation pathways and anticipated humanitarian impacts, 1 april 2026.
ECLI:NL:RBDHA:2024:17489.
Civilian Impact Monitoring Project.
CIMP, 2025 annual report, 1 January – 31 December 2025, pagina 2 en 5.
De minister verwijst hiervoor naar ACLED, incidenten in Sana’a stad tussen maart 2025 en oktober 2025).
Pagina 5.
Pagina 2.
Pagina 8.
Brief VluchtelingenWerk Nederland, “Jemen – Humanitaire situatie”, 29 januari 2026.
Brief VluchtelingenWerk Nederland, “terugkeer uit het buitenland (Westen en Golfstaten)”, 9 januari 2026.
Zie onder andere pagina 5 van het verslag nader gehoor.
Overwegingen 278, 282 en 283.