[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18653":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18653":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1181","ECLI:NL:RBDHA:2026:18653","",63,"Utrecht","utrecht","2026-01-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.25459\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. In het bijzonder gaat deze uitspraak over de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser, namelijk zijn biseksualiteit en de problemen die hij heeft met het moslimbroederschap omdat hij afvallig is van de islam. Ook gaat deze uitspraak over de vraag of de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen.\n\n2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n3. Eiser heeft op 12 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n5. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Sahraf als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is biseksueel en heeft in Egypte een relatie gehad met een man genaamd [naam] . Eiser en [naam] zijn op straat betrapt tijdens het zoenen en zijn door politieagenten ernstig mishandeld. Ook is eiser afvallig van de islam. Toen zijn familie hierachter kwam heeft eiser problemen gekregen met zijn familie en het moslimbroederschap in zijn dorp waarna hij voor lange tijd door hen is bedreigd. Het moslimbroederschap heeft eiser aangereden toen hij op de scooter reed. Eiser is hierdoor zwaargewond geraakt. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor zijn familie en het moslimbroederschap vanwege zijn biseksualiteit en afvalligheid van de islam.\n\nHet bestreden besluit\n\n7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbiseksuele geaardheid; en\n\nafvalligheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst alsook de afvalligheid van de islam geloofwaardig. De minister vindt eisers biseksualiteit en de problemen die hij heeft als gevolg van zijn afvalligheid van de islam niet geloofwaardig. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. De minister heeft dit inreisverbod opgelegd, omdat eiser is veroordeeld voor het plegen van meerdere strafbare feiten. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormt.\n\nReferentiekader\n\n9. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Uit het medisch advies voor het horen en beslissen van MediFirst blijkt onder andere dat eiser geen precieze data kan onthouden, maar zich wel kan herinneren hoeveel maanden terug een gebeurtenis plaatsvond. Toch heeft de minister bij de beoordeling van eisers asielmotieven aan hem tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden. Verder heeft de minister volgens eiser geen rekening gehouden met het feit dat hij 14 jaar was toen hij zijn biseksualiteit ontdekte terwijl dit wel van invloed is op de mate waarin hij kan verklaren over zijn gedachten en gevoelens. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag.\n\n10. De minister heeft in het bestreden besluit de beperkingen uit het medisch advies van MediFirst benoemd en heeft het standpunt ingenomen dat daarmee ook rekening is gehouden door bijvoorbeeld pauzes aan te bieden en vragen duidelijk uit te leggen. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser vanwege zijn beperkingen niet goed heeft kunnen verklaren, vragen niet heeft begrepen of moeite had met het beantwoorden van vragen. Verder heeft de minister in het bestreden besluit op meerdere punten benoemd dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens. Hieruit blijkt volgens de minister dat eisers leeftijd is meegewogen in de beoordeling van de geloofwaardigheid. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat eiser ondertussen ouder is en een relatie met een man heeft gehad zodat eiser ondanks zijn jonge leeftijd toentertijd inmiddels beter had moeten kunnen verklaren over de ontdekking dat hij ook gevoelens heeft voor jongens.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het referentiekader voldoende weergegeven in het bestreden besluit. Ook heeft de minister tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met eisers beperkingen door het regelmatig aanbieden van pauzes en het verduidelijken van vragen. Voor zover eiser aanvoert dat de minister op deze onderdelen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n10.2.. De rechtbank is daarentegen ook van oordeel dat de minister het referentiekader in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven. In het bestreden besluit benoemt de minister alleen dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij gevoelens had voor jongens.Daaruit blijkt volgens de rechtbank niet hoe de minister deze omstandigheid heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. Het bestreden besluit bevat om deze reden een motiveringsgebrek.