ECLI:NL:RBDHA:2026:18556
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Roermond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.11571
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko,
V-nummer [V-nummer],
eiseres,
(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),
en
de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigden: mr. R.J.M.F.P. Wouters en mr. S.H.J. Muijlkens).
Procesverloop
Eiseres heeft op 13 november 2020 een aanvraag ingediend om een EU/EER-document te verkrijgen als bewijs van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont.
Verweerder heeft deze aanvraag op 11 november 2021 afgewezen en op 20 juni 2022 het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit van 20 juni 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank en ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL22.11572).
Verweerder heeft 5 oktober 2023 een aanvullend besluit genomen.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 juni 2022 en tegen het aanvullende besluit van 5 oktober 2023 en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 februari 2024 op zitting behandeld.
De rechtbank heeft op 26 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan en twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:2300).
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 februari 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2024:850, niet gepubliceerd).
Het Hof heeft op 4 juni 2026 het arrest Safi gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (ECLI:EU:C:2026:442).
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 16 juni 2026 en op 17 juni 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:16288).
Gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 22 juni 2026 stukken overlegd om aan de tussenuitspraak te voldoen.
Verweerder heeft bij brief van 26 juni 2026 medegedeeld op welke wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak en heeft daarbij aangegeven dat op korte termijn zal worden beslist of een inwilligend besluit kan worden genomen.
Bij besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder het besluit van 4 oktober 2023 (rechtbank: 5 oktober 2023, dossierstuk 35) ingetrokken en het bezwaar van 8 december 2021 gegrond verklaard. In dit besluit is tevens medegedeeld dat eiseres een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zal krijgen en dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres is vastgesteld op 6 januari 2015. Verweerder heeft in dit besluit aangeboden om een bedrag van € 1.665,- voor de bezwaarprocedure te vergoeden.
In de brief van 30 juni heeft verweerder medegedeeld dat een inwilligend besluit is genomen en dat voor de proceskosten in beroep een aanbod tot vergoeding van € 6.538,- is gedaan.
De rechtbank heeft op 2 juli 2026 aan eiseres gevraagd om te reageren op het inwilligende besluit en de aangeboden proceskostenvergoeding.
Eiseres heeft op 2 juli 2026 medegedeeld in te stemmen met het inwilligende besluit en daarom het beroep te zullen intrekken maar zij heeft de rechtbank wel verzocht om een uitspraak over de proceskosten te doen omdat zij zich niet kan vinden in de hoogte van de aangeboden vergoeding.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 juli 2026.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 juni 2026 uiteengezet op welke wijze de rechtbank in de onderhavige procedure toepassing geeft aan het arrest Safi. Partijen hebben voldaan aan de tussenuitspraak. Verweerder heeft (uit eigen beweging) eiseres nader gehoord en verweerder heeft de liaisonambtenaar in Spanje verzocht om onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van eiseres in Spanje en de mogelijkheden voor de Nederlandse echtgenoot van eiseres en hun Nederlandse zoon om bij eiseres in Spanje te verblijven. De onderzoeksbevindingen van de liaisonambtenaar zijn op 26 juni 2026 in het dossier gevoegd. De gemachtigde van eiseres heeft op 22 juni 2026 een brief van de huisarts van 17 juni 2026, een brief van de gemeente Sittard Geleen van 17 juni 2026, een brief van de school van de zoon van eiseres van 18 juni 2026 en een ontwikkelingsplan van de zoon van eiseres van 22 augustus 2025 overgelegd.
2. Het nader onderzoek van verweerder heeft tot de inwilliging van de aanvraag van eiseres van 13 november 2020 geleid. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres, welke ingangsdatum is vastgesteld op 6 januari 2015, de geboortedatum van de Nederlandse zoon van eiseres. De uitspraak van de rechtbank heeft daarom alleen nog betrekking op de hoogte van de proceskosten die verweerder voor de procedure in beroep moet vergoeden. De rechtbank bepaalt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht de hoogte van de proceskosten als volgt.
3. Voor vergoeding van de proceskosten in beroep komen de volgende handelingen in aanmerking:
Instellen beroep 1 punt
Gronden na aanvullend besluit 0,5 punt
zitting rechtbank, 7 februari 2024 1 punt
schriftelijke opmerkingen bij Hof 2 punten
pleitzitting Hof, 25 maart 2025 2 punten
nadere zitting rechtbank, 16 juni 2026 1 punt
nadere hoorzitting van 23 juni 2026 0,5 punt
totaal 8 punten
De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in de brief van 30 juni 2026 een vergoeding voor de hoorzitting van 23 juni 2026 bij het aanbod van de kosten voor de bezwaarprocedure heeft betrokken. Dit zijn evenwel kosten die zijn gemaakt in beroep omdat de hoorzitting heeft plaatsgevonden om uitvoering te geven aan het arrest Safi. De rechtbank betrekt het bijwonen van deze hoorzitting dus bij de proceskostenveroordeling die wordt uitgesproken in de onderhavige beroepsprocedure.
De rechtbank kent, in afwijking van het standpunt van verweerder en zoals in elke verwijzingsprocedure, aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.
Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3341) op het standpunt gesteld dat de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt in verband met het verschijnen ter zitting bij het Hof niet vergoed hoeven te worden omdat deze kosten die een rechtsbijstandverlener maakt, zouden zijn verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding, die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is berekend. De rechtbank ziet dit anders omdat deze kosten gelet op artikel 1 onder d, en artikel 2, eerste lid onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met (het niet bij Besluit van 4 december 2025 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 gewijzigde) artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, voor vergoeding in aanmerking komen.
De gemachtigde van eiseres heeft de reis- en verblijfskosten gespecificeerd en met bijlagen onderbouwd. Verweerder heeft de hoogte van deze kosten op zichzelf niet betwist. De rechtbank betrekt alleen de kosten van de gemachtigde die eiseres in de onderhavige procedure bijstaat bij de proceskostenveroordeling en merkt hierbij op dat niet nader is aangegeven waarom vertegenwoordiging door meer dan één persoon noodzakelijk was. Dit betreft een bedrag van € 365,- voor verblijf en een bedrag van € 123,20 (440 kilometer X 0,28) bij wijze van kilometervergoeding, totaal € 488,20.
Verweerder heeft verder aangegeven het griffierecht van € 184,- te willen voldoen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat ook voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht is geheven en verweerder dit ook zal moeten voldoen. De rechtbank overweegt dat eiseres op 18 juli 2022 het griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening heeft voldaan. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2024 is de vergoeding hiervan -ten onrechte- niet betrokken bij de proceskostenveroordeling, zodat de rechtbank verweerder alsnog zal opdragen om het griffierecht daarvoor te betalen. Verweerder dient dus een bedrag van € 386,- te voldoen vanwege het door eiseres betaalde griffierecht.
Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat eiseres een eigen bijdrage van € 156,- heeft moeten voldoen en dat dit bedrag moet worden betrokken bij de proceskostenvergoeding. De rechtbank volgt dit niet. Uit artikel 32 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de bijbehorende kenniswijzer volgt dat de advocaat van een proceskostenvergoeding de door zijn cliënt gemaakte kosten, dus de eigen bijdrage, betaalt.
De rechtbank zal de proceskosten als volgt samenstellen:
-proceshandelingen: 8 x € 907,- x 1,5 € 10.884,00
-reis- en verblijfkosten € 488,20
-griffierecht € 386,-
Totaal € 11.758,20
4. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 11.758,20.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.