ECLI:NL:RBDHA:2026:18663
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/349330-25
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteland],
BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] te [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 april 2026 (pro forma) en 15 juni 2026 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.R. Knobbout en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Vedder naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 15 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1 hij op of omstreeks 16 april 2025 te Lisse, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en/of bankpas(sen) en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsels van verdichtsels en/of een valse order, door
zich voor te doen als medewerker van fraude preventie en/of
die [benadeelde 1] te zeggen dat er vreemde transacties op de bankrekening van [benadeelde 1] zouden plaatsvinden en/of dat er een collega langs zou komen en/of woorden van gelijke aard of strekking en/of
bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en aldaar naar het ODIDO-kastje te vragen en/of foto’s te maken van een geldbedrag en/of bankpas(sen) en/of sieraden en/of vervolgens die goederen mee te nemen;
2 hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Geldrop, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) bankpas(sen) en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsels van verdichtsels en/of een valse order, door
zich voor te doen als medewerker van KPN en/of
die [benadeelde 2] te zeggen dat er fraude zou plaatsvinden en/of te zeggen dat er iemand (hiervoor) naar de woning zou komen en/of
bij de woning van die [benadeelde 2] langs te gaan en aldaar naar de meterkast te openen en/of te vragen naar sieraden en/of bankpas(sen) om te scannen en vervolgens die goederen mee te nemen;
3 hij op of omstreeks 1 december 2025 in Beekbergen, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 4]) weg te nemen geld en/of sieraden en/of bankpassen en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf
te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsels van verdichtsels en/of een valse order, door, door
bij voornoemde woning aan te bellen en/of
te vragen om geld en/of
voornoemde woning te betreden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
3.1.. Inleiding
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich, al dan niet samen met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit een woning en één poging daartoe. In alle gevallen werden oudere slachtoffers middels een babbeltruc / (bank)helpdeskfraude bewogen tot afgifte van sieraden, bankpassen en/of andere goederen.
3.2.. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.. Bewijsoverwegingen
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigd zijn bewezen.
Schakelbewijs
De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. De verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van twee diefstallen uit een woning en één poging daartoe met een zogenaamde babbeltruc/(bank)helpdeskfraude. Voor elk van die zaken moet dus wettig en overtuigend bewijs bestaan voor zowel het medeplegen als de diefstal.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan andere, soortgelijke feiten, onder omstandigheden is toegelaten als steunbewijs (in de vorm van zogenoemd schakelbewijs). Voor een bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende manier van werken (modus operandi) kunnen worden betrokken de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het betreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank stelt vast dat elk van de ten laste gelegde diefstallen volgens dezelfde modus operandi is gepleegd met een zogenoemde babbeltruc.In alle zaken werden de aangevers eerst gebeld door een persoon waarna zij aan huis door een persoon werden opgezocht. Bij de feiten 1 en 2 werden de aangevers gebeld door een vrouw die zou werken bij de fraudepreventie van een telecombedrijf en zich “[valse naam]” noemde. Aan de aangevers werd meegedeeld dat er iets mis was met hun bankrekeningen/bankpassen en hun internetverbinding en dat er daarom iemand langs zou komen bij de aangevers om te controleren of alles in orde was. Vervolgens is een man bij de aangevers langsgekomen die zich voordeed als iemand van het telecombedrijf, waarna sieraden, bankpassen en andere goederen van de aangevers werden weggenomen. Hoewel bij feit 3 de verklaring van de aangeefster, goed mogelijk vanwege haar dementie, minder gedetailleerd is, kan uit de door haar geschetste gang van zaken min of meer dezelfde modus operandi worden afgeleid. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de persoon die in de woningen van de aangevers is geweest bij feit 1 en feit 3, gebruik heeft gemaakt van een huurauto van dezelfde organisatie. De drie aangevers hebben voorts een gelijkluidend signalement van de persoon opgegeven die in hun woningen is geweest.
De omstandigheid dat de modus operandi in de verschillende zaken op essentiële punten hetzelfde is, zoals hierboven uiteengezet, maakt dat bij elk van de aan de orde zijnde ten laste gelegde zaken het bewijs uit die andere zaken (ook) kan worden gebruikt (namelijk als steunbewijs). Dat zal de rechtbank ook doen.
Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij elk van de ten laste gelegde zaken merkt de rechtbank daarnaast het volgende op.
De verdachte komt grotendeels overeen met het door de aangevers opgegeven signalement.
Ten aanzien van feit 1 is uit diverse camerabeelden van nabij gelegen woningen gebleken dat rond het tijdstip van het incident een persoon die gelijkenissen met de verdachte vertoont, in de richting van de woning van de aangeefster is gelopen en even later weer terugliep. Voorts is op de camerabeelden een huurauto van MyWheels te zien die door de verdachte is gehuurd.
Ten aanzien van feit 2 werd een dag na het incident een weggenomen iPad naast een container aangetroffen. Op de iPad werd een vingerafdruk en een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen.
