Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18648

Tribunal

Utrecht

Date

12 January 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.12902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser voldoende middelen van bestaan heeft en daarom een verblijfsvergunning voor economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelanders moet krijgen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht die vergunning niet heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelanders. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de neef van eiser [naam] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser voert aan dat hij voldoende stabiele en regelmatige inkomsten heeft. Hij beschikt over een spaartegoed van € 11.538,15. Dit blijkt uit de schermafbeelding die eiser heeft verstrekt. Eiser heeft dus vermogen dat voldoende is om niet ten laste te komen van de sociale bijstand in Nederland. Verder voert eiser aan dat het moeten aantonen van de herkomst van zijn vermogen in strijd is met de Richtlijn voor langdurig ingezetenen, rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) en een uitspraak van de

rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam.1 Ook handelt de minister in strijd met Europees recht door te vragen of er nog inkomen is naast het vermogen en te vragen wat de herkomst van het vermogen is. Met die toets werpt de minister onrechtmatige discriminatoire drempels op. Ten slotte voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase en dat daarmee de hoorplicht is geschonden.

3. De rechtbank stelt voorop dat een aanvraag voor de gevraagde verblijfsvergunning slechts wordt verleend als de aanvrager (onder meer) zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (het zogeheten middelenvereiste).2 Middelen van bestaan in de vorm van eigen vermogen zijn duurzaam als zij voor een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.3 De minister accepteert alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn.43.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat eiser niet voldoet aan het middelenvereiste. Er is niet komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk over het gestelde vermogen beschikt. In het dossier zit slechts een ongedateerde schermafbeelding van een bankrekening op naam van [eiser] met een banksaldo van € 11.538,15. Niet duidelijk is wanneer eiser over dit vermogen beschikte en of dit vermogen dus duurzaam is. De minister heeft dit daarom onvoldoende onderbouwing mogen vinden. In beroep heeft eiser verder niet alsnog concrete informatie overgelegd over het banksaldo. Het is daarnaast ook niet aan de rechtbank om op de zitting via internetbankieren het banksaldo te controleren; het is aan een aanvrager om voldoende concrete gegevens aan de minister aan te leveren voor het te nemen besluit.3.2.. Aangezien niet is komen vast te staan dat eiser over vermogen beschikt, hoeven de beroepsgronden over de herkomst en de hoogte van het bedrag niet meer te worden besproken. Voor zover eiser daarnaast aanvoert dat de minister in strijd met Europees recht handelt en/of onrechtmatige discriminatoire drempels opwerpt, slaagt deze stelling niet. Eiser heeft deze stelling verder niet onderbouwd en de rechtbank is ook niet gebleken dat daarvan sprake is.3.3.. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de minister een bezwaarmaker in de gelegenheid stelt om zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting.5 Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval kan daarvan worden afgeweken. Daarbij is onder meer van belang of alle relevante informatie is overgelegd en of er nog onduidelijkheden bestaan over het te beoordelen feitencomplex.6 In dit geval vindt de rechtbank dat de minister eiser niet heeft hoeven horen. Concrete gegevens over het vermogen zijn essentieel voor de beoordeling van de middelen van bestaan. De minister heeft eiser tijdens de bezwaarfase ook in de gelegenheid gesteld om die onderbouwing aan te leveren. In reactie daarop heeft eiser alleen de schermafbeelding verstrekt. Eiser heeft (ook in beroep) niet uitgelegd waarom hij geen concretere informatie kon verstrekken. Dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om een hoorzitting, heeft de minister – afgezet tegen de andere omstandigheden van het geval – onvoldoende reden voor een hoorzitting mogen vinden.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. De arresten van het Hof van 3 oktober 2019,

ECLI:EU:C:2019:830 en van 21 april 2016 (Khachab), ECLI:EU:C:2016:285 en van 4 maart 2010 (Chakroun), ECLI:EU:C:2010:117. De uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5714.

2 Artikel 3.29a, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Artikel 3.75, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4 Paragraaf B11/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

5 Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en Werkinstructie 2022/20 Horen en mandatering bezwaar.

6 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

12 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Plus de Décisions