\n\n10.3.. Gelet op de toelichting van de minister op de zitting zoals weergegeven in overweging 10 van deze uitspraak ziet de rechtbank wel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister afdoende toegelicht dat ook in het licht van zijn minderjarige leeftijd de verklaringen onvoldoende zijn om zijn biseksualiteit geloofwaardig te vinden. De rechtbank kan dit volgen onder verwijzing naar de overwegingen hierna ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de biseksualiteit.\n\nDe geloofwaardigheid van de biseksualiteit\n\n11. De rechtbank overweegt dat de minister aan de hand van Werkinstructie 2019\u002F17 beoordeelt of het geloofwaardig is dat een vreemdeling LHBTI is. De minister richt zich bij die beoordeling in ieder geval op de volgende vier thema’s: (i) privéleven en omgeving, (ii) huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen, (iii) contact met het LHBTI’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en (iv) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. De minister beoordeelt de thema’s in onderlinge samenhang en maakt in elk individueel geval een afweging van wat relevant is voor de beoordeling. Daarbij betrekt de minister het authentieke verhaal van de vreemdeling over zijn gestelde seksualiteit.\n\n12. Eiser voert daarover aan dat de minister ten onrechte zijn biseksualiteit niet geloofwaardig heeft gevonden. Eiser bestrijdt in beroep alle tegenwerpingen van de minister en voert aan dat hij wel degelijk authentiek en voldoende diepgaand heeft verklaard over de vier thema’s die centraal staan in Werkinstructie 2019\u002F17.\n\nVerklaringen over ontdekking en gevoelens\n\n13. Meer in het bijzonder voert eiser aan dat hij voldoende heeft verklaard over het proces dat hij heeft doorgemaakt vanaf het moment dat hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens en dat hij dit proces voldoende heeft beschreven. Eiser verwijst naar pagina’s 16 tot en met 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij op zijn 14e een vriendin had en de daarbij behorende gevoelens van aantrekking en verliefdheid leerde kennen. Vervolgens ontdekte eiser dat hij dat ook voelde bij een gebruikelijke omhelzing met een jongen van zijn leeftijd. Op dat moment voelde eiser zich anders, hij ervaarde deze gevoelens als negatief en keurde het af. Daarover verklaart eiser dat hij beïnvloed was door de cultuur waarin hij is opgegroeid en dat hij daarom probeerde te doen alsof hij deze gevoelens niet had, maar dat de gevoelens niet weggingen en hij deze niet onder controle kreeg. Volgens eiser heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze verklaringen niet authentiek zijn en dat niet is betrokken dat eiser ten tijde van een deel van dit proces 14 jaar was.\n\n13.1.. Verder voert eiser aan dat hij wel authentiek heeft verklaard over zijn gevoelens met betrekking tot zijn biseksualiteit, wat het met hem deed dat hij ook op mannen valt, en over de acceptatie van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarvoor naar pagina’s 19 en 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij zijn gevoelens zoveel mogelijk met meisjes probeerde te uiten, dat hij zichzelf probeerde te overtuigen dat er niets mis met zijn gevoelens was en dat hij soms slecht over zichzelf dacht. Deze tweestrijd verdween nadat eiser in 2016 in het toerisme ging werken en zag hoe Europeanen vrijer leefden, waaronder ook het openlijk uiten van homoseksualiteit. Ook ging eiser op het internet lezen over de LHBTI-gemeenschap. Door op het internet te lezen kwam eiser erachter dat zijn gevoelens normaal zijn en dat hij nu eenmaal zo is geboren. Hierna vond eiser innerlijke rust, maar voelde hij nog steeds een strijd met de maatschappij. Volgens eiser heeft de minister ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd waarom alleen sprake is van een begin van een authentiek verhaal en dat zijn verklaringen onvoldoende zijn.\n\n14. De minister heeft zich over dit alles op het standpunt gesteld dat eiser zijn gevoelens hierover alleen in algemeenheden heeft omschreven en dat deze verklaringen niet persoonlijk en authentiek zijn. De verklaringen bevatten volgens de minister geen persoonlijke ervaringen, die voor eiser persoonlijk en authentiek zijn en daardoor meer inzicht geven in zijn gevoelens door de jaren heen.\n\n14.1.. Dat eiser heeft verklaard dat hij in een resort werkte waar hij met mensen met een andere levensstijl in aanraking kwam, is volgens de minister een begin van een authentiek verhaal over de acceptatie van zijn gevoelens maar dat is niet voldoende. En dat eiser heeft verklaard dat hij zich negatief voelde, zijn gevoelens wegdrukte, soms slecht over zichzelf dacht en een innerlijke strijd ervaarde, is eveneens te oppervlakkig. De minister heeft daarop doorgevraagd waarna eiser zijn gevoelens heeft omschreven aan de hand van een voorbeeld: een taart die voor je staat, maar waar je niet aan mag komen. Volgens de minister is ook dit voorbeeld oppervlakkig en geeft het geen blijk van persoonlijke details.