Voor feit 3 werd de persoon die in de woning van de aangeefsters is geweest op heterdaad betrapt door de zoon en schoondochter van de aangeefster. De schoondochter heeft een foto van de persoon die in de woning van de aangeefster is geweest gemaakt en een verbalisant heeft deze persoon herkend als de verdachte. Tevens maakte deze persoon gebruik van een huurauto en na onderzoek is gebleken dat deze auto werd gehuurd door de verdachte. Voorts is uit de historische gegevens van het mobiele telefoonnummer van de verdachte gebleken dat zijn telefoonnummer ten tijde van het incident een basisstation in de buurt van het plaats delict heeft aangestraald.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. De aangevers werden immers eerst gebeld door een ander persoon en stonden ten tijde van het plegen van de diefstallen door de verdachte ook telkens in telefonisch contact met die persoon. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke babbeltrucs alleen kunnen slagen als sprake is van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel geschakeld moet worden tussen de beller en ophaler, wil een dergelijke fraude lukken.
De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
Proceshouding van de verdachte
Uit het vorenstaande blijkt dat in het dossier diverse en in hoge mate belastende feiten en omstandigheden tegen de verdachte aanwezig zijn. Deze belastende feiten en omstandigheden tezamen schreeuwen om een uitleg van de verdachte. Die uitleg is niet gekomen. De verdachte heeft zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen. De verdachte heeft het recht om dat te doen, maar daarmee heeft hij geen aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs voor het hem ten laste gelegde. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.6.. De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1 hij op 16 april 2025 te Lisse, in/uit een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander, bankpas en sieraden, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door
zich voor te doen als medewerker van fraude preventie en
die [benadeelde 1] te zeggen dat er vreemde transacties op de bankrekening van [benadeelde 1] zouden plaatsvinden en dat er een collega langs zou komen en woorden van gelijke aard of strekking en
bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en aldaar naar het ODIDO-kastje te vragen en foto’s te maken van een geldbedrag en bankpassen en sieraden en vervolgens die goederen mee te nemen;
2 hij op 26 maart 2025 te Geldrop, in/uit een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een ander, bankpassen en sieraden, die aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door
zich voor te doen als medewerker van KPN en
die [benadeelde 2] te zeggen dat er fraude zou plaatsvinden en te zeggen dat er iemand hiervoor naar de woning zou komen en
bij de woning van die [benadeelde 2] langs te gaan en aldaar naar de meterkast te openen en te vragen naar sieraden en bankpassen om te scannen en vervolgens die goederen mee te nemen;
3 hij op 1 december 2025 in Beekbergen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] weg te nemen geld en sieraden, toebehorende aan [benadeelde 3], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen geld en goederen onder hun bereik te brengen door het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door
bij voornoemde woning aan te bellen en
te vragen om geld en
voornoemde woning te betreden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
6.1.. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het verplicht zoeken naar en behouden van een zinvolle dagbesteding.
6.2.. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen. Voorts heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.
6.3.. Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee diefstallen uit een woning en een poging daartoe. Door middel van babbeltrucs, zogenaamde (bank)helpdeskfraude, zijn van meerdere oudere slachtoffers, sommige zelfs (hoog)bejaard, op slinkse en schaamteloze wijze geld, sieraden, bankpassen en andere goederen bemachtigd. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Van de slachtoffers zijn sieraden weggenomen, of dat is geprobeerd, die voor hen van onvervangbare emotionele waarde waren. Ook is het vertrouwen van de slachtoffers ernstig misbruikt en geschaad. Het is extra kwalijk dat juist oudere mensen doelbewust tot slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid.
Babbeltrucs/(bank)helpdeskfraude is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit die voor de verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. Het was de verdachte die op pad is gegaan om geld, bankpassen, sieraden en andere goederen bij de slachtoffers op te halen. De verdachte heeft daarmee een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de genoemde babbeltrucs. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich niet bekommerd om de slachtoffers.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De op te leggen straf
Gelet op het aantal bewezenverklaarde feiten, de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van de verdachte. Hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en geen verantwoordelijkheid genomen met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank acht daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Gelet op de persoon van de verdachte acht de rechtbank ook begeleiding door de reclassering en de verplichting tot het zoeken naar en het behouden van een zinvolle dagbesteding als bijzondere voorwaarden geïndiceerd.
Al met al acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij voor een bedrag van
€ 7.735,- , bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de benadeelde partij heeft een bedrag van € 385,- gevorderd onder het kopje “immateriële schade”, bestaande uit haar eigen bijdrage voor de kosten van een psychiater. De rechtbank verstaat de vordering zo dat deze op dit onderdeel betrekking heeft op de vergoeding van materiële schade, nu het gaat om een vergoeding voor gemaakte kosten.
7.1.. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank een door haar te bepalen bedrag als schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte zal opleggen ter zake van immateriële schade.
7.2.. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.
7.3.. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering tot vergoeding van materiele schade, is door de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, ter zake van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen. De rechtbank ziet in het schadeformulier geen, althans onvoldoende aanknopingspunten om de vordering van de benadeelde partij zo te begrijpen dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade is ingediend. Bij gebreke van een vordering die betrekking heeft op die schadepost, is er ook geen grond voor de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Dit daargelaten dat denkbaar is dat de benadeelde partij wel immateriële schade heeft geleden. Dat echter, is daarvoor onvoldoende.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 3
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
zich gedurende de proeftijd verplicht inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, zoals betaald werk, onbetaald werk, dan wel een opleiding met een vaste structuur;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.P. van der Weide, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.