ECLI:NL:RBDHA:2026:18588
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16105
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gestelde gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. F.C. Vosman).
Procesverloop
1. Op 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd.
2. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting waren de gestelde gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
4, De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld over de volmacht.
5. Op 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde hierop gereageerd.
6. Op 3 juli 2026 heeft de minister hierop gereageerd.
7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 3 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Volmacht
8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de gestelde gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. Op de zitting heeft de gestelde gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser, maar dat hij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken. In zijn aanvullende reactie van 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde laten weten dat hij zich niet als gemachtigd beschouwt om te kunnen optreden in de beroepsprocedure in verband met het ontbreken van contact van eiser.
9. Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 23 januari 2026 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het instellen van beroep geen contact heeft gehad met de gemachtigde en dat eiser de gemachtigde dan ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in stellen bij de rechtbank. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gestelde gemachtigde niet gerechtigd was om namens eiser beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.