Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18653

Tribunal

Utrecht

Date

13 January 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.25459
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. In het bijzonder gaat deze uitspraak over de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser, namelijk zijn biseksualiteit en de problemen die hij heeft met het moslimbroederschap omdat hij afvallig is van de islam. Ook gaat deze uitspraak over de vraag of de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 12 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Sahraf als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is biseksueel en heeft in Egypte een relatie gehad met een man genaamd [naam] . Eiser en [naam] zijn op straat betrapt tijdens het zoenen en zijn door politieagenten ernstig mishandeld. Ook is eiser afvallig van de islam. Toen zijn familie hierachter kwam heeft eiser problemen gekregen met zijn familie en het moslimbroederschap in zijn dorp waarna hij voor lange tijd door hen is bedreigd. Het moslimbroederschap heeft eiser aangereden toen hij op de scooter reed. Eiser is hierdoor zwaargewond geraakt. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor zijn familie en het moslimbroederschap vanwege zijn biseksualiteit en afvalligheid van de islam.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

biseksuele geaardheid; en

afvalligheid en de daaruit voortvloeiende problemen.

8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst alsook de afvalligheid van de islam geloofwaardig. De minister vindt eisers biseksualiteit en de problemen die hij heeft als gevolg van zijn afvalligheid van de islam niet geloofwaardig. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. De minister heeft dit inreisverbod opgelegd, omdat eiser is veroordeeld voor het plegen van meerdere strafbare feiten. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormt.

Referentiekader

9. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Uit het medisch advies voor het horen en beslissen van MediFirst blijkt onder andere dat eiser geen precieze data kan onthouden, maar zich wel kan herinneren hoeveel maanden terug een gebeurtenis plaatsvond. Toch heeft de minister bij de beoordeling van eisers asielmotieven aan hem tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden. Verder heeft de minister volgens eiser geen rekening gehouden met het feit dat hij 14 jaar was toen hij zijn biseksualiteit ontdekte terwijl dit wel van invloed is op de mate waarin hij kan verklaren over zijn gedachten en gevoelens. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag.

10. De minister heeft in het bestreden besluit de beperkingen uit het medisch advies van MediFirst benoemd en heeft het standpunt ingenomen dat daarmee ook rekening is gehouden door bijvoorbeeld pauzes aan te bieden en vragen duidelijk uit te leggen. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser vanwege zijn beperkingen niet goed heeft kunnen verklaren, vragen niet heeft begrepen of moeite had met het beantwoorden van vragen. Verder heeft de minister in het bestreden besluit op meerdere punten benoemd dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens. Hieruit blijkt volgens de minister dat eisers leeftijd is meegewogen in de beoordeling van de geloofwaardigheid. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat eiser ondertussen ouder is en een relatie met een man heeft gehad zodat eiser ondanks zijn jonge leeftijd toentertijd inmiddels beter had moeten kunnen verklaren over de ontdekking dat hij ook gevoelens heeft voor jongens.

10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het referentiekader voldoende weergegeven in het bestreden besluit. Ook heeft de minister tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met eisers beperkingen door het regelmatig aanbieden van pauzes en het verduidelijken van vragen. Voor zover eiser aanvoert dat de minister op deze onderdelen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, slaagt de beroepsgrond niet.

10.2.. De rechtbank is daarentegen ook van oordeel dat de minister het referentiekader in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven. In het bestreden besluit benoemt de minister alleen dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij gevoelens had voor jongens.Daaruit blijkt volgens de rechtbank niet hoe de minister deze omstandigheid heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. Het bestreden besluit bevat om deze reden een motiveringsgebrek.

10.3.. Gelet op de toelichting van de minister op de zitting zoals weergegeven in overweging 10 van deze uitspraak ziet de rechtbank wel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister afdoende toegelicht dat ook in het licht van zijn minderjarige leeftijd de verklaringen onvoldoende zijn om zijn biseksualiteit geloofwaardig te vinden. De rechtbank kan dit volgen onder verwijzing naar de overwegingen hierna ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de biseksualiteit.

