ECLI:NL:RBDHA:2026:18525
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Utrecht
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33167
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld) en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
De minister heeft op 3 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 (in de zaak NL26.24105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een concreet zicht op uitzetting mist. Eiser voert hierbij aan dat de minister op 9 maart 2026 een laissez-passer
(lp) aanvraag heeft verzonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarop zij hier vooralsnog niet op hebben gereageerd. Hierdoor is volgens eiser de Algerijnse identiteit en nationaliteit van eiser zelf tot op het heden nog niet bevestigd en heeft er geen presentatie plaatsgevonden.
Eiser voert daarnaast aan dat, gelet op het tijdsverloop, er binnen afzienbare tijd een kleine kans bestaat dat de Algerijnse autoriteiten een lp zullen verstrekken. Eiser geeft aan dat er geen rekening is gehouden met de voortduring van de maatregel van bewaring en de steeds zwaarder wegende belangen van eiser. Eiser stelt hiernaast dat de minister de optie van de VBL (vrijheidsbeperkende locatie) na het vertrekgesprek van 8 mei 2026 ging bespreken. Dit is volgens eiser inmiddels zes weken geleden en dient de minister te motiveren waarom eiser al dan niet in aanmerking komt voor de VBL. Gelet op het voorgaande vindt eiser dat de minister meer inspanning had kunnen verrichten om de uitzetting van eiser te bewerkstelligen en aldus onvoldoende voortvarend handelt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting binnen redelijk termijn ontbreekt.
Zicht op uitzetting
6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.
Voortvarend handelen
7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 12 mei 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook met eiser, laatstelijk op 9 juni 2026, een vertrekgesprek gevoerd. Uit het vertrekgesprek van 8 mei 2026 volgt verder dat eiser verzoekt om bij een eventuele opheffing naar de VBL Ter Apel te worden overgeplaatst. De enkele verklaring dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig handelt, omdat hij dit medio augustus 2026 met eiser gaat bespreken, volgt de rechtbank verder niet en maakt dit dan ook niet anders.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. ECLI:NL:RVS:2025:722.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.