\n\n14.2.. De minister heeft verder ter zitting toegelicht dat hij verwacht dat eiser met meer diepgang dan dat hij heeft gedaan kan verklaren over zijn persoonlijke gevoelens, omdat hij al sinds dat hij 14 jaar is van zijn biseksualiteit afweet en heeft verklaard dat hij al meerdere jongens leuk heeft gevonden.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het proces van ontdekking van zijn biseksualiteit en zijn gevoelens hierover en acceptatie daarvan alleen een begin van een authentiek verhaal vormen. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij meerdere keren gevoelens heeft gehad voor jongens, alsook een langdurige relatie met een mannelijke partner en dat hij reeds vanaf dat hij 14 jaar is, weet dat hij biseksuele gevoelens heeft. Gelet hierop heeft de minister eisers verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn innerlijke strijd en acceptatie, welke is geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld over taart en zijn werkzaamheden in het hotel, onvoldoende mogen vinden. Eisers verklaringen over bijvoorbeeld zijn werkzaamheden in het hotel geven wel enig inzicht in zijn gevoelens, maar de rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat dit slechts een begin van een authentiek verhaal is en dat eiser onvoldoende diepgang heeft getoond in zijn verdere verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn gevoelens en acceptatie over zijn biseksualiteit. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat het feit dat eiser slechts 14 jaar oud was toen hij erachter kwam dat hij gevoelens voor jongens had dit niet anders maakt. Ook gelet op deze leeftijd heeft de minister van eiser meer mogen verwachten. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar overwegingen 9 tot en met 10.3 van deze uitspraak die gaan over dit referentiekader.\n\nVerklaringen over verschillen tussen mannen en vrouwen\n\n16. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte verwacht dat eiser verklaart over een verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen. Voor eiser is er niet zozeer een verschil in gevoelens. Eiser heeft dit in de zienswijze ook nader toegelicht, namelijk dat hij een voorkeur heeft voor beiden, maar dat het op sommige punten ook anders is. Eiser voelt bij vrouwen meer mannelijke energie en bij mannen meer vrouwelijke energie en soms ook mannelijke energie. Dit betekent volgens eiser dat hij in een relatie met een man meer verzorgd wil worden en zich terughoudender en vrouwelijker opstelt.\n\n17. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zelf heeft verklaard dat er een verschil is zodat ook van hem verwacht kan worden dat hij het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen kan duiden. De minister stelt zich verder op het standpunt dat van eisers verklaringen over dit verschil meer verwacht mag worden. Dit omdat eiser zowel met vrouwen, als met mannen relaties heeft gehad. Volgens de minister zijn de verklaringen over energie oppervlakkig en geven deze verklaringen weinig diepgang.\n\n18. De rechtbank overweegt dat eiser in het nader gehoor op de vraag of hij een voorkeur heeft voor mannen of vrouwen heeft verklaard dat hij een voorkeur heeft voor allebei. En dat eiser op de daarop volgende vraag of hij dus geen voorkeur heeft, heeft verklaard dat ze allebei anders zijn, net als aardbeien en chocolades, maar dat hij van allebei houdt (nader gehoor p. 17 en 28). Nu eiser zelf heeft verklaard dat ze anders zijn, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook van eiser mogen verwachten dat hij dat nader kan toelichten.\n\n18.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen oppervlakkig zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eisers verklaringen geen tot weinig inzicht geven in zijn gevoelens maar in plaats daarvan beschrijven wat voor rol hij inneemt binnen de relatie. Ook de vergelijking met het verschil tussen aardbeien en chocolade heeft de minister geen afdoende toelichting hoeven vinden.\n\nVerklaringen over relaties\n\n19. Eiser voert verder aan dat de minister voorbij is gegaan aan wat hij naar voren heeft gebracht in de zienswijze over zijn verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken daarvan. Eiser heeft daarover samengevat verklaard dat hij en [naam] begonnen te praten over homoseksuele relaties, dat eiser merkte dat [naam] dat idee al had geaccepteerd en dat [naam] vrijdenkend was. Ook wist eiser dat [naam] gevoelens voor hem had toen [naam] naar hem had uitgesproken dat als eiser een vrouw zou zijn geweest dat hij dan met eiser zou trouwen. De relatie heeft zich stap voor stap ontwikkeld en zij moesten hun relatie verborgen houden voor de buitenwereld. Volgens eiser heeft hi niet oppervlakkig verklaard over wat hij leuk vond aan [naam] , namelijk dat hij een sterke persoonlijkheid had, en eerlijk en trouw was. Ook heeft eiser verklaard over wat hij leuk vond om te doen met [naam] en over zijn gevoelens wat betreft zijn relatie met [naam] .