De geloofwaardigheid van de biseksualiteit

11. De rechtbank overweegt dat de minister aan de hand van Werkinstructie 2019/17 beoordeelt of het geloofwaardig is dat een vreemdeling LHBTI is. De minister richt zich bij die beoordeling in ieder geval op de volgende vier thema’s: (i) privéleven en omgeving, (ii) huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen, (iii) contact met het LHBTI’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en (iv) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. De minister beoordeelt de thema’s in onderlinge samenhang en maakt in elk individueel geval een afweging van wat relevant is voor de beoordeling. Daarbij betrekt de minister het authentieke verhaal van de vreemdeling over zijn gestelde seksualiteit.

12. Eiser voert daarover aan dat de minister ten onrechte zijn biseksualiteit niet geloofwaardig heeft gevonden. Eiser bestrijdt in beroep alle tegenwerpingen van de minister en voert aan dat hij wel degelijk authentiek en voldoende diepgaand heeft verklaard over de vier thema’s die centraal staan in Werkinstructie 2019/17.

Verklaringen over ontdekking en gevoelens

13. Meer in het bijzonder voert eiser aan dat hij voldoende heeft verklaard over het proces dat hij heeft doorgemaakt vanaf het moment dat hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens en dat hij dit proces voldoende heeft beschreven. Eiser verwijst naar pagina’s 16 tot en met 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij op zijn 14e een vriendin had en de daarbij behorende gevoelens van aantrekking en verliefdheid leerde kennen. Vervolgens ontdekte eiser dat hij dat ook voelde bij een gebruikelijke omhelzing met een jongen van zijn leeftijd. Op dat moment voelde eiser zich anders, hij ervaarde deze gevoelens als negatief en keurde het af. Daarover verklaart eiser dat hij beïnvloed was door de cultuur waarin hij is opgegroeid en dat hij daarom probeerde te doen alsof hij deze gevoelens niet had, maar dat de gevoelens niet weggingen en hij deze niet onder controle kreeg. Volgens eiser heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze verklaringen niet authentiek zijn en dat niet is betrokken dat eiser ten tijde van een deel van dit proces 14 jaar was.

13.1.. Verder voert eiser aan dat hij wel authentiek heeft verklaard over zijn gevoelens met betrekking tot zijn biseksualiteit, wat het met hem deed dat hij ook op mannen valt, en over de acceptatie van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarvoor naar pagina’s 19 en 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij zijn gevoelens zoveel mogelijk met meisjes probeerde te uiten, dat hij zichzelf probeerde te overtuigen dat er niets mis met zijn gevoelens was en dat hij soms slecht over zichzelf dacht. Deze tweestrijd verdween nadat eiser in 2016 in het toerisme ging werken en zag hoe Europeanen vrijer leefden, waaronder ook het openlijk uiten van homoseksualiteit. Ook ging eiser op het internet lezen over de LHBTI-gemeenschap. Door op het internet te lezen kwam eiser erachter dat zijn gevoelens normaal zijn en dat hij nu eenmaal zo is geboren. Hierna vond eiser innerlijke rust, maar voelde hij nog steeds een strijd met de maatschappij. Volgens eiser heeft de minister ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd waarom alleen sprake is van een begin van een authentiek verhaal en dat zijn verklaringen onvoldoende zijn.

14. De minister heeft zich over dit alles op het standpunt gesteld dat eiser zijn gevoelens hierover alleen in algemeenheden heeft omschreven en dat deze verklaringen niet persoonlijk en authentiek zijn. De verklaringen bevatten volgens de minister geen persoonlijke ervaringen, die voor eiser persoonlijk en authentiek zijn en daardoor meer inzicht geven in zijn gevoelens door de jaren heen.

14.1.. Dat eiser heeft verklaard dat hij in een resort werkte waar hij met mensen met een andere levensstijl in aanraking kwam, is volgens de minister een begin van een authentiek verhaal over de acceptatie van zijn gevoelens maar dat is niet voldoende. En dat eiser heeft verklaard dat hij zich negatief voelde, zijn gevoelens wegdrukte, soms slecht over zichzelf dacht en een innerlijke strijd ervaarde, is eveneens te oppervlakkig. De minister heeft daarop doorgevraagd waarna eiser zijn gevoelens heeft omschreven aan de hand van een voorbeeld: een taart die voor je staat, maar waar je niet aan mag komen. Volgens de minister is ook dit voorbeeld oppervlakkig en geeft het geen blijk van persoonlijke details.

