Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18728

Tribunal

Groningen

Date

8 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30898
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw(de vrijheidsbeperkende maatregel).

1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 10 mei 2026 te verblijven in de HTLin Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COavan 10 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.

3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen/beperkingen die eiser hierdoor ondervindt liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, nu deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en/of geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000.

Handhaving- en Toezichtlocatie.

Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Plus de Décisions