\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken ervan onvoldoende inzichtelijk zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser tussen 2016 en 2018 een relatie met [naam] heeft gehad, maar dat hij weinig inzicht kan geven in hoe zijn vriendschap met [naam] ontwikkelde naar een liefdesrelatie. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] dezelfde voorkeuren en overeenkomsten hadden, alles samendeden en dat de relatie zich stap voor stap ontwikkelde (nader gehoor p. 24). De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat hieruit niet duidelijk wordt hoe de relatie met [naam] zich ontwikkelde naar een liefdesrelatie.\n\n20.1.. De minister heeft ook kunnen betrekken dat eisers antwoorden op de vragen hoe hij zich voelde toen hij in 2016 toen hij 25 was voor het eerst een relatie met een man kreeg, nadat hij al sinds zijn 14e wist dat hij op mannen viel, weinig inzicht bieden. Eiser verklaart dat het hetzelfde is als een relatie met een vrouw, dat hij van de relatie genoot en dat hij leuke dingen deed waar hij zich goed bij voelde (nader gehoor p. 25 en 26). De minister heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat eiser daarmee weinig inzicht geeft in zijn gevoelens.\n\n20.2.. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over het verbreken van de relatie en de gevoelens die hij daarna had terwijl hij vrienden bleef met [naam] oppervlakkig zijn. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het feit dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] hun relatie hebben verbroken vanwege het gevaar dat zij lopen als koppel en niet omdat zij geen gevoelens meer voor elkaar hadden.\n\nVerklaringen over kennis van de LHBTI-gemeenschap in Egypte en Nederland\n\n21. De rechtbank stelt vast dat de minister in beroep niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij zich in Nederland niet verder heeft verdiept in kennis over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties.\n\n22. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat de LHBTI-gemeenschap in Egypte wordt onderdrukt, dat er LHBTI-organisaties waren in Egypte en dat er ook feesten waren (nader gehoor p. 10, 13 en 30). Verder heeft eiser verklaard dat hij nooit lid heeft willen worden van een LHBTI-organisatie, omdat hij vreesde voor de risico’s als hij zich daarbij zou aansluiten (nader gehoor p. 31).\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap in Egypte. Daarbij heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. Eiser heeft verklaard dat de Egyptische wet homoseksualiteit verbiedt (nader gehoor p. 10 en 30) terwijl uit het ambtsbericht van Egypte van november 2021 blijkt dat dit strikt genomen niet het geval is.Ook kan eiser weinig verklaren over de situatie van de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat het strafbaar is om LHTBI te zijn, dat LHBTI’ers in de gevangenis terecht komen en dat er negatief over hen wordt gedacht (nader gehoor p. 10 en 30). De minister heeft deze verklaringen algemeen mogen vinden. Dit te meer omdat eiser ook heeft verklaard dat hij vanaf zijn twintigste is gaan lezen op het internet over de LHBTI-gemeenschap (nader gehoor p. 18 en 19). Dat eiser in de zienswijze meer context geeft over de wet- en regelgeving in Egypte verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat niet duidelijk is of dit afkomstig is uit algemene bronnen of van eiser zelf.\n\nProblemen vanwege biseksualiteit in Egypte\n\n24. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen over het incident met [naam] niet aannemelijk zijn. Eiser heeft een reden gegeven waarom het zoenen met [naam] op straat geen risicovol en onverantwoord gedrag was, namelijk omdat er niet vaak werd gepatrouilleerd op de plek waar zij waren en omdat het in de nacht was. Bovendien betekent risicovol niet per definitie dat het gedrag ongerijmd is. Ook voert eiser aan dat hij niet alleen fysieke verwondingen heeft opgelopen nadat hij en [naam] zijn mishandeld door de politie nadat zij op straat werden betrapt. Eiser heeft namelijk ook psychische problemen overgehouden aan het incident. Eiser wilde hierover verklaren tijdens het nader gehoor, maar hij werd afgekapt door de gehoormedewerker. Ook was eiser zichtbaar geëmotioneerd toen hij vertelde over het incident met [naam] , daaruit blijkt ook dat hij psychische problemen heeft overgehouden.\n\n25. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in beroep niet meer aan eiser tegenwerpt dat hij nog vrienden is gebleven met [naam] na het incident. Ongeacht het feit of het zoenen op straat risicovol gedrag was of niet, is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat de gestelde verwondingen niet corresponderen met de mate van politiegeweld waarover eiser heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] slachtoffer zijn geworden van een hele gewelddadige aanval van zes politieagenten en dat zij zwaargewond waren na het incident. Anderzijds heeft eiser verklaard dat zij blauwe plekken hadden en kompressen hebben gebruikt om de pijn te verzachten (nader gehoor p. 33 en 34). Dit heeft de minister niet in verhouding met elkaar mogen vinden. Eisers verklaring dat de politieagenten weten hoe zij moeten martelen zonder sporen achter te laten heeft de minister hiervoor geen voldoende verklaring mogen vinden. Verder heeft eiser de psychologische problemen die hij heeft opgelopen door het incident met [naam] niet onderbouwd. Dat eiser tijdens het gehoor emotioneel werd is onvoldoende reden om aan te nemen dat hij psychische problemen heeft overgehouden aan dit incident.