14.2.. De minister heeft verder ter zitting toegelicht dat hij verwacht dat eiser met meer diepgang dan dat hij heeft gedaan kan verklaren over zijn persoonlijke gevoelens, omdat hij al sinds dat hij 14 jaar is van zijn biseksualiteit afweet en heeft verklaard dat hij al meerdere jongens leuk heeft gevonden.

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het proces van ontdekking van zijn biseksualiteit en zijn gevoelens hierover en acceptatie daarvan alleen een begin van een authentiek verhaal vormen. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij meerdere keren gevoelens heeft gehad voor jongens, alsook een langdurige relatie met een mannelijke partner en dat hij reeds vanaf dat hij 14 jaar is, weet dat hij biseksuele gevoelens heeft. Gelet hierop heeft de minister eisers verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn innerlijke strijd en acceptatie, welke is geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld over taart en zijn werkzaamheden in het hotel, onvoldoende mogen vinden. Eisers verklaringen over bijvoorbeeld zijn werkzaamheden in het hotel geven wel enig inzicht in zijn gevoelens, maar de rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat dit slechts een begin van een authentiek verhaal is en dat eiser onvoldoende diepgang heeft getoond in zijn verdere verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn gevoelens en acceptatie over zijn biseksualiteit. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat het feit dat eiser slechts 14 jaar oud was toen hij erachter kwam dat hij gevoelens voor jongens had dit niet anders maakt. Ook gelet op deze leeftijd heeft de minister van eiser meer mogen verwachten. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar overwegingen 9 tot en met 10.3 van deze uitspraak die gaan over dit referentiekader.

Verklaringen over verschillen tussen mannen en vrouwen

16. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte verwacht dat eiser verklaart over een verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen. Voor eiser is er niet zozeer een verschil in gevoelens. Eiser heeft dit in de zienswijze ook nader toegelicht, namelijk dat hij een voorkeur heeft voor beiden, maar dat het op sommige punten ook anders is. Eiser voelt bij vrouwen meer mannelijke energie en bij mannen meer vrouwelijke energie en soms ook mannelijke energie. Dit betekent volgens eiser dat hij in een relatie met een man meer verzorgd wil worden en zich terughoudender en vrouwelijker opstelt.

17. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zelf heeft verklaard dat er een verschil is zodat ook van hem verwacht kan worden dat hij het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen kan duiden. De minister stelt zich verder op het standpunt dat van eisers verklaringen over dit verschil meer verwacht mag worden. Dit omdat eiser zowel met vrouwen, als met mannen relaties heeft gehad. Volgens de minister zijn de verklaringen over energie oppervlakkig en geven deze verklaringen weinig diepgang.

18. De rechtbank overweegt dat eiser in het nader gehoor op de vraag of hij een voorkeur heeft voor mannen of vrouwen heeft verklaard dat hij een voorkeur heeft voor allebei. En dat eiser op de daarop volgende vraag of hij dus geen voorkeur heeft, heeft verklaard dat ze allebei anders zijn, net als aardbeien en chocolades, maar dat hij van allebei houdt (nader gehoor p. 17 en 28). Nu eiser zelf heeft verklaard dat ze anders zijn, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook van eiser mogen verwachten dat hij dat nader kan toelichten.

18.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen oppervlakkig zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eisers verklaringen geen tot weinig inzicht geven in zijn gevoelens maar in plaats daarvan beschrijven wat voor rol hij inneemt binnen de relatie. Ook de vergelijking met het verschil tussen aardbeien en chocolade heeft de minister geen afdoende toelichting hoeven vinden.

Verklaringen over relaties

19. Eiser voert verder aan dat de minister voorbij is gegaan aan wat hij naar voren heeft gebracht in de zienswijze over zijn verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken daarvan. Eiser heeft daarover samengevat verklaard dat hij en [naam] begonnen te praten over homoseksuele relaties, dat eiser merkte dat [naam] dat idee al had geaccepteerd en dat [naam] vrijdenkend was. Ook wist eiser dat [naam] gevoelens voor hem had toen [naam] naar hem had uitgesproken dat als eiser een vrouw zou zijn geweest dat hij dan met eiser zou trouwen. De relatie heeft zich stap voor stap ontwikkeld en zij moesten hun relatie verborgen houden voor de buitenwereld. Volgens eiser heeft hi niet oppervlakkig verklaard over wat hij leuk vond aan [naam] , namelijk dat hij een sterke persoonlijkheid had, en eerlijk en trouw was. Ook heeft eiser verklaard over wat hij leuk vond om te doen met [naam] en over zijn gevoelens wat betreft zijn relatie met [naam] .

20. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken ervan onvoldoende inzichtelijk zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser tussen 2016 en 2018 een relatie met [naam] heeft gehad, maar dat hij weinig inzicht kan geven in hoe zijn vriendschap met [naam] ontwikkelde naar een liefdesrelatie. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] dezelfde voorkeuren en overeenkomsten hadden, alles samendeden en dat de relatie zich stap voor stap ontwikkelde (nader gehoor p. 24). De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat hieruit niet duidelijk wordt hoe de relatie met [naam] zich ontwikkelde naar een liefdesrelatie.

20.1.. De minister heeft ook kunnen betrekken dat eisers antwoorden op de vragen hoe hij zich voelde toen hij in 2016 toen hij 25 was voor het eerst een relatie met een man kreeg, nadat hij al sinds zijn 14e wist dat hij op mannen viel, weinig inzicht bieden. Eiser verklaart dat het hetzelfde is als een relatie met een vrouw, dat hij van de relatie genoot en dat hij leuke dingen deed waar hij zich goed bij voelde (nader gehoor p. 25 en 26). De minister heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat eiser daarmee weinig inzicht geeft in zijn gevoelens.

20.2.. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over het verbreken van de relatie en de gevoelens die hij daarna had terwijl hij vrienden bleef met [naam] oppervlakkig zijn. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het feit dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] hun relatie hebben verbroken vanwege het gevaar dat zij lopen als koppel en niet omdat zij geen gevoelens meer voor elkaar hadden.

Verklaringen over kennis van de LHBTI-gemeenschap in Egypte en Nederland

21. De rechtbank stelt vast dat de minister in beroep niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij zich in Nederland niet verder heeft verdiept in kennis over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties.

22. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat de LHBTI-gemeenschap in Egypte wordt onderdrukt, dat er LHBTI-organisaties waren in Egypte en dat er ook feesten waren (nader gehoor p. 10, 13 en 30). Verder heeft eiser verklaard dat hij nooit lid heeft willen worden van een LHBTI-organisatie, omdat hij vreesde voor de risico’s als hij zich daarbij zou aansluiten (nader gehoor p. 31).

23. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap in Egypte. Daarbij heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. Eiser heeft verklaard dat de Egyptische wet homoseksualiteit verbiedt (nader gehoor p. 10 en 30) terwijl uit het ambtsbericht van Egypte van november 2021 blijkt dat dit strikt genomen niet het geval is.Ook kan eiser weinig verklaren over de situatie van de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat het strafbaar is om LHTBI te zijn, dat LHBTI’ers in de gevangenis terecht komen en dat er negatief over hen wordt gedacht (nader gehoor p. 10 en 30). De minister heeft deze verklaringen algemeen mogen vinden. Dit te meer omdat eiser ook heeft verklaard dat hij vanaf zijn twintigste is gaan lezen op het internet over de LHBTI-gemeenschap (nader gehoor p. 18 en 19). Dat eiser in de zienswijze meer context geeft over de wet- en regelgeving in Egypte verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat niet duidelijk is of dit afkomstig is uit algemene bronnen of van eiser zelf.

Problemen vanwege biseksualiteit in Egypte

24. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen over het incident met [naam] niet aannemelijk zijn. Eiser heeft een reden gegeven waarom het zoenen met [naam] op straat geen risicovol en onverantwoord gedrag was, namelijk omdat er niet vaak werd gepatrouilleerd op de plek waar zij waren en omdat het in de nacht was. Bovendien betekent risicovol niet per definitie dat het gedrag ongerijmd is. Ook voert eiser aan dat hij niet alleen fysieke verwondingen heeft opgelopen nadat hij en [naam] zijn mishandeld door de politie nadat zij op straat werden betrapt. Eiser heeft namelijk ook psychische problemen overgehouden aan het incident. Eiser wilde hierover verklaren tijdens het nader gehoor, maar hij werd afgekapt door de gehoormedewerker. Ook was eiser zichtbaar geëmotioneerd toen hij vertelde over het incident met [naam] , daaruit blijkt ook dat hij psychische problemen heeft overgehouden.

25. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in beroep niet meer aan eiser tegenwerpt dat hij nog vrienden is gebleven met [naam] na het incident. Ongeacht het feit of het zoenen op straat risicovol gedrag was of niet, is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat de gestelde verwondingen niet corresponderen met de mate van politiegeweld waarover eiser heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] slachtoffer zijn geworden van een hele gewelddadige aanval van zes politieagenten en dat zij zwaargewond waren na het incident. Anderzijds heeft eiser verklaard dat zij blauwe plekken hadden en kompressen hebben gebruikt om de pijn te verzachten (nader gehoor p. 33 en 34). Dit heeft de minister niet in verhouding met elkaar mogen vinden. Eisers verklaring dat de politieagenten weten hoe zij moeten martelen zonder sporen achter te laten heeft de minister hiervoor geen voldoende verklaring mogen vinden. Verder heeft eiser de psychologische problemen die hij heeft opgelopen door het incident met [naam] niet onderbouwd. Dat eiser tijdens het gehoor emotioneel werd is onvoldoende reden om aan te nemen dat hij psychische problemen heeft overgehouden aan dit incident.

Verklaringen van derden

26. Eiser voert aan dat de minister de brief van zijn huidige vriendin onvoldoende heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarbij naar Werkinstructie 2019/17 van de minister en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025.Verder kan de minister volgens eiser niet volstaan met het standpunt dat de brief niet een objectieve bron is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021.

27. De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie 2019/17 van de minister blijkt dat verklaringen van derden, zoals een brief van een partner, altijd worden meegewogen en dat het gewicht dat wordt toegekend aan die verklaring afhankelijk is van elk individueel geval. De minister moet inzichtelijk motiveren welk gewicht wordt toegekend aan de verklaring van een derde. Uit Werkinstructie 2019/17 blijkt ook dat de minister daarbij de bron van de verklaring mag betrekken en ook de objectiviteit van die bron. De minister kan meer gewicht toekennen aan verklaringen van personen die zelf geen belang hebben bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag dan aan verklaringen van een derde die wel belang hebben bij de uitkomst van de asielaanvraag.

27.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan de brief van eisers huidige vriendin geen waarde wordt gehecht voor de geloofwaardigheid van zijn biseksualiteit. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eisers huidige vriendin een eigen belang heeft bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag, omdat zij een relatie heeft met eiser. Zij is daarom niet aan te merken als een objectieve bron. Ook heeft de minister in het voornemen betrokken dat de brief geen eigen waarnemingen van eisers huidige vriendin bevat, maar dat het een steunbetuiging is die alleen is gebaseerd op wat zij heeft gehoord van eiser. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025 leidt niet tot een andere conclusie, omdat in dat geval de minister in het besluit alleen had gemotiveerd dat de verklaring van een derde ter kennis is genomen terwijl in dit geval de minister heeft gemotiveerd hoe de verklaring is meegewogen bij de beoordeling. Verder kan de rechtbank de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021 niet volgen, omdat uit deze uitspraak niet blijkt wat eiser in beroep daarover aanvoert.

Terugkeer naar Egypte

28. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser geeft een verklaring voor zijn tussentijdse terugkeer, namelijk omdat hij wist dat hij een vergunning zou krijgen in Nederland.

28.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser was in 2021 al in de gelegenheid om een asielaanvraag in te dienen toen hij in Nederland was. Dat hij dit niet heeft gedaan en vervolgens ook is teruggekeerd naar Egypte terwijl hij daar stelt te vrezen voor vervolging of ernstige schade doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven.

Asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend

29. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser vond het pas nodig om zijn asielaanvraag in te dienen nadat zijn reguliere verblijfsvergunning daadwerkelijk werd ingetrokken.

30. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas mag betrekken of een vreemdeling zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

30.1.. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in Nederland verbleef met een toeristenvisum voor de periode van 19 februari 2021 tot en met 4 juni 2021. Eiser is in april van 2021 teruggekeerd naar Egypte en is in juni van 2021 weer opnieuw naar Nederland gekomen. Daarna heeft eiser in Nederland bij zijn echtgenote verbleven met een reguliere verblijfsvergunning. Het huwelijk en de gezinsband tussen eiser en zijn echtgenote is op [datum echtscheiding] 2022 verbroken en daarvan is melding gedaan bij de minister. De minister heeft op 31 januari 2023 en 27 februari 2023 een voornemen uitgebracht waarin aan eiser is bekend gemaakt dat zijn reguliere verblijfsvergunning zal worden ingetrokken. De minister heeft vervolgens eisers reguliere verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken bij besluit van 22 maart 2023. Eiser heeft vervolgens op 12 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Uit het voorgaande blijkt dat eiser voldoende gelegenheden heeft gehad om een asielaanvraag te doen om bescherming te krijgen in Nederland. Ook wist eiser tenminste sinds het voornemen van 31 januari 2023 dat zijn verblijfsrecht in Nederland niet meer zeker was. Omdat eiser vervolgens pas op 12 april 2023 een asielaanvraag heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat de minister bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

Tussenconclusie geloofwaardigheid biseksualiteit

31. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. De rechtbank is daarin steeds tot het oordeel gekomen dat de beroepsgronden gericht tegen de tegenwerpingen van de minister niet slagen. Gelet op die conclusies is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is.

De geloofwaardigheid van de problemen vanwege afvalligheid

32. De rechtbank stelt vast dat eiser – gezien hetgeen ter zitting is besproken - in beroep niet meer aanvoert dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen problemen heeft gehad met zijn familie vanwege het niet praktiseren van de islam en dat hij na 2019 nog zonder problemen heeft verbleven in Egypte.

Wetenschap moslimbroederschap van afvalligheid eiser

33. Eiser voert aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft in het nader gehoor de verwarring hierover voldoende opgehelderd en dit is ook in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor nog een keer verduidelijkt. Volgens eiser motiveert de minister niet deugdelijk waarom deze tegenstrijdigheid nog steeds aan hem wordt tegengeworpen.

33.1..

De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tijdens het nader gehoor wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat eiser afvallig is. Enerzijds heeft eiser verklaard dat zijn broer aan andere mensen heeft verteld dat hij afvallig is en dat het via derden (en dus indirect) bij het moslimbroederschap terecht is gekomen (nader gehoor p. 43, 52 en 54). Anderzijds heeft eiser verklaard dat het moslimbroederschap weet van eisers afvalligheid, omdat zijn broer het (direct) aan hen zou hebben verteld (nader gehoor p. 48, 49, 50 en 52). Eiser heeft in de correcties en aanvullingen van het nader gehoor aangegeven dat hij niet heeft bedoeld dat zijn broer het direct aan het moslimbroederschap heeft verteld, maar dat het moslimbroederschap indirect op de hoogte is gekomen van zijn afvalligheid. De rechtbank is van oordeel dat alhoewel eiser in de correcties en aanvullingen zijn tegenstrijdige verklaringen heeft willen herstellen, dat niet wegneemt dat hij meerdere keren en op verschillende momenten in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn broer direct aan het moslimbroederschap heeft verteld dat eiser afvallig is. Het is daarom niet een eenmalige verspreking geweest. Eiser heeft geen deugdelijke reden gegeven waarom hij hierover meerdere keren tegenstrijdig heeft verklaard tijdens het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap weet dat hij afvallig is.

Verklaringen over bedreigingen van het moslimbroederschap in verband met afvalligheid en militaire dienst

34. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van meerdere jaren, van 2018 tot 2021, meerdere keren per week zou bedreigen. Volgens eiser betrof het een periode van meer dan een jaar met tussenpozen waarin hij één tot twee keer per week werd bedreigd. Ook heeft eiser in de zienswijze een verklaring gegeven waarom hij geen serieuze problemen heeft gehad met het moslimbroederschap nadat hij bedreigd werd. Dit omdat hij in Egypte niet in het dorp van zijn familie verbleef en als hij daar wel verbleef dan was hij er voor korte duur en verbleef hij op meerdere plekken in het dorp.

34.1.. Verder voert eiser aan dat het moslimbroederschap hem heeft bedreigd, omdat hij in het leger heeft gevochten tegen leden van het moslimbroederschap die onderdeel uitmaakten van de Islamitische Staat (IS) toen eiser in dienstplicht was. Daarnaast is eiser afgezwaaid van het leger wat hem een doelwit maakt van het moslimbroederschap en is hij bij hen bekend als afvallige omdat hij zich kritisch heeft geuit over de islam.

35. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van twee en een half jaar, ook met tussenpozen, wekelijks telefonisch heeft bedreigd. De minister heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat niet valt in te zien wat voor redenen het moslimbroederschap zou hebben om eiser op deze wijze over een lange periode telefonisch te bedreigen terwijl het hen niets oplevert. Ook is eiser ondanks de gestelde hoeveelheid bedreigingen meerdere keren teruggekeerd naar het dorp waar hij vandaan komt terwijl het moslimbroederschap zich daar ook bevond (nader gehoor p. 59 en 60).

35.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verband tussen de bedreigingen van het moslimbroederschap, het vechten tegen hen in het leger en het zijn van afvallige niet aannemelijk is. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat alle mannen in Egypte dienstplichtig zijn en dat eiser daarom niet de enige is die is afgezwaaid van het leger. Het feit dat eiser in het leger heeft gediend en is afgezwaaid maakt hem persoonlijk dus geen doelwit van het moslimbroederschap. Verder valt niet in te zien dat het moslimbroederschap of de IS alle soldaten van het Egyptische leger kent waartegen zij hebben gevochten. Tenslotte heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij het moslimbroederschap vanwege zijn afvalligheid, omdat hij heeft verklaard dat hij alleen met zijn familie kritische discussies over het geloof aanging (nader gehoor p. 50 en 51).

Verklaringen over eisers schoonzus

36. Eiser voert aan dat het ten onrechte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap dat hij contact bleef houden met zijn schoonzus terwijl daardoor zijn broer en het moslimbroederschap op de hoogte kwamen van het steeds weer nieuwe telefoonnummer van eiser. Dit omdat eiser heeft uitgelegd dat hij de informatie over wat zijn familie van hem vond en welke familieleden hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan het steeds moeten vernieuwen van zijn telefoonnummer in verband met de telefonische bedreigingen.

37. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat het contact blijven houden met zijn schoonzus terwijl dit ertoe leidde dat zijn telefoonnummer telkens aan het moslimbroederschap werd gelekt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met het moslimbroederschap. De minister heeft de verklaringen van eiser dat hij de informatie over wat zijn familieleden van hem vonden en wie hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan dat zijn nummer gelekt werd niet begrijpelijk mogen vinden in het licht van het gevaar waarvoor eiser stelt te vrezen.

Verklaringen over uitkomen van eisers afvalligheid

38. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij even moest nadenken over het antwoord op de vraag wanneer zijn afvalligheid is uitgekomen, maar dat dit medio 2019 was (nader gehoor p. 43). Dat eiser op een later moment verklaart dat dit eind 2018 was (nader gehoor p. 56) kan de minister niet aan hem tegenwerpen gelet op zijn referentiekader.

39. Gelet op het medisch advies zoals beschreven in overweging 9 van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Dit omdat uit het medisch advies blijkt dat eiser geen precieze data kan onthouden.

Terugkeer naar Egypte

40. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn terugkeer naar Egypte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 28 en 28.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.

Asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend

41. Eiser voert aan dat de minister ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn problemen met het moslimbroederschap ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 30 en 30.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.

Tussenconclusie geloofwaardigheid van de problemen met moslimbroederschap vanwege afvalligheid en militaire dienst

42. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege zijn afvalligheid. Gelet daarop is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met het moslimbroederschap niet geloofwaardig zijn. Het feit dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de periode waarin uitkwam dat hij afvallig is doet aan dit oordeel niet af. Dit omdat de rechtbank ook van oordeel is dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de overige tegenwerpingen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de problemen met het moslimbroederschap.

Zwaarwegendheid

43. De rechtbank stelt vast dat gezien hetgeen ter zitting is besproken eiser in beroep niet langer aanvoert dat de minister ten onrechte zijn afvalligheid van de islam alleen heeft beoordeeld onder vluchtelingschap en niet onder ernstige schade.

