Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18493

Tribunal

Amsterdam

Date

3 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.34263
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

3.1..

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser betoogt echter dat de maatregel onrechtmatig is omdat uit de motivering in de maatregel niet blijkt dat de minister heeft meegewogen dat eiser in Spanje een beroep heeft gedaan op de recente regularisatieregeling.

3.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. In de maatregel heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat hij een verblijfsaanvraag in Spanje heeft lopen is meegenomen in de beslissing. Volgens de minister maakt dat de vreemdelingenbewaring niet onevenredig bezwarend, omdat eiser de beslissing op die aanvraag niet heeft afgewacht en naar Nederland is gekomen, omdat hij liever in Nederland wil verblijven. Deze motivering acht de rechtbank toereikend, mede gelet op het feit dat eiser zelf ook heeft verklaard geen rechtmatig verblijf te hebben in Spanje. Zijn stelling dat de kans groot is dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat eiser die stelling niet nader heeft onderbouwd. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Plus de Décisions