Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18646

Tribunal

Utrecht

Date

2 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34524
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Eiser stelt de Russische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Op 20 juni 2026 is hij aangekomen op [luchthaven] en heeft hij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.

Gronden van de maatregel

3. In de maatregel heeft de minister overwogen dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat hij in het bezit is van een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum. De minister heeft op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser heeft de juistheid van de gronden niet bestreden, maar heeft aangevoerd dat de gronden, het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en het niet hebben van een vaste woon-/verblijfplaats, gelden voor iedere aan de grens asiel verzoekende vreemdeling. Deze gronden dienen te worden voorzien van een individuele toelichting.

5. De rechtbank is van oordeel dat de grond onder a feitelijk juist is. Door het indienen van een asielaanvraag aan de grens heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden van het aan hem verleende Schengenvisum. De gronden onder r en s zijn ook feitelijk juist en voldoende toegelicht. Door het niet beschikken over voldoende middelen en het niet hebben van een vaste woon-/verblijfplaats bestaat het risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en dat hij de voorbereidingen van zijn vertrek dan wel verwijderingsprocedure belemmert. Dat deze gronden van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, maakt niet dat die gronden niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen.

De gronden kunnen tezamen de maatregel dragen.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiser. Eiser heeft een geldig paspoort, hij heeft meegewerkt aan de grensprocedure en er is geen enkele aanwijzing die duidt op vluchtgevaar of een onderdruikrisico.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.

8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiser verklaard te begrijpen dat hij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft hij aangegeven dat hij hoopt dat zijn asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Hij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiser geantwoord dat die er niet zijn.

10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.

Kwetsbaarheids- en medische beoordeling

11. Eiser voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Eiser behoort tot een groep die naar vaste rechtspraak en beleid als potentieel kwetsbaar wordt aangemerkt. Omdat de minister heeft nagelaten deze beoordeling te maken ontbreekt er een deugdelijke grondslag.

12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.

13. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.

Conclusie

14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2998.

Plus de Décisions