ECLI:NL:RBDHA:2026:18468
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
Uitspraak buiten zitting
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32656
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.2
Overwegingen
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 24 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.3 Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2021 in België een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft op 4 april 2026 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft België, na een verzoek om een second opinion, het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening Hiermee staat de verantwoordelijkheid van België vast.
1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Verordening (EU) nr. 604/2013.
4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 van 23 juli 2025.6 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten, welke leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het Handvest.8 Eiser heeft gedurende zijn verblijf in België een zwervend bestaan geleid en is verstoken gebleven van opvang. Eisers psychische problemen zijn hierdoor ernstig verslechterd en hij is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Hiervan heeft eiser geen stukken kunnen overleggen. Eiser is kwetsbaar vanwege zijn psychische problemen. Zonder garanties voorafgaand aan eisers overdracht aan België, is het voorzienbaar dat hij in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Een overdracht aan België getuigt in zijn geval van onevenredige hardheid gelet op zijn psychische toestand en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast vreest eiser te worden uitgezet naar Turkije na te zijn overgedragen aan België, zonder dat daar een inhoudelijke asielprocedure aan vooraf zal gaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen, heeft verweerder met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.
5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegenover eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
6. Voor zover eiser in dit kader nog heeft aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement omdat België hem zal terugsturen naar Turkije overweegt de rechtbank als
5 Afdeling.
6 ECLI:NL:RVS:2025:3305.
7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
volgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 9en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 202410 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Uit het arrest Tarakhel volgt dat verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties kan vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. 11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen toegang zal krijgen tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in België. Voor zover eiser zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens aan de Belgische autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eiser zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.
8. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 201412 is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn psychische toestand, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.
9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
9 ECLI:EU:C:2023:934.
10 ECLI:NL:RVS:2024:2359.
11 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 r.o. 100-105.
12 ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M. L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Documentcode: 024-573-028-293