Zwaar inreisverbod en besluit tot signalering

44. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd, omdat zijn persoonlijke gedrag geen actuele en voldoende ernstige bedreiging is van de openbare orde of veiligheid. Het feit dat eiser recent strafbare feiten heeft gepleegd, dat hij daarvoor is veroordeeld en dat hij in detentie zit, is volgens eiser onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde en veiligheid. Verder voert eiser aan dat het feit dat een contact- en locatieverbod is opgelegd niet betekent dat sprake is van een risico op recidive en dat daarom zijn persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging van de openbare orde of veiligheid is. Ook had de minister bij deze beoordeling rekening moeten houden met de verhouding tussen de straf die aan eiser is opgelegd en de maximale straf die opgelegd had kunnen worden. Daarbij wijst eiser op twee uitspraken van de rechtbank Den Haagen een overgelegd advies voor voorlopige invrijheidsstelling.

45. De rechtbank overweegt dat de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar kan opleggen aan een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid.De minister moet in dat geval beoordelen of de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare ode vormen.

45.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen, omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid. Dit ondanks het feit dat de minister in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser het grootste gedeelte van de opgelegde straf nog moet uitzitten en dat hij afgelopen jaar voor de strafbare feiten is veroordeeld, maar de minister op de zitting heeft aangegeven dat dit onjuist is.

45.2.. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft eiser op 19 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van de tijd die eiser in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft het gerechtshof aan eiser een contactverbod opgelegd met het slachtoffer en een locatieverbod voor de gemeente [plaats] . Eiser is veroordeeld voor het binnendringen in de woning van zijn voormalig echtgenote om haar vervolgens gedurende drie uur met woorden en met een mes te bedreigen. Ook heeft eiser volgens het gerechtshof geprobeerd seks af te dwingen, terwijl hem duidelijk moest zijn dat zijn voormalig echtgenote dat niet wilde. Eiser heeft het plegen van de strafbare feiten altijd ontkend en uit het advies voorlopige invrijheidsstelling van 31 juli 2025 en het reclasseringsadvies van 26 mei 2025 blijkt dat hij het plegen van de strafbare feiten nog altijd ontkent. Het risico op recidive kan daarom niet worden ingeschat.

45.3.. Gezien de ernst van de gepleegde strafbare feiten heeft de minister aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar mogen opleggen. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat er onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gebracht dat sprake is van een positieve gedragsverandering en ook dat eiser dit nog niet heeft kunnen laten zien in de vrije maatschappij. Het advies voorlopige invrijheidsstelling betreft de periode in detentie en komt daarom niet de waarde toe die eiser daaraan hecht. Verder betekent het feit dat de kans op recidive niet kan worden ingeschat niet dat daarom geen sprake is van een actuele bedreiging. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom eisers persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging vormt. De minister heeft daarbij betrokken dat eiser het misdrijf waarvoor hij veroordeeld is nog steeds ontkend en dat hij is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten met een ernstige aard, namelijk geweldsmisdrijven tegen eisers voormalige echtgenote.

Privéleven

46. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of het opleggen van een zwaar inreisverbod in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser motiveert de minister daarmee niet waarom het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan zijn in Nederland opgebouwde privéleven.

47. De rechtbank overweegt dat de minister bij het opleggen van een inreisverbod beoordeelt of dit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.De minister heeft in het bestreden besluit alleen beoordeeld of het opleggen van het inreisverbod in strijd is met eisers familieleven en heeft daarbij vastgesteld dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en zijn vriendin in Nederland. De minister heeft daarmee in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van privéleven en of het opleggen van een inreisverbod daarmee in strijd is. De minister heeft zich echter in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van privéleven, omdat eiser dit zowel in de zienswijze als in beroep niet heeft onderbouwd.

47.1.. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat de minister heeft nagelaten te beoordelen of het opleggen van een inreisverbod in strijd is met eisers privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet daarentegen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gelet op de aanvullende motivering die de minister op de zitting heeft gegeven en het feit dat eiser het bestaan van privéleven ook in beroep verder niet heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

48. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft.

49. De rechtbank ziet gelet op de overwegingen 10.3 en 47.1 van deze uitspraak wel aanleiding om de minister te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814.- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2791.

Zie pagina 4 van het bestreden besluit en pagina 4 van het voornemen van 1 mei 2025.

Algemeen ambtsbericht Egypte november 2021, pagina 86.

Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1062.

Uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2675.

Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14655 en van de zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1396.

Artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 (Zh. en O.), ECLI:EU:C:2015:377 en bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4687.

Paragraaf A4/2.2 onder c van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Plus de Décisions