\n\nVerklaringen van derden\n\n26. Eiser voert aan dat de minister de brief van zijn huidige vriendin onvoldoende heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarbij naar Werkinstructie 2019\u002F17 van de minister en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025.Verder kan de minister volgens eiser niet volstaan met het standpunt dat de brief niet een objectieve bron is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021.\n\n27. De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie 2019\u002F17 van de minister blijkt dat verklaringen van derden, zoals een brief van een partner, altijd worden meegewogen en dat het gewicht dat wordt toegekend aan die verklaring afhankelijk is van elk individueel geval. De minister moet inzichtelijk motiveren welk gewicht wordt toegekend aan de verklaring van een derde. Uit Werkinstructie 2019\u002F17 blijkt ook dat de minister daarbij de bron van de verklaring mag betrekken en ook de objectiviteit van die bron. De minister kan meer gewicht toekennen aan verklaringen van personen die zelf geen belang hebben bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag dan aan verklaringen van een derde die wel belang hebben bij de uitkomst van de asielaanvraag.\n\n27.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan de brief van eisers huidige vriendin geen waarde wordt gehecht voor de geloofwaardigheid van zijn biseksualiteit. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eisers huidige vriendin een eigen belang heeft bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag, omdat zij een relatie heeft met eiser. Zij is daarom niet aan te merken als een objectieve bron. Ook heeft de minister in het voornemen betrokken dat de brief geen eigen waarnemingen van eisers huidige vriendin bevat, maar dat het een steunbetuiging is die alleen is gebaseerd op wat zij heeft gehoord van eiser. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025 leidt niet tot een andere conclusie, omdat in dat geval de minister in het besluit alleen had gemotiveerd dat de verklaring van een derde ter kennis is genomen terwijl in dit geval de minister heeft gemotiveerd hoe de verklaring is meegewogen bij de beoordeling. Verder kan de rechtbank de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021 niet volgen, omdat uit deze uitspraak niet blijkt wat eiser in beroep daarover aanvoert.\n\nTerugkeer naar Egypte\n\n28. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser geeft een verklaring voor zijn tussentijdse terugkeer, namelijk omdat hij wist dat hij een vergunning zou krijgen in Nederland.\n\n28.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser was in 2021 al in de gelegenheid om een asielaanvraag in te dienen toen hij in Nederland was. Dat hij dit niet heeft gedaan en vervolgens ook is teruggekeerd naar Egypte terwijl hij daar stelt te vrezen voor vervolging of ernstige schade doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend\n\n29. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser vond het pas nodig om zijn asielaanvraag in te dienen nadat zijn reguliere verblijfsvergunning daadwerkelijk werd ingetrokken.\n\n30. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas mag betrekken of een vreemdeling zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\n30.1.. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in Nederland verbleef met een toeristenvisum voor de periode van 19 februari 2021 tot en met 4 juni 2021. Eiser is in april van 2021 teruggekeerd naar Egypte en is in juni van 2021 weer opnieuw naar Nederland gekomen. Daarna heeft eiser in Nederland bij zijn echtgenote verbleven met een reguliere verblijfsvergunning. Het huwelijk en de gezinsband tussen eiser en zijn echtgenote is op [datum echtscheiding] 2022 verbroken en daarvan is melding gedaan bij de minister. De minister heeft op 31 januari 2023 en 27 februari 2023 een voornemen uitgebracht waarin aan eiser is bekend gemaakt dat zijn reguliere verblijfsvergunning zal worden ingetrokken. De minister heeft vervolgens eisers reguliere verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken bij besluit van 22 maart 2023. Eiser heeft vervolgens op 12 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Uit het voorgaande blijkt dat eiser voldoende gelegenheden heeft gehad om een asielaanvraag te doen om bescherming te krijgen in Nederland. Ook wist eiser tenminste sinds het voornemen van 31 januari 2023 dat zijn verblijfsrecht in Nederland niet meer zeker was. Omdat eiser vervolgens pas op 12 april 2023 een asielaanvraag heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat de minister bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nTussenconclusie geloofwaardigheid biseksualiteit\n\n31. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. De rechtbank is daarin steeds tot het oordeel gekomen dat de beroepsgronden gericht tegen de tegenwerpingen van de minister niet slagen. Gelet op die conclusies is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is.\n\nDe geloofwaardigheid van de problemen vanwege afvalligheid\n\n32. De rechtbank stelt vast dat eiser – gezien hetgeen ter zitting is besproken - in beroep niet meer aanvoert dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen problemen heeft gehad met zijn familie vanwege het niet praktiseren van de islam en dat hij na 2019 nog zonder problemen heeft verbleven in Egypte.\n\nWetenschap moslimbroederschap van afvalligheid eiser\n\n33. Eiser voert aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft in het nader gehoor de verwarring hierover voldoende opgehelderd en dit is ook in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor nog een keer verduidelijkt. Volgens eiser motiveert de minister niet deugdelijk waarom deze tegenstrijdigheid nog steeds aan hem wordt tegengeworpen.\n\n33.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tijdens het nader gehoor wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat eiser afvallig is. Enerzijds heeft eiser verklaard dat zijn broer aan andere mensen heeft verteld dat hij afvallig is en dat het via derden (en dus indirect) bij het moslimbroederschap terecht is gekomen (nader gehoor p. 43, 52 en 54). Anderzijds heeft eiser verklaard dat het moslimbroederschap weet van eisers afvalligheid, omdat zijn broer het (direct) aan hen zou hebben verteld (nader gehoor p. 48, 49, 50 en 52). Eiser heeft in de correcties en aanvullingen van het nader gehoor aangegeven dat hij niet heeft bedoeld dat zijn broer het direct aan het moslimbroederschap heeft verteld, maar dat het moslimbroederschap indirect op de hoogte is gekomen van zijn afvalligheid. De rechtbank is van oordeel dat alhoewel eiser in de correcties en aanvullingen zijn tegenstrijdige verklaringen heeft willen herstellen, dat niet wegneemt dat hij meerdere keren en op verschillende momenten in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn broer direct aan het moslimbroederschap heeft verteld dat eiser afvallig is. Het is daarom niet een eenmalige verspreking geweest. Eiser heeft geen deugdelijke reden gegeven waarom hij hierover meerdere keren tegenstrijdig heeft verklaard tijdens het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap weet dat hij afvallig is.\n\nVerklaringen over bedreigingen van het moslimbroederschap in verband met afvalligheid en militaire dienst\n\n34. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van meerdere jaren, van 2018 tot 2021, meerdere keren per week zou bedreigen. Volgens eiser betrof het een periode van meer dan een jaar met tussenpozen waarin hij één tot twee keer per week werd bedreigd. Ook heeft eiser in de zienswijze een verklaring gegeven waarom hij geen serieuze problemen heeft gehad met het moslimbroederschap nadat hij bedreigd werd. Dit omdat hij in Egypte niet in het dorp van zijn familie verbleef en als hij daar wel verbleef dan was hij er voor korte duur en verbleef hij op meerdere plekken in het dorp.\n\n34.1.. Verder voert eiser aan dat het moslimbroederschap hem heeft bedreigd, omdat hij in het leger heeft gevochten tegen leden van het moslimbroederschap die onderdeel uitmaakten van de Islamitische Staat (IS) toen eiser in dienstplicht was. Daarnaast is eiser afgezwaaid van het leger wat hem een doelwit maakt van het moslimbroederschap en is hij bij hen bekend als afvallige omdat hij zich kritisch heeft geuit over de islam.\n\n35. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van twee en een half jaar, ook met tussenpozen, wekelijks telefonisch heeft bedreigd. De minister heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat niet valt in te zien wat voor redenen het moslimbroederschap zou hebben om eiser op deze wijze over een lange periode telefonisch te bedreigen terwijl het hen niets oplevert. Ook is eiser ondanks de gestelde hoeveelheid bedreigingen meerdere keren teruggekeerd naar het dorp waar hij vandaan komt terwijl het moslimbroederschap zich daar ook bevond (nader gehoor p. 59 en 60).\n\n35.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verband tussen de bedreigingen van het moslimbroederschap, het vechten tegen hen in het leger en het zijn van afvallige niet aannemelijk is. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat alle mannen in Egypte dienstplichtig zijn en dat eiser daarom niet de enige is die is afgezwaaid van het leger. Het feit dat eiser in het leger heeft gediend en is afgezwaaid maakt hem persoonlijk dus geen doelwit van het moslimbroederschap. Verder valt niet in te zien dat het moslimbroederschap of de IS alle soldaten van het Egyptische leger kent waartegen zij hebben gevochten. Tenslotte heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij het moslimbroederschap vanwege zijn afvalligheid, omdat hij heeft verklaard dat hij alleen met zijn familie kritische discussies over het geloof aanging (nader gehoor p. 50 en 51).\n\nVerklaringen over eisers schoonzus\n\n36. Eiser voert aan dat het ten onrechte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap dat hij contact bleef houden met zijn schoonzus terwijl daardoor zijn broer en het moslimbroederschap op de hoogte kwamen van het steeds weer nieuwe telefoonnummer van eiser. Dit omdat eiser heeft uitgelegd dat hij de informatie over wat zijn familie van hem vond en welke familieleden hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan het steeds moeten vernieuwen van zijn telefoonnummer in verband met de telefonische bedreigingen.\n\n37. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat het contact blijven houden met zijn schoonzus terwijl dit ertoe leidde dat zijn telefoonnummer telkens aan het moslimbroederschap werd gelekt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met het moslimbroederschap. De minister heeft de verklaringen van eiser dat hij de informatie over wat zijn familieleden van hem vonden en wie hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan dat zijn nummer gelekt werd niet begrijpelijk mogen vinden in het licht van het gevaar waarvoor eiser stelt te vrezen.\n\nVerklaringen over uitkomen van eisers afvalligheid\n\n38. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij even moest nadenken over het antwoord op de vraag wanneer zijn afvalligheid is uitgekomen, maar dat dit medio 2019 was (nader gehoor p. 43). Dat eiser op een later moment verklaart dat dit eind 2018 was (nader gehoor p. 56) kan de minister niet aan hem tegenwerpen gelet op zijn referentiekader.\n\n39. Gelet op het medisch advies zoals beschreven in overweging 9 van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Dit omdat uit het medisch advies blijkt dat eiser geen precieze data kan onthouden.\n\nTerugkeer naar Egypte\n\n40. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn terugkeer naar Egypte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 28 en 28.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend\n\n41. Eiser voert aan dat de minister ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn problemen met het moslimbroederschap ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 30 en 30.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.\n\nTussenconclusie geloofwaardigheid van de problemen met moslimbroederschap vanwege afvalligheid en militaire dienst\n\n42. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege zijn afvalligheid. Gelet daarop is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met het moslimbroederschap niet geloofwaardig zijn. Het feit dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de periode waarin uitkwam dat hij afvallig is doet aan dit oordeel niet af. Dit omdat de rechtbank ook van oordeel is dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de overige tegenwerpingen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de problemen met het moslimbroederschap.\n\nZwaarwegendheid\n\n43. De rechtbank stelt vast dat gezien hetgeen ter zitting is besproken eiser in beroep niet langer aanvoert dat de minister ten onrechte zijn afvalligheid van de islam alleen heeft beoordeeld onder vluchtelingschap en niet onder ernstige schade.\n\nZwaar inreisverbod en besluit tot signalering\n\n44. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd, omdat zijn persoonlijke gedrag geen actuele en voldoende ernstige bedreiging is van de openbare orde of veiligheid. Het feit dat eiser recent strafbare feiten heeft gepleegd, dat hij daarvoor is veroordeeld en dat hij in detentie zit, is volgens eiser onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde en veiligheid. Verder voert eiser aan dat het feit dat een contact- en locatieverbod is opgelegd niet betekent dat sprake is van een risico op recidive en dat daarom zijn persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging van de openbare orde of veiligheid is. Ook had de minister bij deze beoordeling rekening moeten houden met de verhouding tussen de straf die aan eiser is opgelegd en de maximale straf die opgelegd had kunnen worden. Daarbij wijst eiser op twee uitspraken van de rechtbank Den Haagen een overgelegd advies voor voorlopige invrijheidsstelling.\n\n45. De rechtbank overweegt dat de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar kan opleggen aan een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid.De minister moet in dat geval beoordelen of de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare ode vormen.\n\n45.