ECLI:NL:RBDHA:2026:18498
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22282
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
In het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .
Overwegingen
1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.
2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.
3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.
5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin
van een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.
7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom
de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.
8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de
overige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024/4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.
9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2/4.1.2.2. van de Vc terecht
meegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.
10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder
zich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.
11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft
gemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.
12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een
toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.
13. Het beroep is ongegrond.
14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank
verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor
het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.
Zie paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.