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen, omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid. Dit ondanks het feit dat de minister in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser het grootste gedeelte van de opgelegde straf nog moet uitzitten en dat hij afgelopen jaar voor de strafbare feiten is veroordeeld, maar de minister op de zitting heeft aangegeven dat dit onjuist is.\n\n45.2.. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft eiser op 19 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van de tijd die eiser in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft het gerechtshof aan eiser een contactverbod opgelegd met het slachtoffer en een locatieverbod voor de gemeente [plaats] . Eiser is veroordeeld voor het binnendringen in de woning van zijn voormalig echtgenote om haar vervolgens gedurende drie uur met woorden en met een mes te bedreigen. Ook heeft eiser volgens het gerechtshof geprobeerd seks af te dwingen, terwijl hem duidelijk moest zijn dat zijn voormalig echtgenote dat niet wilde. Eiser heeft het plegen van de strafbare feiten altijd ontkend en uit het advies voorlopige invrijheidsstelling van 31 juli 2025 en het reclasseringsadvies van 26 mei 2025 blijkt dat hij het plegen van de strafbare feiten nog altijd ontkent. Het risico op recidive kan daarom niet worden ingeschat.\n\n45.3.. Gezien de ernst van de gepleegde strafbare feiten heeft de minister aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar mogen opleggen. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat er onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gebracht dat sprake is van een positieve gedragsverandering en ook dat eiser dit nog niet heeft kunnen laten zien in de vrije maatschappij. Het advies voorlopige invrijheidsstelling betreft de periode in detentie en komt daarom niet de waarde toe die eiser daaraan hecht. Verder betekent het feit dat de kans op recidive niet kan worden ingeschat niet dat daarom geen sprake is van een actuele bedreiging. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom eisers persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging vormt. De minister heeft daarbij betrokken dat eiser het misdrijf waarvoor hij veroordeeld is nog steeds ontkend en dat hij is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten met een ernstige aard, namelijk geweldsmisdrijven tegen eisers voormalige echtgenote.\n\nPrivéleven\n\n46. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of het opleggen van een zwaar inreisverbod in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser motiveert de minister daarmee niet waarom het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan zijn in Nederland opgebouwde privéleven.\n\n47. De rechtbank overweegt dat de minister bij het opleggen van een inreisverbod beoordeelt of dit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.De minister heeft in het bestreden besluit alleen beoordeeld of het opleggen van het inreisverbod in strijd is met eisers familieleven en heeft daarbij vastgesteld dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en zijn vriendin in Nederland. De minister heeft daarmee in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van privéleven en of het opleggen van een inreisverbod daarmee in strijd is. De minister heeft zich echter in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van privéleven, omdat eiser dit zowel in de zienswijze als in beroep niet heeft onderbouwd.\n\n47.1.. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat de minister heeft nagelaten te beoordelen of het opleggen van een inreisverbod in strijd is met eisers privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet daarentegen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gelet op de aanvullende motivering die de minister op de zitting heeft gegeven en het feit dat eiser het bestaan van privéleven ook in beroep verder niet heeft onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n48. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft.\n\n49. De rechtbank ziet gelet op de overwegingen 10.3 en 47.1 van deze uitspraak wel aanleiding om de minister te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814.- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2791.\n\n Zie pagina 4 van het bestreden besluit en pagina 4 van het voornemen van 1 mei 2025.\n\n Algemeen ambtsbericht Egypte november 2021, pagina 86.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1062.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2675.\n\n Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14655 en van de zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1396.\n\n Artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 (Zh. en O.), ECLI:EU:C:2015:377 en bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4687.\n\n Paragraaf A4\u002F2.2 onder c van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18653","ecli-nl-rbdha-2026-18653",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]